← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:7553

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Strafrecht Zittingsplaats Haarlem parketnummer : 15/212431-22 raadkamernummer : 23-028107 uitspraakdatum : 17 mei 2024 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam (Professor Tulpstraat 16, 1018 HA Amsterdam), hierna te noemen: de verzoeker. Feiten De verzoeker werd verdacht van computervredebreuk (artikel 138ab Sr). Bij brief van 5 september 2023 heeft de officier van justitie aan de verzoeker laten weten dat hij niet langer zal worden vervolgd, omdat een niet-strafrechtelijk ingrijpen de voorkeur verdient. Procedure Het verzoekschrift is op 10 november 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 13 mei 2024 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de verzoeker, de advocaat, mr. C.J. Nierop en de officier van justitie op zitting gehoord. Verzoek Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 8.386,80 wegens de kosten voor rechtsbijstand voor de strafzaak. Door de verzoeker zijn facturen en urenspecificaties overgelegd tot een bedrag van € 7.706,

  1. Daarnaast wordt een bedrag van € 680,- verzocht voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het verzoekschrift. De raadsman van de verzoeker heeft het verzoekschrift toegelicht aan de hand van bijgevoegde pleitnotitie. Standpunt van het Openbaar MinisterieDe officier van justitie heeft zich ter zitting in eerste instantie op het standpunt gesteld dat het verzoek, strekkende tot toewijzing van de kosten rechtsbijstand, moet worden afgewezen omdat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft gehad dat hij advocaatkosten heeft gemaakt. Er zou sprake zijn van een bewijsbare zaak, zodat het niet redelijk is om een vergoeding voor deze kosten toe te kennen. In tweede termijn, in reactie op het betoog van de raadsman, heeft de officier van justitie haar standpunt gewijzigd en gevraagd om het verzoekschrift gegrond te verklaren. BeoordelingDe rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend. Artikel 530 lid 2 Sv voorziet in vergoeding van de kosten van (niet toegevoegde) rechtsbijstand indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf, zoals ingeval van een vrijspraak of wanneer een strafzaak is geseponeerd. Toekenning van een vergoeding heeft volgens artikel 534 Sv steeds plaats indien daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat betekent enerzijds dat in geval van gemaakte kosten als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat een gevraagde vergoeding op gronden van billijkheid achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Gronden van billijkheid kunnen ontbreken indien de verzoeker het over zichzelf heeft afgeroepen dat hij onderwerp is geworden van een opsporingsonderzoek; in dat geval zullen de kosten voor rechtsbijstand voor zijn risico moeten blijven. Bij het beoordelen van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn is het niet de taak van de rechtbank om te beoordelen of, zou de verzoeker vervolgd zijn, de strafrechter tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen. De onschuldpresumptie verbiedt dit. De rechtbank mag wel, als sprake is geweest van een beleidssepot, nagaan of de verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft gehad dat hij als verdachte is aangemerkt en aldus advocaatkosten heeft moeten maken. Maar het oordeel van de rechter mag ook dan niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld inhouden. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verzoeker in de periode van medio januari 2019 tot en met eind oktober 2020 in totaal 131 (digitale) bestellingen van Albert Heijn heeft ontvangen ter waarde van in totaal ruim € 54.000,- terwijl hij daarvoor een (veel) lager bedrag heeft betaald. De verzoeker heeft verklaard dat hij vanwege zijn werk voor Ahold-Delhaize (hij was aangesteld om een fraude-detectietool te ontwikkelen voor het online-bestelsysteem van Albert Heijn) testbestellingen moest plaatsen en dat deze testbestellingen en zijn privéboodschappen door elkaar zijn gelopen. De testbestellingen hadden eigenlijk verwijderd moeten worden maar er “glipte”, aldus de verzoeker, wel eens een bestelling doorheen. Wat hier verder ook van zij, de rechtbank constateert met de raadsman dat er geen volwaardig strafdossier tot stand is gekomen. De verzoeker is immers niet in de gelegenheid geweest om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen, terwijl de verdediging in de strafzaak kenbaar heeft gemaakt diverse getuigen te willen horen. Het is de rechter in een dergelijk geval niet toegestaan een eigen, zelfstandig onderzoek naar de mate van schuld in te stellen. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat verzoeker het werk van de betrokken opsporingsinstanties heeft gefrustreerd. Verzoeker heeft zijn (ontkennende) proceshouding van meet af aan duidelijk gemaakt. In aanmerking genomen dat deze procedure niet bedoeld is om de strafzaak en daarmee de eventuele schuld van de verzoeker alsnog te beoordelen, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. Daarbij weegt mee dat de officier van justitie in raadkamer niet heeft gesteld en onderbouwd dat en waarom de verzoeker het over zichzelf heeft afgeroepen dat hij onderwerp is geworden van het onderhavige opsporingsonderzoek. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties. De gevraagde vergoeding zal dan ook worden toegekend. Voor de rechtsbijstand in deze verzoekschriftprocedure wordt het gebruikelijke bedrag van € 680,- toegekend. BeslissingDe rechtbank kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 8.386,80, bestaande uit: € 7.706,80 wegens de kosten van een raadsman in de strafzaak; en€ 680,- wegens kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het verzoek. Deze beslissing is gegeven doormr. P. Reemst, rechter,in tegenwoordigheid van mr. I.R. Nederstigt-Uijtdewilligen, griffier,en in het openbaar uitgesproken op 17 mei
  2. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof. BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 8.386,80 (zegge: acht duizend driehonderd zesentachtig euro en tachtig eurocent), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [bankrekeningnummer], ten name van [naam], onder vermelding van 20220055.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.