RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.181692.20 Uitspraakdatum: 18 juni 2024 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juni 2024 in de zaak tegen: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters, en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 februari 2020 te Alkmaar, althans in Nederland, (telkens) met de aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige genaamd: [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(
- en)heeft gepleegd, die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte (telkens) een en/of meermalen: - zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gestopt en/of (vaginale) gemeenschap gehad met die [slachtoffer] en/of - zijn, verdachtes, vinger(
- s)in de vagina van die [slachtoffer] gestopt en/of die [slachtoffer] gevingerd; Feit 2 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 14 februari 2020 te Alkmaar, althans in Nederland, (telkens) met de aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige genaamd: [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt en/of van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) een en/of meermalen: - betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of - betasten van de borst(
- en)van die [slachtoffer] en/of - met zijn, verdachtes, mond en/of tong aanraken en/of likken van de vagina van die [slachtoffer], althans oraal bevredigen van die [slachtoffer] en/of - geven van (een) kus(jes) op de wang(
- en)en/of de mond van die [slachtoffer]; 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Inleiding [naam slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) is een (inmiddels) 18-jarige vrouw met, sinds haar geboorte, ernstige lichamelijke beperkingen. [slachtoffer] heeft epilepsie, is spastisch, zit in een rolstoel, kan niet staan, lopen of praten en is volledig afhankelijk van de zorg van anderen. Ze communiceert sinds 2019 mede door middel van een zogenaamde Tobii dynavox, een spraakcomputer met oogbesturing (hierna: de Tobii). [slachtoffer] heeft bij het gebruik van de Tobii ondersteuning nodig van degene die haar begeleidt, omdat zij nystagmus heeft (onwillekeurige ritmische bewegingen van de oogbollen). Deze persoon moet het hoofd van [slachtoffer] vasthouden, zodat zij haar ogen kan richten op het beeldscherm om zo pictogrammen op de spraakcomputer met haar ogen te kunnen aanwijzen. In september 2019 zijn de begeleiders van [slachtoffer] gestart met het regelmatiger en intensiever voeren van gesprekken met haar via de Tobii, omdat dit een positief effect op haar leek te hebben. Uit deze gesprekken ontstond bij de begeleiders een vermoeden dat [slachtoffer] door de verdachte seksueel was misbruikt. Deze informatie werd door de begeleiding van [slachtoffer] gedeeld met de moeder van [slachtoffer], [naam moeder slachtoffer]. Na een informatief gesprek bij de zedenpolitie heeft zij op 1 april 2020 namens haar dochter [slachtoffer] aangifte gedaan van seksueel misbruik tegen de verdachte. De verdachte, werkzaam als - onder meer - fysiotherapeut van meervoudig gehandicapte kinderen, is vanaf 2008 betrokken geraakt bij de zorg voor [slachtoffer]. [slachtoffer] was toen 2 jaar oud. [slachtoffer] logeert vanaf dat moment regelmatig bij de verdachte en zijn toenmalige partner, de getuige [getuige 1]. Vanaf 2011 neemt [slachtoffer] deel aan de door de verdachte opgezette [projectnaam], een project waarbij kinderen met een meervoudige beperking gekoppeld worden aan een basisschoolklas in [plaats]. Vanaf 2011 tot 2016 is de verdachte de persoonlijk begeleider van [slachtoffer] bij de [projectnaam]. Vanaf 2014 logeert [slachtoffer] regelmatig onder begeleiding van de verdachte op de locatie van de [projectnaam]. Naar aanleiding van de aangifte heeft op 9 april 2020 een verhoor van [slachtoffer] door de politie plaatsgevonden in een kindvriendelijke verhoorstudio via de Tobii en met ondersteuning van haar persoonlijk begeleidster. Aan de deskundige [naam deskundige 1], psycholoog, is vervolgens door de rechter-commissaris, na een vordering daartoe van de officier van justitie, verzocht onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] tijdens het studioverhoor afgelegde verklaring. In haar rapportage van 13 november 2020 concludeert de deskundige [naam deskundige 1] dat de betrouwbaarheid van deze verklaring laag is. Na afronding van het onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op 7 december 2020 besloten om de zaak tegen de verdachte te seponeren door gebrek aan bewijs. De moeder van [slachtoffer] heeft daartegen een klaagschrift op basis van artikel 12 Wetboek van Strafvordering ingediend bij het Gerechtshof Amsterdam. Met de beschikking van 7 juli 2022 heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de verdachte alsnog diende te worden vervolgd voor seksueel misbruik van [slachtoffer]. Daarbij heeft het hof overwogen dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevatte voor nader onderzoek, zoals onder meer het wederom horen van [slachtoffer]. Naar aanleiding van deze beslissing is op verzoek van de officier van justitie door drs. [naam deskundige 2], recherchepsycholoog, een advies uitgebracht over de vraag of een tweede studioverhoor van [slachtoffer] zou kunnen leiden tot een betrouwbare verklaring. De recherchepsycholoog heeft op 26 januari 2023 gerapporteerd dat zij deze kans minimaal acht. Een nieuw studioverhoor zou volgens [deskundige 2] namelijk een herhaling zijn van de reeds gevoerde gesprekken en is voor [slachtoffer] spannend en vermoeiend. Door haar fysieke beperking is het hoogst haalbare een verklaring bestaande uit losse woorden, zonder context. Bovendien bestaat door het verstrijken van de tijd meer kans dat de herinnering van [slachtoffer] (onbewust) is beïnvloed door de eerdere gesprekken. Een betrouwbaarheidsanalyse van de eerder gevoerde gespreken zou volgens de recherchepsycholoog meer kans opleveren op het verkrijgen van (bruikbare) informatie. Op vordering van de officier van justitie is door de rechter-commissaris aan de deskundige dr. [naam deskundige 3], met als deskundigheidsgebied Legal Psychology – Statement Validity, de opdracht gegeven om een betrouwbaarheidsanalyse te maken van de gesprekken die [slachtoffer] met haar begeleiders heeft gevoerd. Deskundige [deskundige 3] concludeert in zijn rapportage van 12 oktober 2023 dat de verklaringen die door de begeleiders (en de ouders) van [slachtoffer] zijn verkregen in gesprekken middels het Tobii systeem slechts in beperkte mate betrouwbaar zijn en dat, naar het oordeel van de rapporteur, de kans dat deze verklaringen waarheidsgetrouw zijn niet groter is dan de kans dat ze niet waarheidsgetrouw zijn. 4Waardering van het bewijs 4.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie gaat daarbij uit van de bevindingen en conclusies van de deskundigen [naam deskundige 1] en [deskundige 3] op basis waarvan de verklaringen van [slachtoffer] maar in beperkte mate betrouwbaar kunnen worden geacht. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende steunbewijs om tot een bewezenverklaring van de feiten te kunnen komen. 4.2 Standpunt van de verdachte De verdachte ontkent de feiten te hebben gepleegd. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er geen letsel bij [slachtoffer] is vastgesteld en ook geen andere sporen bij haar zijn gevonden die zouden kunnen wijzen op seksueel misbruik. Daarnaast is niet vastgesteld in hoeverre [slachtoffer] scherp kan zien en de computer adequaat kan aansturen. Ook is het de vraag of tijdens de gespreksessies en het studioverhoor door de Tobii daadwerkelijk de oogbewegingen van [slachtoffer] zijn geregistreerd en of het niet de ogen van de begeleidster zijn geweest, die tijdens de gesprekken en het studioverhoor het hoofd van [slachtoffer] vasthield. Het vasthouden van het hoofd van [slachtoffer] maakt bovendien beïnvloeding door de begeleidster mogelijk. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] de verdachte daadwerkelijk heeft beschuldigd van seksueel misbruik. Volgens de verdachte heeft [slachtoffer] bovendien nooit non-verbaal laten blijken dat ze geen vertrouwen (meer) in hem zou hebben. 4.3 Oordeel van de rechtbank Wettelijk kader De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken zich vaak de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde gedragingen. Als de verdachte ontkent of verklaart dat het niet zo is gegaan als de andere persoon (het slachtoffer) zegt, is het het woord van de één tegen de ander. De wet heeft in dat kader een bewijsminimum geformuleerd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Een bewezenverklaring van een strafbaar feit mag niet gebaseerd worden op alleen de verklaring van één getuige. Er moet altijd steunbewijs zijn. Deze regel beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat het artikel de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voordat de rechtbank echter toekomt aan de vraag of er voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van de feiten te komen, zal de rechtbank allereerst moeten onderzoeken of (de weergave van) de verklaringen van [slachtoffer] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Weergave van de gesprekken via de Tobii Vanaf september 2019 zijn de begeleiders van [slachtoffer] gestart met het regelmatig(
- er)communiceren via de Tobii. Daarover zijn gespreksverslagen opgesteld. In het gespreksverslag van 10 februari 2020 staat vermeld dat [slachtoffer] door het beantwoorden van vragen de volgende informatie heeft verstrekt: “wij, stoppen met logeren, vinden moeilijk om te vertellen, lichaam en verzorging, vagina, hand, borst, [voornaam verdachte] en spelletjes”. Uit het daaropvolgende gespreksverslag van 11 februari 2020 valt op te maken dat het gesprek de woorden “ruzie, papa, mama, [voornaam verdachte], hand, penis, vinger” als resultaat heeft opgeleverd. Uit de verslagen van de gespreksessies op 14 februari 2020 en 17 februari 2020 volgt dat onder meer woorden van gelijke strekking aan de orde komen maar ook woorden als “vies, naakt, bewegen, pijn, plasser en bloed”. In de periode daarna zijn er meerdere gesprekken met [slachtoffer] gevoerd om hier verder over door te vragen met als resultaat woorden van soortgelijke strekking. Betrouwbaarheidsanalyse deskundige dr. [naam deskundige 3] De deskundige [deskundige 3] heeft, zoals hiervoor aangegeven, een betrouwbaarheidsanalyse gemaakt van de gesprekken die [slachtoffer] met haar begeleiders via de Tobii heeft gevoerd. Hiervoor moet volgens de deskundige achtereenvolgens worden gekeken naar
(1)de betrouwbaarheid van de methode en de wijze waarop deze is toegepast door de begeleiders en
(2)de betrouwbaarheid van de interpretatie van de gesprekken door de begeleiders. Met betrekking tot
(1)de betrouwbaarheid van de methode en de wijze waarop deze is toegepast overweegt de deskundige als volgt. “(…) Uit onderzoek is (…) gebleken dat verklaringen verkregen met systemen voor ‘geholpen communicatie’ (facilitated communication) vaak niet valide zijn. (…) Alle argumenten voor de onbetrouwbaarheid van ‘geholpen communicatie’ zijn aanwezig bij de toepassing van het Tobii dynavox systeem. Het grote probleem is volgens de onderzoeken de mogelijkheid dat de begeleiders die het systeem toepassen op diverse manieren, deels onbedoeld en ongewild, invloed kunnen uitoefenen op wat [slachtoffer] ‘vertelt’. Deze argumenten worden hieronder besproken. (…) De begeleiders bepalen de keuze van het startscherm, en soms bepalen zij ook, op grond van hun interpretatie van wat daarvoor werd aangewezen, de keuze van het volgende scherm dat wordt aangeboden. Als niet met pictogram schermen wordt gewerkt maar met ja-nee vragen, zijn het ook de begeleiders die bepalen welke vragen gesteld worden. Hoewel [slachtoffer] met haar antwoorden enige invloed heeft op het verloop van het 'gesprek', is het toch degene die de informatie aanbiedt die met de aangeboden opties in belangrijke mate bepaalt waar een 'gesprek' over gaat en welke onderwerpen aan bod komen. Dit introduceert per definitie een aanzienlijke kans op ‘besturing' van de inhoud van het gesprek en daarmee op suggestieve beïnvloeding. Dit risico wordt nog eens versterkt omdat eerdere antwoorden de basis vormen voor de daaropvolgende vragen. (…)[slachtoffer] heeft slechts beperkte controle over haar hoofdbewegingen. Het stil houden van het hoofd is cruciaal om te kunnen bepalen waarop wordt gefixeerd. Dit wordt opgelost doordat een begeleider het hoofd van [slachtoffer] vasthoudt. Dit introduceert de mogelijkheid dat daarbij door lichte bewegingen onbedoeld en onbewust een soort signaal wordt gegeven voor een verwacht 'ja' of 'nee' antwoord. Deze mogelijkheid van (impliciete) suggestie kan niet geheel worden uitgesloten, temeer omdat bij praktisch alle gesprekken het hoofd van [slachtoffer] werd vastgehouden door dezelfde begeleidster ([voornaam begeleidster]). (…)De controle van [slachtoffer] over haar oogbewegingen is niet optimaal. Zelfs als een ‘ja’ of 'nee' antwoord moet worden gekozen op een vraag is de keuze in veel gevallen niet direct stabiel en is er een afwisseling van ja's en nee's. Het zijn de begeleiders die dan het moment bepalen waarop tot een definitief 'ja' of 'nee' wordt besloten. (… )Ook bij de voorbereiding op het studioverhoor en het studioverhoor zelf op 8 en 9 april 2020 (…) komt de beperkte controle van de oogbewegingen, en de problemen bij de selectie van het bedoelde antwoord, duidelijk naar voren. Met de selectie van het antwoord zijn het opnieuw de begeleiders die het vervolg van het gesprek sturen. (…)De mogelijke sturing van de gesprekken door begeleiders is vooral zorgelijk omdat de begeleiders vooringenomen lijken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit enkele negatieve (naast positieve) kwalificaties over de omgang van [verdachte] met [slachtoffer] van de begeleidsters die de gesprekken voeren (…).Deze vooringenomenheid kan leiden tot gericht zoeken, zowel in de vraagstelling als bij de interpretatie van antwoorden, naar verdere bevestiging ('confirmation bias'). Dit proces kan nog versterkt worden door onderlinge beïnvloeding en 'collaborative storytelling' (het creëren van een gemeenschappelijk verhaal). (…)De kans op beïnvloeding van [slachtoffer] wordt nog vergroot omdat in het dossier aanwijzingen zijn dat de moeder van [slachtoffer] heel zeker lijkt in haar overtuiging dat [slachtoffer] seksueel misbruikt is. (…)Verder heeft moeder op een zeker moment de namen van [verdachte] en zijn ex-partner [naam getuige 1] (getuige [getuige 1]) verplaatst van het scherm 'vrienden' naar het scherm 'bekenden', en hun pictogrammen veranderd in een slijmvlek ([verdachte]) en een heks ([naam getuige 1]) (…). (…) Rapporteur merkt in dit verband op dat bijna alle gesprekken die met [slachtoffer] zijn gevoerd na 10 februari 2020 of z'n minst voor een deel gaan over mogelijk seksueel grensoverschrijdende gedragingen in het algemeen, of specifiek door [verdachte]. Dit past bij een scenario van beïnvloeding waarbij alle gesprekken meer of minder bewust zijn gestuurd naar dit onderwerp. Het alternatieve scenario dat dit een vrije en bewuste keuze is geweest van [slachtoffer] lijkt niet meer aannemelijk dan een scenario dat begeleiders, en vooral de moeder van [slachtoffer], gericht zijn op het vinden van aanwijzingen voor door hen vermoed seksueel misbruik. (…) Door de zeer bewerkelijke gespreksprocedures duren de 'gesprekken' met [slachtoffer] heel erg lang. Voorbeelden zijn enkele gespreksverslagen waarbij begin- en eindtijden zijn vermeld, zoals 13 maart 2020 van 9:15 tot 14:00 uur en 30 maart 2020 van 10:00 tot 16:45 uur. Dit is niet alleen belastend voor [slachtoffer], maar het stelt ook hoge eisen aan de begeleiders en het kan hun alertheid om het complexe gespreksproces adequaat te bewaken verminderen. (…) In het verslag van sommige gesprekken wordt gemeld dat [slachtoffer] werd geprezen omdat ze het goed deed (…). Ook bij de opnames van 'gesprekken' met [slachtoffer] is te zien dat [slachtoffer] vaak wordt geknuffeld en wordt geprezen dat ze het 'goed doet'. Ook wordt benadrukt dat het niet erg is om alles te vertellen. [slachtoffer] werd tijdens en na de gesprekken dus verbaal en/of non-verbaal aangemoedigd en er werd positieve feedback gegeven bij door begeleiders verwachte antwoorden. Het risico bestaat dat hiermee suggesties worden gedaan omdat [slachtoffer] het opvat als een signaal dat ze de 'goede' of 'gewenste' begrippen en onderwerpen noemt en deze daarom gaat herhalen. (…) Sommige pictogrammen (begrippen/onderwerpen) kunnen min of meer toevallig zijn gekozen als [slachtoffer] er op fixeert zonder de bedoeling het aangeduide begrip uit te drukken. Dit bepaalt dan wat vervolgens aan de orde wordt gesteld en leidt tot een toevallig pad in de communicatie. De kans op fixeren zonder de bedoeling een begrip uit te drukken, wordt vergroot als bijvoorbeeld een nieuw scherm met nog onbekende pictogrammen wordt aangeboden, of als een scherm opvallende begrippen of pictogrammen bevat die de aandacht van [slachtoffer] trekken, zoals woorden die met seks te maken hebben. Op 22 april 2020 werd in het beginscherm een pictogram voor seksualiteit toegevoegd dat verwees naar een nieuw scherm met diverse seksuele begrippen (…). Te verwachten valt dat deze begrippen daarna zullen worden 'genoemd', zonder dat [slachtoffer] daar eigen ervaringen mee aanduidt. Met betrekking tot
(2)de interpretatie van de gesprekken met [slachtoffer] en beïnvloeding van [slachtoffer] door onderlinge gesprekken van begeleiders overweegt de deskundige als volgt. “(…)Een cruciale factor bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de ‘gesprekken’ die [slachtoffer] heeft gevoerd met haar begeleiders is de interpretatie van deze gesprekken. Het aandeel van [slachtoffer] bij deze gesprekken bestaat uit het genereren van een reeks woorden. Haar antwoorden bestaan dus niet uit coherente zinnen, maar uit een serie losse begrippen die niet automatisch een eenduidige interpretatie mogelijk maken. In de meeste gevallen moet de betekenis worden geïnterpreteerd door de vraagsteller (de begeleiders). (…) De uitingen van [slachtoffer] werden (…) kennelijk geïnterpreteerd als mogelijk wijzend op seksueel overschrijdend gedrag. (…) Dat bij de interpretatie is gekozen voor het misbruik scenario, is daarna meer of minder sturend geweest voor de volgende gesprekken. (…) (…)Uit een analyse van deze gesprekken (…)lijkt daarbij een trend dat er steeds verdergaande uitspraken worden gedaan., Op 3 maart 2020 wordt bijvoorbeeld voor het eerst het woord ‘penis’ gebruikt, op 24 april 2020 de woorden ‘neuken, penis en vagina’, op 7 mei 2020 ‘penis, tong, likken’ en op 13 mei 2020 ‘penis strelen sperma tegen gezicht’. Deze trend kan ondersteuning zijn voor het scenario dat ook aan [slachtoffer] steeds verdergaande uitspraken worden ontlokt door suggestieve beïnvloeding.(…) (…) Hoe alle direct en indirect verkregen informatie precies door [slachtoffer] wordt geïnterpreteerd, weten we niet. Het is echter goed mogelijk dat het haar perceptie van de jarenlange interactie met [verdachte] heeft beïnvloed en dat het leidt tot fantasieën daarover. Deze mogelijkheid gaat ten koste van de betrouwbaarheid van de verklaringen. Conclusie Rapporteur constateert dat er, zowel door de aard van de methode, als door de situatie waarin de methode wordt toegepast, een aanzienlijke kans bestaat dat de verklaringen van [slachtoffer] zijn beïnvloed door suggestie. Hoewel rapporteur eveneens constateert dat de ‘gesprekken’ met [slachtoffer] oprecht en met grote volharding zijn gevoerd en dat sommige uitspraken van [slachtoffer] zorgelijk kunnen worden gevonden, moet worden geconcludeerd dat de verklaringen die door de begeleiders en de ouders zijn verkregen van [slachtoffer] met behulp van het Tobii dynavox systeem slechts in beperkte mate betrouwbaar geacht kunnen worden.” Beoordeling verklaring studioverhoor door deskundige [naam deskundige 1] Door de deskundige [naam deskundige 1] is onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaring tijdens het studioverhoor door de politie. In de rapportage van [naam deskundige 1] staat onder meer: (…) De instructie over het herhalen van vragen wordt weggelaten. Zeker gezien het verloop van het verhoor, was deze instructie wel van belang geweest.(…) Het was goed geweest als er een uitleg was gegeven aan [slachtoffer] over de werkwijze en dat nog eens nadrukkelijk was besproken met [slachtoffer] dat de verhoorder deze informatie heeft gekregen, maar niet weet of deze informatie klopt en dat [slachtoffer] het echt moet zeggen als er dingen zijn die tijdens eerdere gesprekken verkeerd begrepen zijn of die [slachtoffer] verkeerd heeft verteld. (…) Er worden haar nauwelijks nieuwe vragen gesteld. Tijdens het verhoor hoeft [slachtoffer] alleen de woorden ja/nee/weet niet aan te klikken. Dat betekent dat nagenoeg alle informatie tijdens het verhoor door de verhoorder is ingebracht, op basis van de eerder gevoerde gesprekken met [slachtoffer]. Wanneer [slachtoffer] tijdens het verhoor een antwoord geeft dat niet overeenkomt met een eerdere uitspraak van [slachtoffer], dan komt het voor dat de vraag herhaald wordt, totdat [slachtoffer] een “beter” antwoord geeft (overeenkomstig de verwachtingen op basis van de eerdere gesprekken). De verhoorder herhaalt regelmatig wat [slachtoffer] heeft gezegd. Hierbij wordt soms niet toegevoegd: “Klopt dat?” Wanneer de herhaling een ontkenning bevat, is vervolgens niet duidelijk wat [slachtoffer] met “ja” of “nee” bedoelt. Al met al kom ik tot de conclusie dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] in de kindvriendelijke verhoorstudio laag is. (…) Een probleem blijft dat [slachtoffer] alleen losse woorden aan kan wijzen en dat het leggen van verbanden tussen de pictogrammen die ze aanwijst, vrijwel altijd door de omgeving moet gebeuren. (…) Hierdoor zal de verklaring van [slachtoffer] onvolledig blijven.” Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de weergave van de losse woorden die door [slachtoffer] middels de Tobii zijn aangeduid en waarop de aangifte van haar moeder is gebaseerd, in samenhang met de conclusies van de deskundige [deskundige 3], die de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, niet kunnen worden aangemerkt als een voldoende betrouwbare verklaring om een bewezenverklaring dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan op te kunnen baseren. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder van belang dat door de deskundige [deskundige 3] is aangegeven dat bij communicatie middels de Tobii de begeleider, als degene die de informatie aanbiedt, in belangrijke mate bepaalt waar het gesprek over gaat, hetgeen een aanzienlijke kans op sturing van de inhoud van het gesprek en daarmee op suggestieve beïnvloeding introduceert. Ook de bevindingen van deskundige [deskundige 3] inhoudende dat de antwoorden van [slachtoffer] bestaan uit een serie losse begrippen die niet automatisch een eenduidige interpretatie mogelijk maken maar waarvan de betekenis in de meeste gevallen moet worden geïnterpreteerd door de vraagsteller (begeleider), maken dat de rechtbank van oordeel is dat met zeer grote behoedzaamheid moet worden omgegaan met de weergave van de gesprekken van [slachtoffer] middels de Tobii. Daar komt bij dat het verhoor van [slachtoffer] door de politie in de kindvriendelijke studio, gelet op de conclusie van de deskundige [naam deskundige 1], niet in positieve mate kan bijdragen aan een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen. Nu er geen ander direct bewijs voorhanden is dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen zijn. De rechtbank zal de verdachte daarom hiervan vrijspreken. 5Vordering benadeelde partij [slachtoffer] Namens [naam vader] en [naam moeder slachtoffer], de ouders (en bewindvoerders), van [slachtoffer] is ten aanzien van de feiten 1 en 2 door mr. R. Korver, advocaat te Amsterdam, een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- ingediend tegen de verdachte wegens vermogensschade en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De gestelde vermogensschade bestaat uit toekomstige medische (reis)kosten ad € 5.000,-. De immateriële schade bedraagt € 15.000,-. Daarnaast heeft de advocaat verzocht om vergoeding van de proceskosten voor een bedrag van € 7.500,-. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt, gelet op de vrijspraak, niet toe aan een beoordeling van deze vordering. De benadeelde partij wordt daarom in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. 6Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Rutten, voorzitter, mr. M.E. Francke en mr. A.J.E. Schouten, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2024. Mrs. Rutten en Schouten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.