RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/347102 / HA ZA 23-687 Vonnis van 14 augustus 2024 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2] , 3. [eiser sub 3] , 4. [eiseres sub 4] , 5. [eiser sub 5] , 6. [eiser sub 6] , 7. [eiseres sub 7] , 8. [eiser sub 8] , 9. [eiser sub 9] , 10. [eiseres sub 10] , 11. [eiser sub 11] , 12. [eiseres sub 12] , 13 . [eiser sub 13] , 14. [eiseres sub 14] , allen te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. S.P. Dalmolen, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. C.H.A. van de Wiel. De zaak in het kort [gedaagde] heeft een strook grond naast en achter haar woning in gebruik. [eisers] stellen dat zij eigenaar zijn van deze grond en vorderen ontruiming daarvan. [gedaagde] verweert zich daartegen. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar verweren en concludeert dat er geen erfdienstbaarheid ten gunste van [gedaagde] en ten laste van [eisers] is gevestigd en dat [gedaagde] bovendien geen eigenaar is geworden van de grond. Wel is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onevenredig zwaar benadeeld zal worden indien zij haar aanbouw moet verwijderen. De rechtbank geeft [eisers] daarom de gelegenheid om zich uit te laten over de vraag of zij het strookje grond waarop de aanbouw van [gedaagde] is gebouwd is, in eigendom willen overdragen aan [gedaagde] of dat zij een erfdienstbaarheid ten gunste van [gedaagde] daarop willen vestigen. Ook kunnen [eisers] zich daarbij uitlaten over het bedrag van de schadeloosstelling. [gedaagde] krijgt vervolgens de gelegenheid om daarop te reageren. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 december 2023, met producties 1-17; - de conclusie van antwoord tevens eis in voorwaardelijke reconventie, met producties 1-4; - de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties 18-20; - het tussenvonnis van 27 maart 2024; - de akte in het geding brengen nadere producties van [gedaagde] , met productie 5; - de akte overlegging productie van [eisers] , met productie 21; - de mondelinge behandeling van 20 juni 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Van de Wiel heeft daarbij spreekaantekeningen overgelegd; - het proces-verbaal van de descente, gehouden op 20 juni 2024. 1.2. Ten slotte is tussenvonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers] zijn ieder individueel eigenaar of mede-eigenaar van een garagebox aan de [adres] [huisnummer] te [woonplaats] (de perceelnummers 1644 tot en met 1652 op de onderstaande kaart). [eisers] zijn daarnaast gezamenlijk eigenaar van kadastraal perceel C-1643. Dit perceel betreft de oprit vanaf de [adres] naar het pleintje waarop de garageboxen zijn gevestigd (hierna: het garageplein). 2.2. [gedaagde] is sinds 1 april 2016 eigenaar van de woning en de grond aan de [adres] [huisnummer] te [woonplaats] (kadastraal perceel C-1048, hierna: de woning). [gedaagde] heeft de woning gekocht van haar vader, de heer [senior] (eiser sub 13, hierna: [senior] ). [senior] heeft de woning en een garagebox (perceelnummer C-1645) op zijn beurt in 2009 gekocht van mevrouw [W.] . Mevrouw [W.] is in 1981 eigenaar geworden van de woning en die garagebox. De onderstaande afbeelding geeft de kadastrale percelen weer. 2.3. In de koopakte van 9 juni 1981 waarin mevrouw [W.] eigenaar is geworden van de garagebox, staat onder andere het volgende omschreven: “De verkoper heeft verkocht en draagt in eigendom over aan koopster, die heeft gekocht en in eigendom aanneemt: a. de garage (…), uitmakende een ter plaatste kennelijk aangeduid gedeelte (…) van het perceel kadastraal bekend: gemeente [woonplaats] , sectie C, nummer 1120 (toevoeging rechtbank: op dit moment perceel C-1643) (…); (…) Voorts is deze overeenkomst van verkoop en koop en eigendomsoverdracht aangegaan onder de navolgende bepalingen: (…) 9. Hierbij worden voor zoveel nodig gevestigd de navolgende erfdienstbaarheden: “Ten behoeve en ten laste van het bij deze overgedragene enerzijds en ten behoeve en ten laste van de overige aan verkoper behorende, doch nog niet overgedragen garages anderzijds, alle kadastraal deel uitmakende van voormeld perceel nummer 1120, worden gevestigd al zodanige erfdienstbaarheden waardoor de toestand waarin de percelen zich ten opzichte van elkander in strijd met het burenrecht mochten bevinden, blijft gehandhaafd, speciaal voor wat betreft de aanwezigheid van ondergrondse en bovengrondse leidingen, de afvoer van hemelwater, gootwater als anderszins eventuele inbalking, inankering en overbouw, de toevoer van licht en lucht.”.” 2.4. In 2011 heeft [senior] de woning verbreed door de zijgevel tot op de (kadastrale) erfgrens te bouwen. Ook heeft [senior] aan de achterzijde van de woning een aanbouw gerealiseerd. Die aanbouw is deels over de kadastrale grens heen gebouwd. 2.5. In de akte van levering van 1 april 2016 waarin de woning van [senior] aan [gedaagde] is geleverd, is verwezen naar een aantal erfdienstbaarheden, onder meer naar de erfdienstbaarheid genoemd hiervoor onder 2.3. Onder de verwijzing naar de diverse erfdienstbaarheden vermeldt de akte van levering: “Voor zover in bovengenoemde bepalingen verplichtingen voorkomen welke verkoper verplicht is aan de koper op te leggen, doet hij dat bij deze en wordt een en ander door koper aanvaard. Voor zover het gaat om rechten die ten behoeve van derden zijn bedongen, worden die rechten bij deze door verkoper voor die derden aangenomen.” 2.6. In mei 2023 heeft het kadaster een erfgrensreconstructie uitgevoerd. Hierbij is de onderstaande tekening gemaakt. De ingetekende blauwe pijl wijst de schutting van [gedaagde] aan. Deze schutting staat op het kadastrale perceel C-1643. De gele pijl wijst de erfgrens aan (stippellijn). De oranje pijl wijst de aanbouw van [gedaagde] aan. Te zien is dat de aanbouw van [gedaagde] deels over de kadastrale erfgrens heen is gebouwd. 2.7. Bij brief van 28 juli 2023 hebben [eisers] - voor zover van belang - het volgende meegedeeld aan [gedaagde] : “Zoals u bekend is heeft op 19 mei 2023 een kadastrale meting plaatsgevonden van de grenzen tussen uw en ons erf. De uitkomst is dat u aan ons toebehorende grond in bezit heeft. (…) Wij wijzen erop dat aan de achterzijde van uw pand zelfs over de erfgrens is gebouwd. (…) Wij eisen ontruiming van de onrechtmatig gebruikte grond. Wij verwachten op uiterlijk 31 augustus 2023 uw instemmende reactie.” 2.8. Bij brief van 20 augustus 2023 heeft [gedaagde] hier onder andere als volgt op gereageerd: “Betreffende woning [adres] [huisnummer] te [woonplaats] gelegen aan Perceel C1643 te [woonplaats] in leveringsakte [gedaagde] uit 2016, zijn de erfdienstbaarheden overbouw en recht van overpad gevestigd. Deze erfdienstbaarheden zijn inmiddels op diverse wijze kenbaar gemaakt aan alle eigenaren. Op grond van de wet art. 5:71 BW, bent u onder meer gehouden om u als eigenaren erfdienstbaarheden te respecteren en zich hiernaar te gedragen. Wat onrechtmatig handelen impliceert. (…) Wij sommeren u dringend om onmiddellijk een einde te maken aan al het onrechtmatig handelen.” 2.9. Bij brief van 29 augustus 2023 heeft de heer [B.] namens [gedaagde] - voor zover van belang - het volgende meegedeeld aan [eisers] : “Het is op zichzelf correct dat er overbouw bestaat in die zin dat er relatief klein deel van de bebouwing die in eigendom aan cliënte mevrouw [gedaagde] toebehoort is gesitueerd op voornoemd perceel C1643. (…) Het is voor cliënten een raadsel op basis waarvan u meent te kunnen stellen dat er sprake is van onrechtmatige overbouw. U stelt dat voor deze overbouw geen toestemming zou zijn gegeven, maar dat is onjuist. Sterker nog, de toestemming voor deze overbouw is vastgelegd in notariële aktes die decennia teruggaan. (…) In deze aktes is keer op keer expliciet opgenomen dat worden gevestigd alle erfdienstbaarheden die nodig zijn opdat de toestand waarin voornoemde percelen zich ten opzichte van elkaar in strijd met het burenrecht mochten bevinden gehandhaafd blijft, speciaal voor wat betreft de aanwezigheid van onder meer overbouw. (…) Uit deze aktes blijkt glashelder dat er een rechtsgeldige erfdienstbaarheid is gevestigd. Concreet toegespitst op deze situatie betreft het een erfdienstbaarheid ten laste van perceel C1643 en ten behoeve van perceel C1048 in die zin dat alle daarop aanwezig zijnde overbouw geduld dient te worden. (…)” 2.10. Bij brief van 25 oktober 2023 heeft mr. Dalmolen hier namens [eisers] onder andere op gereageerd door te schrijven dat er geen erfdienstbaarheid is gevestigd en dat [gedaagde] het perceel van [eisers] binnen 7 dagen dient te ontruimen en ontruimd te houden. 3Het geschil in conventie 3.1. [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt om het gebruik van perceel C-1643 te staken en gestaakt te houden en dit perceel te ontruimen en ontruimd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-; II. [gedaagde] veroordeelt om het gedeelte van de aanbouw dat op perceel C-1643 staat, af te breken, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-; III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 3.2. [gedaagde] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in (voorwaardelijke) reconventie 3.4. Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat [gedaagde] de betwiste grond onrechtmatig in gebruik heeft, vordert zij dat de rechtbank bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad: I. primair: op voet van artikel 5:54 jo 3:300 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de strook wordt overgedragen aan [gedaagde] en de schadeloosstelling die [gedaagde] aan [eisers] verschuldigd zou zijn bepaalt op nihil; II. primair: bepaalt dat de overdracht op voet van artikel 3:301 BW binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis wordt ingeschreven in de openbare registers; III. subsidiair: op voet van artikel 5:54 jo 3:300 BW ten behoeve van het perceel van [gedaagde] en ten laste van het perceel van [eisers] een recht van erfdienstbaarheid vestigt, strekkende tot de last voor (de eigenaars van het perceel van) [eisers] om de huidige toestand te dulden, en de schadeloosstelling die [gedaagde] aan [eisers] verschuldigd zou zijn bepaalt op nihil; IV. subsidiair: bepaalt dat het recht van erfdienstbaarheid op voet van artikel 3:301 BW binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis wordt ingeschreven in de openbare registers; V. meer subsidiair: voor het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een geldbedrag verschuldigd is aan [eisers] ter zake van de schadeloosstelling, [senior] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van het bedrag waartoe [gedaagde] in deze procedure wordt veroordeeld; VI. [eisers] veroordeelt in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de daadwerkelijke kosten voor rechtsbijstand van [gedaagde] , tot het moment van concluderen voor antwoord bedragend € 6.757,40, althans [eisers] veroordeelt in de kosten van deze procedure conform het liquidatietarief. 3.5. [eisers] voeren verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 4.1. De vorderingen en tegenvorderingen hangen met elkaar samen en zullen daarom gezamenlijk besproken worden. 4.2. In de kern gaat dit geschil over de vraag of [gedaagde] een gebruiksrecht heeft op grond van erfdienstbaarheid op, dan wel eigenaar is geworden van, de stroken grond naast en achter haar woning (voor zover die liggen op kadastraal perceel C-1643). 4.3. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat de stroken naast en achter de woning van [gedaagde] , kadastraal behoren bij perceel C-1643. Dat is het perceel van [eisers] Primair voert [gedaagde] aan dat zij de grond mag gebruiken krachtens een erfdienstbaarheid. Erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door vestiging of door verjaring. Erfdienstbaarheid door vestiging 4.4. De rechtbank gaat eerst in op de vraag of er een erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van [gedaagde] en ten laste van [eisers] , op grond waarvan [gedaagde] de stroken grond aan de zijkant en achterkant van haar perceel mag gebruiken. Volgens [gedaagde] is er een erfdienstbaarheid gevestigd door middel van de akte van levering van de woning van 1 april 2016 (zie hiervoor onder 2.3 en 2.5). [eisers] betwisten dat. 4.5. De rechtbank overweegt dat in de akte van 1 april 2016 waarbij de woning door [senior] aan [gedaagde] is geleverd, geen erfdienstbaarheid is gevestigd. Deze akte verwijst slechts naar al bestaande erfdienstbaarheden. Bovendien zijn toenmalige eigenaren van perceel C-1643 bij de genoemde akte geen partij. 4.6. Dat de door [gedaagde] gestelde erfdienstbaarheid op enig ander moment is gevestigd, blijkt niet uit wat zij heeft aangevoerd. De rechtbank legt dit uit. 4.7. De inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan wordt bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daarover ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partij bedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De beginselen van redelijkheid en billijkheid zullen bij de uitleg van de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend een rol spelen. 4.8. In de akte van levering van de woning van [senior] aan [gedaagde] is een verwijzing opgenomen naar een notariële akte van 9 juni 1981 “ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te Alkmaar op tien juni daarna in register hypotheken [hypotheeknummer]”. Het betreft een verwijzing naar de hiervoor onder 2.3 geciteerde akte van levering waarbij mevrouw [W.] eigenaar is geworden van een garagebox en een-negende deel van perceel C-1643, zo blijkt uit de aantekeningen op de betreffende akte. Het betreft een erfdienstbaarheid ten gunste en ten laste van, enerzijds, haar garage en (een aandeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.