RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Uitlevering Parketnummer: 15/270257-23 Zittingsdatum: 28 maart 2024 Uitspraakdatum: 28 maart 2024 Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans in uitleveringsdetentie verblijvende in het Justitieel Complex te Zaanstad, aan Zwitserland. 1De relevante schriftelijke stukken 1.
- Het verzoek tot uitlevering In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Zwitserse autoriteiten van 8 maart 2024, met kenmerk B-18-4339-4 en gericht aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie in Den Haag. Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging voor de strafbare feiten opgenomen in het arrestatiebevel van 21 januari 2022, te weten diefstal met geweldpleging, afpersing en fraude. Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd: - een authentiek arrestatiebevel van 21 januari 2022, met een vertaling in de Nederlandse taal, afgegeven door lic. iur. R. Stocker, officier van justitie, Kanton Luzern in Zwitserland, waarin een uiteenzetting van de feiten is opgenomen; - een overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften; - middelen ter vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon. 1.
- De overige stukken van het dossier Voorts maken de navolgende stukken deel uit van het dossier: - een proces-verbaal van aanhouding van de opgeëiste persoon van 12 oktober 2023; - een bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon van 12 oktober 2023; - de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in art. 23, eerste lid, van de Uitleveringswet, van 17 oktober 2023; - een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 maart 2024 van de opgeëiste persoon; - de door de officier van justitie ter zitting van 28 maart 2024 overgelegde schriftelijke samenvatting als bedoeld in art. 26, tweede lid, van de Uitleveringswet. - een bericht van het Ministerie van Europa en Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek, Directoraat van de Fransen in het buitenland en het consulair bestuur aan de Ambassade de la Confédération Suisse en France van 6 januari 2020 waaruit volgt dat het onderhavige verzoek om uitlevering ter fine van strafvervolging door het bevoegde gerechtshof in Frankrijk niet in behandeling is genomen. 2Het onderzoek ter zitting 2.
- De behandeling Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 28 maart
- Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder
- genoemde stukken. De opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. E.K.B. Bijl, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie, mr. M.C. Beun, zijn gehoord. 2.
- De identiteit van de opgeëiste persoon. Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te ’[geboorteplaats] is, en dat hij degene is van wie de uitlevering wordt verzocht. 2.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard. 2.
- Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd over de toelaatbaarheid van het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon. 3De beoordeling van het verzoek tot uitlevering 3.
- Toepasselijke wetten en verdragen Op het verzoek is naast de Uitleveringswet, het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: Verdrag) van toepassing. 3.
- Genoegzaamheid van de stukken Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van de Uitleveringswet en artikel 12 van het Verdrag genoemde stukken gevoegd. De stukken zijn dan ook genoegzaam. 3.
- Dubbele strafbaarheid Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Uitleveringswet kan uitlevering ter fine van strafvervolging worden toegestaan indien, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht, een vrijheidsstraf van één jaar of meer kan worden opgelegd. De feiten zijn blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. Ook naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal met geweld (strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), afpersing (strafbaar gesteld in artikel 317 Sr) en medeplichtigheid aan oplichting (strafbaar gesteld in artikel 326 jo. artikelen 48 en 49 Sr). Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is van dubbele strafbaarheid. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 van het Verdrag en artikel 5 van de Uitleveringswet gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. 3.
- Conclusie Gelet op vorenstaande overwegingen en het feit dat ook overigens niet is gebleken van een beletsel voor de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, zal de rechtbank de uitlevering aan de Zwitserse autoriteiten van de opgeëiste persoon toelaatbaar achten. De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen, opdat hij zich niet aan de uitlevering zal onttrekken en deze met ingang van dinsdag 2 april 2024 geschorst tot aan het moment dat de tenuitvoerlegging van de (door de Belgische en Nederlandse autoriteiten) opgelegde gevangenisstraffen, geregistreerd onder parketnummer 09/038845-23 en 21/002729-17 eindigt. Deze beslissingen zijn bij apart bevel geminuteerd en zullen aan deze uitspraak worden gehecht. 4De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing: - 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet; - 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering; - 48, 49, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 5Beslissing De rechtbank: Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Zwitserland van [opgeëiste persoon] ter fine van strafvervolging voor de feiten opgenomen in het arrestatiebevel van 21 januari
- 6Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Visser, voorzitter, mr. G.D. Kleijne en mr. A. Lub, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart
- Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, maar er kan wel binnen veertien dagen cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad (artikel 31 van de UW).