RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/346542 / HA ZA 23-657 Vonnis van 12 juni 2024 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2], beide wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] c.s., advocaat: mr. E. Vels, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , beide wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s., advocaat: mr. F.C.M. Tamis. De zaak in het kort Partijen zijn buren van elkaar. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagden] c.s. door verjaring de eigendom van een strook grond heeft verkregen. Het beroep van [gedaagden] c.s. op verjaring slaagt. De feitelijke grens tussen het perceel van [eisers] c.s. en het perceel van [gedaagden] c.s., zoals deze tegenwoordig wordt gemarkeerd door middel van een gazen hek, is de juridische eigendomsgrens tussen de hiervoor genoemde percelen geworden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 16 november 2023 met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 17 januari 2024 met producties 1 tot en met 8, - de conclusie van antwoord in reconventie van 28 februari 2024, - het tussenvonnis van 13 maart 2024, - het proces-verbaal van descente van 1 mei 2024, - de op 1 mei 2024 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Tamis voornoemd heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen en deze overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers] c.s. is sinds 14 oktober 2009 eigenaar van de woning en verdere aanhorigheden aan de [adres] te [woonplaats] . Daarnaast is [eisers] c.s. sinds 8 maart 2006 ook eigenaar van enkele andere percelen, waaronder het perceel cultuurgrond bij de [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [naam] , sectie [… 1] nummer [nummer 2] (hierna: het perceel van [eisers] c.s.). 2.2. [gedaagden] c.s. is sinds 1 december 2003 eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [naam] sectie [… 1] nummer [nummer 1] (hierna: het perceel van [gedaagden] c.s.). Op het perceel van [gedaagden] c.s. stond in het verleden een zogenaamde Amerikaanse windmotor. Die staat er niet meer. Wel ligt deels op het perceel van [gedaagden] c.s. en deels op het perceel van [eisers] c.s. nog de betonnen fundering van die Amerikaanse windmotor. Die fundering is een provinciaal monument. 2.3. Het perceel van [eisers] c.s. en het perceel van [gedaagden] c.s. grenzen deels aan elkaar. Voor het overige worden de percelen gescheiden door een sloot. Die sloot ligt grotendeels op een perceel grond dat eigendom is van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 2.4. De ligging van de percelen volgt uit de volgende kadastrale tekening: 2.5. Op 12 oktober 2001 heeft een ruilverkaveling ten behoeve van onder andere beide percelen plaatsgevonden. 2.6. Tussen [eisers] c.s. en [gedaagden] c.s. is een geschil ontstaan over de strook grond, gelegen tussen de betonfundering van de Amerikaanse windmotor en het gazen hek (hierna: de strook grond). 2.7. Bij e-mail van 15 mei 2023 heeft [eisers] c.s. aan [gedaagden] c.s. verzocht om de bomen en overige spullen op de strook grond te verwijderen. Verder heeft [eisers] c.s. geschreven dat [gedaagden] interesse had om de strook grond te kopen maar dat [eisers] c.s. hiervan af ziet. 3Het geschil in conventie 3.1. [eisers] c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagden] c.s. veroordeelt om al hetgeen zich op het perceel van [eisers] c.s. bevindt, te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het betreft dan in elk geval de bomen, inclusief stobben en wortels, glasplaten, een vlaggenmast, stenen en metalen strips; II. [gedaagden] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure vermeerderd met de wettelijke rente, III. [gedaagden] c.s. veroordeelt in de nakosten van deze procedure. 3.2. [eisers] c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] c.s. door gebruik te maken van een deel van het perceel van [eisers] c.s. inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht. [eisers] c.s. heeft geen toestemming aan [gedaagden] c.s. gegeven om bomen op zijn perceel te plaatsen. Ook heeft [eisers] c.s. geen toestemming aan [gedaagden] c.s. gegeven om glasplaten, een vlaggenmast, stenen en metalen strips op het perceel van [eisers] c.s. te leggen. 3.3. [gedaagden] c.s. voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagden] c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de strook grond toebehoort aan [gedaagden] c.s. vanwege eigendomsverkrijging door verjaring, II. voor recht verklaart dat [gedaagden] c.s. eigenaar is van de betonfundering van de voormalige Amerikaanse windmotor, III. [eisers] c.s. veroordeelt tot medewerking bij het bij het Kadaster laten registreren van de feitelijke erfgrens als juridische erfgrens zulks door de in te dienen akte te ondertekenen op straffe van verbeurte een dwangsom, IV. [eisers] c.s. veroordeelt in de kosten van het geding en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.6. [gedaagden] c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat er sprake is van verjaring, waardoor hij eigenaar van de strook grond en de betonfundering van de voormalige Amerikaanse windmotor is geworden. 3.7. [eisers] c.s. voert verweer. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Betonfundering Amerikaanse windmotor 4.2. Tijdens de descente heeft [eisers] c.s. meegedeeld dat de betonfundering van de voormalige Amerikaanse windmotor, hoewel die deels op zijn kadastrale perceel ligt, voor hem niet van belang is. Het gaat [eisers] c.s. om het grasgedeelte omdat hij iedere meter nodig heeft om mest uit te kunnen rijden. De rechtbank maakt hieruit op dat [eisers] c.s. geen verweer voert tegen de vordering onder II. van [gedaagden] c.s. en wijst deze vordering dan ook toe. Verjaring 4.3. Niet in geschil is dat de betwiste strook grond volgens de kadastrale gegevens tot het perceel van [eisers] c.s. behoort. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagden] c.s. door verjaring de eigendom van de strook grond heeft verkregen. Dat heeft [gedaagden] c.s. zowel als verweer in conventie aangevoerd, als ten grondslag gelegd aan zijn eis in reconventie. Uitgangspunt daarbij en niet in geschil is dat een eventuele verjaringstermijn ten gunste van [gedaagden] c.s. door de ruilverkaveling pas kan zijn gaan lopen vanaf 12 oktober 2001 (het moment dat de ruilverkaveling in de registers is ingeschreven). 4.4. Voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 en 3:102 van het Burgerlijk Wetboek (BW), moet vaststaan dat sprake is geweest van onafgebroken bezit te goeder trouw van de strook grond gedurende tien jaren door [gedaagden] c.s. en/of hun rechtsvoorgangers. Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring in de zin van artikel 3:105 en 3:306 BW, moet vaststaan dat [eisers] c.s. en haar rechtsvoorganger gedurende 20 jaar het bezit op de strook grond kwijt zijn geweest aan een niet-rechthebbende. Ook moet vaststaan dat (een van de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] c.s. de strook grond in bezit had(den) op het moment van het verstrijken van die 20 jaren-termijn. Uit deze regels volgt dat het beroep van [gedaagden] c.s. op verjaring enkel kan slagen wanneer sprake is (geweest) van bezit van de strook grond door [gedaagden] c.s. en/of hun rechtsvoorgangers. Daarom beoordeelt de rechtbank eerst de vraag of [gedaagden] c.s. de betreffende strook grond in bezit heeft genomen. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of dat bezit lang genoeg heeft geduurd voor een geslaagd beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. 4.5. Bij de vraag of een goed in bezit is genomen, moeten de volgende regels in gedachten worden gehouden: - met de term bezit wordt bedoeld “het houden van een goed voor zichzelf”; - of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt naar verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten beoordeeld; - bezit wordt onder meer verkregen door inbezitneming. Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen; - maar, wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende; - volgens vaste rechtspraak op dit punt moet door de machtsuitoefening (in dit geval door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] c.s.) het bezit van de oorspronkelijke rechthebbende (in dit geval [eisers] c.s. en haar rechtsvoorgangers) te niet zijn gegaan; - de machtsuitoefening door de bezitter moet bovendien ondubbelzinnig en voor een ieder kenbaar zijn: anderen, waaronder de oorspronkelijke rechthebbende, moeten daaruit begrijpen dat hij pretendeert bezitter te zijn. 4.6. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van inbezitname door [gedaagden] c.s. In dit kader heeft [gedaagden] c.s. onbetwist aangevoerd dat het gazen hek al vóór het jaar 2000 is geplaatst door de rechtsvoorganger van [eisers] c.s. Ter zitting heeft [eisers] c.s. hiertegen – desgevraagd – meegedeeld dat de grond (perceelnummer [… 1] [… 2] ) al jarenlang in eigendom is van zijn familie maar dat hem niet bekend is wie van de familie het gazenhek heeft geplaatst. Verder heeft [eisers] c.s. niet betwist dat de rechtsvoorganger van [gedaagden] c.s. al vanaf het plaatsen van een hek de strook grond heeft gebruikt door daarop puin, zoals palen en asbestplaten te storten. Daar komt nog bij dat [gedaagden] c.s. onbetwist heeft betoogd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.