RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/2866 en HAA 24/2964 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2024 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoeker 1] (verzoek HAA 24/2866), gemachtigde: mr. M.J. Smaling, werkzaam bij VvAA rechtsbijstand, alsmede [verzoeker 2] (verzoek HAA 24/2964), beiden uit [plaats] , gezamenlijk ook te noemen: verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, verweerder, gemachtigde: mr. C.H. Norde, advocaat te Den Haag. Als derde-belanghebbende neemt deel aan de procedure: [vergunninghouder] , vergunninghouder, gemachtigde: mr. R.M. Rensing, advocaat te Haarlem. Inleiding en procesverloop In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers hangende hun beroepen gericht tegen de aan de vergunninghouder verleende (en in bezwaar gehandhaafde) omgevingsvergunning voor de bouw van en de (binnenplanse) afwijking van het bestemmingsplan voor een nieuwe villa in plaats van een bestaande woning alsmede het kappen van zes bomen aan de [adres 1] te [plaats] (het bouwperceel). Bij besluit van 7 juli 2023 heeft verweerder aan de vergunninghouder de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar (het bestreden besluit) van 22 mei 2024 heeft verweerder de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanpassing van het aan de vergunning verbonden voorschrift over de herplantplicht. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften gemeente Bloemendaal. Verzoekers hebben beroep ingesteld. Voorts hebben zij ieder afzonderlijk een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij e-mail van 13 juni 2023 van architect [naam 1] is namens de vergunninghouder aangegeven dat zal worden gewacht met de werkzaamheden tot het moment dat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken ingediend en op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. De gemachtigde van de vergunninghouder heeft bij brief van 23 juli 2024 inhoudelijk op de verzoeken gereageerd. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 25 juli 2024 gelijktijdig op zitting behandeld. Verzoekers zijn ter zitting verschenen. [verzoeker twee] werd bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door ing. M. [naam 7] , boomverzorger. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. Zij werd vergezeld door de gemeenteambtenaren mr. [naam 3] , teammanager omgevingsvergunningen toezicht en handhaving, en N. [naam 5] , boomdeskundige bij het team [verzoeker twee] van de gemeente. Voorts is de vergunninghouder verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn architect [naam 1] . Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Motivering 1.1. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De voorzieningenrechter heeft niet tevens op de voet van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de beroepen van verzoekers beslist, omdat er naast de beroepen van verzoekers nog twee andere beroepen tegen het bestreden besluit aanhangig zijn. 2. Voor enige wettelijke bepalingen, die verkort worden aangehaald, verwijst de rechtbank naar de bijlage welke integraal onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Toepasselijk recht 3. De aanvraag voor de vergunning voor het bouwplan, waarmee deze procedure is ingeleid, heeft de vergunninghouder bij verweerder ingediend op 16 november 2022. Gelet hierop is op dit geschil het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Dat betekent dat op het geschil de voorheen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), daarop gebaseerde wetgeving en het tot 1 januari 2024 geldende Bestemmingsplan Bennebroek 2016, geconsolideerd, (het bestemmingsplan) en de Algemene plaatselijke verordening Bloemendaal 2023 (APV 2023) van toepassing zijn. De verleende omgevingsvergunning 4. Het vergunde bouwplan en de kapvergunning zien op de bouw van een nieuwe villa en het kappen van zes bomen op het perceel [adres 1] , [plaats] . De nieuwe villa is deels voorzien op gronden met de bestemming Wonen – 2 en Villagebied en deels met de bestemming Tuin. In het bouwplan is een ondergrondse garage (en berging) voorzien. Een bestaand - kleiner - huis zal worden gesloopt. Er zullen nog enkele houtopstanden worden geveld, maar daarvoor geldt, vanwege de omvang, geen vergunningplicht. De omgevings-vergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (bedoeld wordt: handelen in strijd met de voorschriften van het bestemmingsplan) en het vellen van houtopstand. Het bouwplan is in strijd is met het bestemmingsplan Bennebroek 2016, geconsolideerd (hierna: het bestemmingsplan) omdat het niet is toegestaan om (bij)gebouwen - al dan niet (voorzien van) een ondergronds bouwwerk - te realiseren in de bestemming Tuin (artikel 13.2.1 van de planvoorschriften), omdat het hoofdgebouw met circa 36,83 m² buiten het bouwvlak wordt gebouwd (artikel 17.2.1, eerste lid aanhef en onder a, van de planvoorschriften en het bouwvlak op de verbeelding), omdat de maximaal toegestane goothoogte van 3,5 meter wordt overschreden met circa 2,38 meter (artikel 17.2.1, eerste lid aanhef en onder d, van de planvoorschriften en de aanduiding op de verbeelding, waarop als maximum goothoogte 3,5 m is vermeld). Voor deze afwijkingen heeft verweerder onder verwijzing naar een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 1º Wabo) op grond van de artikelen 13.4.2 en 17.4.1 van de planvoorschriften vergunning verleend. Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat er als gevolg van het bouwplan geen onevenredige schade zal ontstaan aan de landschapswaarden in de zin van artikel 17.4.1 aanhef en onder g, van de planvoorschriften. Verweerder verwijst naar de adviezen die hij heeft gekregen van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit/Mooi Noord-Holland (hierna: ARK) van laatstelijk 25 mei 2023, die zowel over de welstandsaspecten als de ruimtelijke inpassing van de grotere villa positief heeft geadviseerd. Weliswaar moet een aantal bomen - waaronder drie oude eiken - ten behoeve van het bouwplan worden gekapt, maar mede gelet op de aan vergunninghouder opgelegde herplantplicht voor vier bomen met een stamomtrek van 25 tot 30 cm acht verweerder de aantasting van de landschapswaarden aanvaardbaar. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat er op en nabij het perceel 16 bomen behouden blijven. Om die reden heeft verweerder bij hetzelfde besluit een kapvergunning verleend omdat - zo begrijpt de voorzieningenrechter - het belang van de vergunninghouder bij realisatie van het bouwplan zwaarder weegt dan de (tijdelijke) aantasting van de landschappelijke waarden zoals genoemd in artikel 4.13, aanhef en onder b, APV 2023. Bij het vorenstaande heeft verweerder verwezen naar: 1) het rapport Bomen Effect Analyse Nieuwbouw Villa van [naam 6] [bedrijf] van 14 april 2023 dat als bijlage aan de omgevingsvergunning is gehecht en waarin de door verweerder opgelegde herplantplicht en de plaats daarvoor wordt geadviseerd ter compensatie van de drie te kappen zomereiken alsmede naar: 2) het positieve advies van boomdeskundige [naam 5] van 15 mei 2023. 5. Verzoekers zijn direct omwonenden: [verzoeker ] woont aan de [adres 2] en [verzoeker twee] aan de [adres 3] . In de kern zijn de verzoeken er op gericht te voorkomen dat de drie eiken worden gekapt. Als de eiken worden gekapt dan worden de landschapswaarden van het perceel in de ogen van verzoekers onevenredig en onherstelbaar aangetast. Zij verzoeken om schorsing van het bestreden besluit om de realisatie van de grotere villa, maar met name de kap van de bomen – in het bijzonder de oude eiken – te voorkomen. De beoordeling van het verzoek 6.1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. De voorzieningenrechter kan bij de vraag of hij de gevraagde voorlopige voorziening zal treffen, betrekken of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Daarnaast kan de voorzieningenrechter bezien of aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen op grond van een weging van de betrokken belangen. 6.2 Verzoekers stellen in wezen een viertal geschilpunten aan de orde. [verzoeker twee] voert aan dat de afwijking van het bestemmingsplan niet met de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid mocht worden vergund. Beide verzoekers vinden de kap van de bomen een onaanvaardbare inbreuk op de landschapswaarden en de welstand, waardoor afwijking van het bestemmingplan ook om die reden en ook de kap niet mochten worden vergund. [verzoeker ] beroept zich voorts op een belofte van de (verantwoordelijk) wethouder dat de bomen niet mogen worden gekapt. Was een binnenplanse vrijstelling voor het bouwplan (in beginsel) mogelijk? 7.1 [verzoeker twee] betoogt dat artikel 13.4.2 van het bestemmingsplan het niet mogelijk maakt om een ondergrondse garage/kelder binnen de bestemming “Tuin” binnenplans te vergunnen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat artikel 17.4.1 van de planvoorschriften, waar in artikel 13.4.2 van de planvoorschriften naar wordt verwezen, uitsluitend betrekking heeft op het wijzigen van de bouwmassa naar twee bouwlagen al dan niet met kap en dat een kelder conform de definitiebepalingen uit het bestemmingplan niet is aan te merken als een bouwlaag. [verzoeker twee] is van mening dat hooguit met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, en onder 3º, Wabo (een zogenoemde buitenplanse vrijstelling) voor de bouw van de ondergrondse garage van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, zodat niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten worden toegepast is. Reeds hierom kan het bestreden besluit geen stand kan houden, aldus [verzoeker twee] . 7.2 Dienaangaande merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat de planwetgever (de gemeenteraad) de afwijkingsvoorschriften in de artikelen 13.4.2 en 17.4.1 van de planvoorschriften kennelijk heeft opgenomen om voor een (villa)gebied als het gebied waar het bouwperceel is gelegen, de mogelijkheid te creëren om bestaande woningen groter te maken dan op grond van de bouwregels van het bestemmingsplan, die kennelijk alleen consoliderend van aard zijn, is toegestaan, zij het dat daarvoor wel een binnenplans toetsingskader is opgenomen. Daarbij gaat het onder meer om het vergroten van de bouw- en goothoogte maar ook om bouwen buiten het bouwvlak en ook op gronden met de bestemming Tuin. Daarbij biedt de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid een zogeheten discretionaire bevoegdheid aan verweerder. Dat betekent dat verweerder bij de al dan niet verlening enige beoordelings- en beleidsvrijheid heeft met name waar het gaat om de toetsing van (on)evenredigheid van de schade aan onder meer landschapswaarden. De rechtbank, en dus ook de voorzieningenrechter, heeft deze vrijheid van verweerder te respecteren en kan slechts ingrijpen indien de uitkomst bij de gebruikmaking van deze bevoegdheid kennelijk (evident) onbegrijpelijk of onredelijk is. Voor zover sprake is van “harde” eisen, kan de rechtbank uiteraard wel toetsen of daaraan is voldaan. De vraag of de harde regels voor de binnenplanse afwijking het mogelijk maken het realiseren van een ondergrondse garage te vergunnen, kan de voorzieningenrechter dus wel beoordelen. 7.3 In de afwijkingsbepalingen (derhalve de artikelen 13.4.2 en 17.4.1 van de planvoorschriften) staat - zoals [verzoeker twee] ook aanvoert - niets expliciet vermeld over de bouw van een kelder of garage of een ondergronds bouwwerk. In artikel 13.4.2 staat in wezen niet meer dan dat in afwijking van het verbod in artikel 13.2.1 om gebouwen op gronden met de bestemming Tuin te bouwen een woning op die gronden kan worden toegestaan als artikel 17.4.1 wordt toegepast. Het deel van het bouwplan dat ziet op het – gedeeltelijk – situeren van de ondergrondse garage op gronden met de bestemming Tuin moet, zo is ook niet in geschil, aangemerkt worden als een ondergronds bouwwerk in de zin van artikel 1.77 van de planvoorschriften. Verder is niet in geschil dat het ondergrondse bouwwerk buiten het bouwvlak zal worden gebouwd. 7.4 Het standpunt van [verzoeker twee] dat artikel 17.4.1 niet de ruimte zou bieden om in gronden met de bestemming Tuin een kelder aan te brengen omdat in artikel 17.4.1 alleen gesproken wordt van het verhogen van de bouwmassa naar (twee) bouwlagen en kelders in artikel 1.27 van de planvoorschriften zijn uitgesloten van het begrip bouwlaag, betekent nog niet dat met 17.4.1 geen kelder – zoals in dit geval een ondergrondse parkeergarage – in die bestemming kan worden vergund. In artikel 17.4.1 is dat namelijk niet met zoveel worden uitgesloten. 7.5 In artikel 25.2 zijn de algemene regels voor ondergronds bouwen opgenomen. Voor het bouwperceel is niet aangegeven dat ondergronds bouwen daar niet is toegestaan als bedoeld in artikel 25.2 en onder c, van de planregels. In artikel 25.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat ondergrondse bouwwerken die buiten het bouwvlak worden gerealiseerd, aangemerkt worden als bijbehorend bouwwerk en dat de regels voor bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de bestemming waar het ondergrondse bouwwerk wordt gerealiseerd, van toepassing zijn op het ondergrondse bouwwerk. Nu het ondergrondse bouwwerk (mede) buiten het bouwvlak wordt gebouwd, is er sprake van een bijbehorend bouwwerk. Op grond van artikel 13.2.1 van de planvoorschriften is het niet toegestaan om (bij)gebouwen te realiseren op gronden met de bestemming ‘Tuin’. Maar voor deze strijdigheid heeft verweerder met toepassing van artikel 13.4.2 van de planvoorschriften juist de omgevingsvergunning verleend. Op grond van laatstgenoemd artikel kan voor het bouwen van de woning met toepassing van artikel 17.4.1 van de planvoorschriften een omgevingsvergunning worden verleend voor zover deze woning deels of geheel binnen de bestemming ‘Tuin’ is gesitueerd. Anders dan [verzoeker twee] heeft betoogd wordt in artikel 17.4.1 van de planregels niet alleen de mogelijkheid geboden om de bouwmassa te verhogen naar twee bouwlagen, maar ook om af te wijken van het bouwvlak (voor het verplaatsen van bouwmassa). En dat is wat verweerder heeft gedaan. [verzoeker twee] betwist ook niet dat onder de nieuwe villa op de gronden met de bestemming Wonen - 2, met gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 17.4.1 van de planvoorschriften een ondergrondse garage kan worden vergund. Door de realisatie van het ondergrondse bouwwerk wordt gebouwd buiten (en dus afgeweken van) het bouwvlak. Gelet hierop kan ook voor de bouw van het ondergrondse bouwwerk op de gronden met de bestemming Tuin een binnenplanse vrijstelling worden verleend. 7.6 Het standpunt van [verzoeker twee] dat de ondergrondse garage niet binnenplans op gronden met de bestemming Tuin kan worden vergund, volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Veroorzaakt gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onevenredige schade aan bomen, natuur- en landschapswaarden? 8.1 Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van de verleende omgevingsvergunning geen onevenredige schade wordt toegebracht in de zin van artikel 17.4.1 aanhef en onder g, van de planvoorschriften. Slechts indien geen sprake is van onevenredige schade kan de binnenplanse vrijstelling worden verleend. De (vergunde) kap ziet op zes bomen waaronder drie eiken met een stamdiameter van 55 tot 65 centimeter. Niet in geschil is dat de verwijdering van bomen om plaats te maken voor een grotere villa meebrengt dat enige schade ontstaat aan de bestaande landschapswaarden ter plaatse. Maar de voorzieningenrechter is op basis van de adviezen van de ARK, het verhandelde ter zitting en ook de inbreng van de door [verzoeker twee] ingeschakelde bomenexpert ing. M. [naam 7] er niet van overtuigd geraakt dat verweerder deze schade als onevenredig had moeten oordelen. Daartoe is van belang dat voor wat betreft de landschapswaarden niet enkel het perceel waar het bouwplan is gepland, in ogenschouw moet worden genomen, maar deze landschapswaarden in de bredere context van de directe omgeving moeten worden bezien. Hierdoor is de impact niet zo groot als door verzoekers wordt betoogd. Voorts is van belang dat er voor de kap van de drie eiken vier bomen met een stamomtrek van 25 tot 30 cm op 1,30 m hoogte op het perceel moeten worden herplant. Er vindt dus compensatie plaats waardoor de landschapswaarden (op termijn) worden hersteld. Verder blijkt uit het rapport van [naam 6] dat er weliswaar meerdere bomen (totaal elf waarvan voor zes een kapvergunning nodig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.