← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:773

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 10522322 \ CV EXPL 23-2393 (rvk) Uitspraakdatum: 31 januari 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eisers] wonende te [woonplaats] eiseres verder te noemen: [eisers] gemachtigde: P. de Ruijter tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: [gemachtigde] 1Het procesverloop 1.

  1. [eisers] heeft bij dagvaarding van 17 mei 2023 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.
  2. Op 29 december 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 2De feiten 2.
  3. [eisers] heeft van [gedaagde] een woonruimte gehuurd. De huurovereenkomst is geëindigd op 31 januari 2023 en [eisers] heeft op die dag de woning verlaten en ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . 2.
  4. [eisers] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 919,- overgemaakt aan [gedaagde] . 2.
  5. [eisers] heeft na het einde van de huurovereenkomst, per Whatsapp-bericht van 4 februari 2023, aan [gedaagde] verzocht de waarborgsom terug te storten. [gedaagde] heeft de waarborgsom niet teruggestort. 3De vordering 3.
  6. [eisers] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.091,
  7. 3.
  8. [eisers] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij de woning aan het einde van de huurovereenkomst in dezelfde staat heeft opgeleverd zoals deze was bij aanvang van de huurovereenkomst en dat [gedaagde] daarom gehouden is de waarborgsom van € 919,- terug te storten. Omdat [gedaagde] , ook na verzoeken daartoe, weigert de waarborgsom terug te storten, heeft [eisers] haar incassogemachtigde ingeschakeld die buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. [gedaagde] is daarom gehouden ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 172,43 te vergoeden. 4Het verweer 4.
  9. [gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de woning niet in goede staat is opgeleverd en er is voorafgaand aan de oplevering tussen [gedaagde] en [eisers] afgesproken dat [eisers] de muren zou witten. De muren zijn echter onvoldoende deugdelijk gewit en er zitten nog gaten in de muren. [gedaagde] begroot de schade door het niet in goede staat opleveren van de woning op € 1.700,- en [gedaagde] is bevoegd dat bedrag te verrekenen met de waarborgsom. Er valt dus niets meer te vorderen door [eisers] . 5De beoordeling 5.
  10. Beoordeeld moet worden of [gedaagde] de waarborgsom moet terugbetalen aan [eisers] . [eisers] heeft recht op terugbetaling van de waarborgsom indien zij bij het einde van de huurovereenkomst de woning in dezelfde staat oplevert aan [gedaagde] als bij het ingaan van de huur. In de wet (artikel 7:224 Burgerlijk Wetboek (BW)) is geregeld dat indien bij aanvang van de huur geen beschrijving is opgemaakt, de huurder wordt verondersteld het gehuurde in dezelfde staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. In deze zaak staat vast dat bij aanvang van de huur geen beschrijving is opgemaakt en dat betekent dat verondersteld wordt dat [eisers] de woning in dezelfde staat heeft opgeleverd als bij aanvang van de huur. De wet komt de verhuurder wel tegemoet in die zin dat de verhuurder die veronderstelling onderuit kan halen door tegenbewijs te leveren; waarmee wordt bedoeld dat de verhuurder het tegendeel moet bewijzen. 5.
  11. [gedaagde] moet dan ook, wil hij slagen in dat tegenbewijs, voldoende feiten en omstandigheden naar voren brengen waaruit afgeleid kan worden dat de staat van de woning bij het einde van de huur anders was dan bij aanvang daarvan. [gedaagde] heeft echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om dat te kunnen aannemen. Voor zover zij stelt dat het stucwerk beschadigd is en er gaten in de muren zitten, heeft [eisers] gemotiveerd aangegeven dat deze er al waren voor aanvang van de huur. . Dat heeft [gedaagde] niet betwist. Verder stelt [gedaagde] dat er een afspraak is gemaakt met [eisers] dat [eisers] de muren zou witten. [eisers] zegt op haar beurt dat zij dat heeft gedaan, maar dat zij een klein stuk, circa 2½ m², heeft vergeten te schilderen. Voor zover op basis daarvan [gedaagde] gerechtigd zou zijn een deel van de waarborgsom in te houden, heeft [gedaagde] onvoldoende duidelijk gemaakt welk bedrag aan herstelkosten daarmee gemoeid is omdat zij de noodzaak van het (over)schilderen niet aannemelijk heeft gemaakt en ook omdat onduidelijk is of de muur na het vertrek van [eisers] daadwerkelijk geschilderd is. De conclusie is dat vast komt te staan dat [eisers] de woning in dezelfde staat heeft opgeleverd als deze was bij aanvang van de huurovereenkomst. [gedaagde] is dus niet bevoegd de waarborgsom te verrekenen en de vordering tot terugbetaling van de waarborgsom zal daarom worden toegewezen. De rente zal eveneens worden toegewezen. [eisers] heeft op 28 februari 2023 een brief gestuurd waarin zij een termijn stelt van twee weken om tot terugbetaling over te gaan en die termijn is redelijk. [gedaagde] heeft niet binnen die termijn betaald en is daarmee in verzuim geraakt. Daarom is zij rente verschuldigd. 5.
  12. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. In de brief van [eisers] van 28 februari 2023 is het tarief van de buitengerechtelijke kosten niet vermeld en in de brieven van het incassobureau van 6 en 10 maart 2023 is geen betalingstermijn van 14 dagen ingaande de dag na ontvangst van de brieven, gegeven, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. 5.
  13. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 66,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eisers] worden gemaakt. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
  14. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van € 919,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 maart 2023 tot aan de dag van de gehele betaling; 6.
  15. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eisers] tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 130,49 griffierecht € 214,00 salaris gemachtigde € 264,00 6.
  16. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 66,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eisers] worden gemaakt; 6.
  17. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  18. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.