← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:6462

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/307705-22 Uitspraakdatum: 11 juni 2024 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2024 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.S. Heij, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 november 2022 te Oostzaan, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 50,08 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.

  1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.
  2. Standpunt van de verdediging De raadsman refereert zich ten aanzien van het bewijs en de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. 3.
  3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, namelijk dat de verdachte zich op 25 november 2022 heeft schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 50,08 kilogram cocaïne. De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv. Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk: de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2024; het proces-verbaal van bevindingen van 25 november 2022, p. 30 t/m 32 van het procesdossier; een schriftelijk bescheid, zijnde een kennisgeving van inbeslagname van 25 november 2022, p. 1 (los processtuk); het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (Guishof 1 Zaandijk) van 29 november 2022, p. 57 t/m 62 van het procesdossier; geschriften, zijnde [10] rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 januari 2023, opgesteld door ing. F. Wallace, p. 2 t/m 11 van het aanvullende procesdossier NFI; geschriften, zijnde [10] rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 januari 2023, opgesteld door ing. N. van Doorn, p. 1 en 12 t/m 20, van het aanvullende procesdossier NFI. 3.
  4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 25 november 2022 te Oostzaan, in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 50,08 kilogram cocaïne. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.
  5. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en een geldboete van € 19.495,-., welke geldboete gelijk is aan het bedrag dat bij de verdachte thuis is aangetroffen, en waar conservatoir beslag op rust. 6.
  6. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De raadsman heeft daarom verzocht om een werkstraf op te leggen, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete, zodat de verdachte niet terug hoeft naar detentie. 6.
  7. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 50,08 kilo cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof en heeft een sterk verslavende werking. Gelet op de hoeveelheid, moet de cocaïne die de verdachte aanwezig heeft gehad bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Het gaat dan niet alleen om de strafbare feiten die gebruikers plegen ter financiering van hun behoefte aan deze stof, maar ook om ernstige geweldsfeiten, zoals afrekeningen in het criminele circuit, en ondermijnende criminaliteit, zoals witwassen. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 26 april
  8. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 29 mei 2024 van Reclassering Nederland. De reclassering schat het risico op recidive als laag in en vindt interventies en toezicht niet nodig. Op te leggen straf Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilo harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van ten minste 36 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur als passende reactie aangewezen is. Wel komt de rechtbank tot een kortere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden passend en geboden. De rechtbank zal echter bepalen dat tien maanden daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat tevens een geldboete van € 19.495.- moet worden opgelegd. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 2 en 10 van de Opiumwet; 63 van het Wetboek van Strafrecht. 8Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.
  9. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder
  10. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 [twintig] maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 10 [tien] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 19.495.-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 132 [honderdtweeëndertig] dagen hechtenis. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, mr. G.M.G. Hink en mr. D.J. Straathof, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.