RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11662862 \ CV FORM 25-2554 Uitspraakdatum: 3 september 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoeker] wonende te [plaats], Frankrijk verzoekende partij verder te noemen: de passagier gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht EasyJet Europe Airline GmbH gevestigd te Amsterdam verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal) De zaak in het kort De passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Volgens hem moest de vlucht geannuleerd worden omdat een vlucht die na de vlucht in kwestie zou worden uitgevoerd, de nachtsluiting van Schiphol dreigde te schenden. Naar het oordeel van de kantonrechter levert dat echter geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie op. Daarom wordt het verzoek van de passagier toegewezen. 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A); het verweerschrift. 2De feiten 2.
- De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 14 mei 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Genève, Zwitserland, met vlucht EJU7867 (hierna: de vlucht). 2.
- De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.
- De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht. 2.
- De vervoerder heeft niet uitbetaald 3Het geschil 3.
- De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
- De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,-. 3.
- De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. 4.
- De vervoerder stelt dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Amsterdam – Genève – Amsterdam. Voorafgaand aan deze rotatievlucht moest het toestel vlucht EJU8688 van Londen naar Amsterdam uitvoeren. Vlucht EJU8688 werd vertraagd uitgevoerd. Deze vertraging dreigde door te werken op de vlucht in kwestie en de retourvlucht naar Amsterdam. Dit maakte het onmogelijk om de vlucht van Genève naar Amsterdam uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van Schiphol te schenden. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder onder meer naar vluchtrapporten. 4.
- Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder hiermee onvoldoende onderbouwd waarom de vlucht in kwestie niet alsnog, zij het vertraagd, kon worden uitgevoerd. Weliswaar zou het nachtregime van Schiphol van toepassing zijn op de retourvlucht (van Genève naar Amsterdam), maar dat gold niet voor de vlucht in kwestie. De stelling van de vervoerder dat de bemanning nog moest terugkeren naar Amsterdam en dat het toestel gepland stond een dag later weer andere vluchten uit te voeren, maakt dit niet anders. Dit zijn immers interne, operationele gronden. Wellicht heeft de vervoerder daarbij keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van de verplichting om de passagier te compenseren. Daarom was de annulering van de vlucht niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. De verzochte hoofdsom zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onbetwist eveneens toewijsbaar. 4.
- Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. De passagier heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de passagier vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. 4.
- Op verzoek van de passagier zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. 5De beslissingDe kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 mei 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 90,00 aan griffierecht en € 82,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt; 5.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datumin het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:
- Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.