RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 10919982 \ CV EXPL 24-957 Uitspraakdatum: 24 juli 2024 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] B.V. te [plaats 1], Zwitserland de eisende partij gemachtigde: R. Slagman tegen [gedaagde] te [plaats 2] de gedaagde partij niet verschenen 1De procedure 1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. 2De beoordeling 2.1. De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 159,90, te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. 2.2. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). De precontractuele informatieplichten 2.3. De eisende partij heeft in de dagvaarding gesteld dat zij heeft voldaan aan de hiervoor genoemde precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW. Ter onderbouwing heeft zij schermafdrukken (onder meer van het bestelproces) van haar website en de toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd. 2.4. Uit deze toelichting en stukken blijkt niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(
- en)als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder g BW heeft voldaan. Zo blijkt nergens uit dat de consument vóór het aangaan van de overeenkomst wordt geïnformeerd over de wijze van levering en de termijn waarbinnen de handelaar zich verbindt de zaak te leveren. De contractuele informatieplicht 2.5. Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230v lid 7 BW) heeft de eisende partij voldoende gesteld en onderbouwd dat deze is nagekomen. Gelet op de toelichting van de eisende partij is de kantonrechter van oordeel dat het persoonlijke account in dit geval kan worden aangemerkt als een ‘duurzame gegevensdrager’ in de zin van de artikelen 6:230v lid 7 en 6:230g lid 1 onder h BW. Daarbij speelt mee dat er voor een bestelling op de website van de eisende partij altijd een account moet worden aangemaakt en dat de klant direct na de bestelling een orderbevestiging ontvangt met daarin een link naar het persoonlijke account waarin deze de bestelling en de daarop betrekking hebbende informatie kan bekijken. De eisende partij heeft met de overgelegde schermafdrukken van het voorbeeldaccount voldoende gesteld en onderbouwd dat daarin alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie staat. Welke sanctie hoort hierbij? 2.6. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. 2.7. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is. 2.8. Alhoewel de eisende partij heeft verzocht om zich bij nadere akte nog uit te mogen laten als de kantonrechter oordeelt dat de hoofdsom wordt verminderd, wordt zij daartoe (mede gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton) niet meer in de gelegenheid gesteld. Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden 2.9. Het beding dat voor de beoordeling van de vordering relevant is, te weten artikel 15.4 van de Algemene Voorwaarden van de Nederlandse Thuiswinkel Organisatie (1 juni 2014), is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. Daarbij speelt mee dat partijen een betalingstermijn zijn overeengekomen en dat het verzuim intreedt als er binnen deze termijn niet is betaald. Wat is toewijsbaar? 2.10. De gevorderde hoofdsom wordt gedeeltelijk toegewezen, te weten voor een bedrag van € 119,93 (€ 159,90 x 0.75). 2.11. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar. 2.12. De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding. 2.13. De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. 3De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 159,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 119,93 vanaf 10 januari 2024 tot aan de dag van de gehele betaling; 3.2. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 113,54 griffierecht € 130,00 salaris gemachtigde € 40,00; 3.3. verklaart de veroordeling(
- en)in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44. Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, te vinden op rechtspraak.nl.