Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/2292 uitspraak van de meervoudig douanekamer van 16 januari 2024 in de zaak tussen [eiseres] V.O.F., te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. L. Hoekstra), en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding en procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 2 februari 2022. Verweerder heeft bij beslissing van 2 september 2021 een deel van de zekerheid van eiseres die was gesteld voor het invoercertificaat AGRIM nr. 1448906 verbeurdverklaard (de verbeurdverklaring). Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de verbeurdverklaring afgewezen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2023 te Haarlem. Namens eiseres is, met bericht van afwezigheid, niemand verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. drs. [naam 1] . De zaak is op zitting gezamenlijk behandeld met de beroepen van andere eiseressen over een soortgelijk onderwerp met zaaknummers HAA 22/2293, HAA 22/2294, HAA 22/2295, HAA 22/2296 en HAA 22/2297. In de andere zaken heeft de rechtbank heden separaat uitspraken gedaan. Feiten 1. Op 1 juli 2020 heeft verweerder aan eiseres het invoercertificaat AGRIM nr. 1448906 afgegeven voor de invoer van 392.748 kg pluimveevlees uit [land] , gebaseerd op het contingent nummer 09.4212 van Verordening (EG) nr. 616/2007. De voor het invoercertificaat gestelde zekerheid bedroeg € 196.374, welke zekerheid was gesteld door [bedrijf] B.V. Het certificaat was geldig van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021. Aan het einde van de geldigheidsduur van het invoercertificaat had eiseres de haar toegekende hoeveelheid niet geheel benut. Bij brief van 29 juli 2021 stuurde [bedrijf] B.V. twaalf invoercertificaten, waaronder het onderhavige, retour aan verweerder. Het begeleidend schrijven luidde voor zover hier relevant: “Geachte heer/mevrouw, Bijgaand zenden wij u de onderstaande invoercertificaten retour. (…) Erop vertrouwend u, voldoende te hebben geïnformeerd verblijven wij, (…)”. 2. Bij beschikking van 2 september 2021 besloot verweerder tot verbeurdverklaring van een bedrag van € 45.659 van de gestelde zekerheid, omdat eiseres minder dan 95% van het invoercertificaat had benut. 3. Bij brief van 4 oktober 2021 maakte eiseres bezwaar tegen de verbeurdverklaring en stelde dat sprake was van een geval van overmacht in de zin van artikel 16, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2016/1239; het was buiten de invloedssfeer van eiseres dat de invoer niet had kunnen plaatsvinden. 4. Bij brief van 9 november 2021 diende eiseres een nadere motivering van het bezwaar in. De in het bezwaar gestelde overmacht bestond deels uit de wereldwijde coronapandemie en deels uit de blokkade van het Suezkanaal door het schip Evergiven. Eiseres stelde verder dat zij weliswaar niet binnen de termijn van 30 dagen na afloop van de geldigheid van het invoercertificaat een beroep op overmacht heeft gedaan, zoals artikel 50, tweede lid van Verordening (EU) nr. 908/2014 bepaalt, maar dat verweerder niet aan deze termijn gebonden is. Uit overweging 9 van Verordening (EU) 2020/1988 volgt dat een pandemie door de Commissie wordt aangemerkt als overmacht, aldus eiseres. 5. Tijdens het hoorgesprek op 10 december 2021 stelde eiseres dat zij eind mei of begin juni 2021 telefonisch contact heeft gehad met verweerder en dat dit zou kunnen betekenen dat zij tijdig een beroep op overmacht heeft gedaan. Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van [bedrijf] B.V. van 10 december 2021, waarin voor zover hier van belang het volgende is opgenomen: “Medio/ eind Mei 2021 hebben wij contact opgenomen (telefonisch) Met [naam 2] van het team in- en uitvoerregelingen. Aanleiding van ons telefoontje was het feit dat wij reeds een sterk vermoeden hadden dat wij niet alle containers op tijd binnen zouden krijgen voor het vullen van onze licenties. Wij hebben in dit gesprek melding gedaan aanspraak te willen maken op de farce Majeur regeling en hebben gevraagd of er wellicht iets bekend was bij de EU omtrent een regeling. [naam 2] reageerde helaas negatief dat er bij de Europese commissie nog niets in de notulen stond dan wel dat er iets hier omtrent op de agenda stond. Maar zij gaf aan dat dit eventueel nog wel zou kunnen komen. Verder zijn wij er niet opgewezen dat wij een aanspraak op farce majeur nog moeten bevestigen na afloop van het gatt jaar. Als eind grapje gaf ik in dit gesprek nog aan dat zij dat dan voor ons wel even op de agenda kon zetten. Tijdens dit gesprek was mijn collega [naam 3] aanwezig omdat zij het afhandelen van de licenties beheert.” 6. Bij brief van 2 februari 2022 verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond omdat het beroep op overmacht niet tijdig is gedaan. Verweerder overwoog onder meer dat de betreffende medewerker niet bekend was met dit telefoongesprek. Zij had bovendien in algemene zin aangegeven dat desgevraagd telefonisch alleen algemene informatie wordt gegeven over de regelgeving en nooit over individuele dossiers, in welke gevallen de verzoekers wordt geadviseerd hun verzoeken per e-mail in te dienen. Eiseres heeft niet eerder dan in het bezwaarschrift een beroep op overmacht gedaan, aldus de uitspraak op bezwaar. Geschil 7. In geschil is of verweerder de door eiseres gestelde zekerheid terecht heeft verbeurdverklaard. 8. Eiseres stelt dat sprake is van overmacht vanwege de coronapandemie en vanwege de gevolgen van de blokkade van het Suezkanaal door het schip Evergiven. Door beide situaties werd de gehele wereldhandel belemmerd. Verder stelt eiseres dat zij haar beroep op overmacht weliswaar niet tijdig schriftelijk heeft ingediend, maar dat zij wel eind mei / begin juni 2021 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van verweerder. Het ontbreken van een schriftelijk verzoek betekent niet dat het beroep op overmacht niet tijdig is gedaan en ook niet dat de overmacht niet (meer) aanwezig is. Er moet op een redelijke wijze worden omgegaan met de termijn van 30 dagen voor het indienen van een - al dan niet schriftelijk - verzoek om erkenning van een situatie van overmacht. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de verbeurdverklaring en verzoekt om vergoeding van de door haar geleden immateriële schade en van haar proceskosten. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alleen indien een verzoek om erkenning van een situatie van overmacht tijdig is gedaan, kan worden toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van het beroep op overmacht. Het door eiseres gestelde telefoongesprek is hem niet bekend en het schriftelijke verzoek om erkenning van een situatie van overmacht is te laat ingediend. Individuele dossiers worden nooit telefonisch afgedaan; in dergelijke gevallen wordt altijd gevraagd een verzoek per e-mail in te dienen. Niet valt uit te sluiten dat eiseres alleen om algemene informatie heeft gevraagd. Een algemeen verzoek zoals eiseres stelt te hebben gedaan, volstaat sowieso niet omdat bekend moet zijn om welke certificaten het precies gaat. Bij de retourzending van de certificaten is evenmin melding gedaan van het beweerdelijke beroep op overmacht. Verder meent verweerder dat de termijn van 30 dagen van artikel 50 van Verordening (EU) 908/2014 dwingend is voorgeschreven en hij geen ruimte heeft om van die termijn af te wijken. Verweerder wijst in dit verband op twee uitspraken van 30 mei 2022 van deze rechtbank over een soortgelijke kwestie, waar het beroep op overmacht ook buiten de termijn van 30 dagen was gedaan en de rechtbank de beroepen ongegrond heeft verklaard. De termijn van 30 dagen is dwingendrechtelijk voorgeschreven. Van een professionele marktpartij mag worden verwacht dat zij zich verdiept in de relevante wet- en regelgeving en daar zo nodig haar processen op inricht. Verweerder begrijpt niet waarom eiseres haar verzoek niet tijdig heeft gedaan. Eiseres heeft hierover geen toelichting gegeven. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 10. Juridisch kader Verordening (EG) nr. 616/2007 “Artikel 4 (…) 6. De certificaten verplichten tot invoer uit het aangegeven land (…)” Verordening (EU) nr. 1306/2013 “Artikel 66 Zekerheden 1. In de in de sectorale landbouwwetgeving voorgeschreven gevallen eisen de lidstaten dat een zekerheid wordt gesteld als verzekering dat een bepaald bedrag wordt betaald of verbeurd aan een bevoegde autoriteit, indien een bepaalde verplichting in het kader van de sectorale landbouwwetgeving niet wordt nagekomen. 2. Behalve in geval van overmacht wordt deze zekerheid geheel of gedeeltelijk verbeurd wanneer een bepaalde verplichting niet of slechts ten dele wordt nagekomen.” Verordening (EU) nr. 907/2014: “Artikel 23 Verbeuren van de zekerheid 1. De in artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde verplichting is de eis om een handeling te verrichten of zich daarvan te onthouden, die van fundamentele betekenis is voor de doelstellingen van de verordening waarbij deze eis wordt opgelegd. 2. (…) 3. Indien de nakoming van een verplichting aan een bepaalde termijn is gebonden en de verplichting pas na die termijn is nagekomen, wordt de zekerheid verbeurd. (…)” Verordening (EU) nr. 908/2014: “Artikel 50 Termijnen in geval van overmacht 1. Dit artikel is van toepassing wanneer in een specifieke verordening ernaar verwezen wordt. 2. Een verzoek om erkenning van een geval van overmacht is niet ontvankelijk indien de bevoegde autoriteit dit later ontvangt dan dertig kalenderdagen na:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.