RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/358673 / HA ZA 24-616 Vonnis van 10 september 2025 in de zaak van de stichting STICHTING FAMULA BONI, statutair gevestigd te 's-Gravenhage, eisende partij, hierna te noemen: de stichting, advocaat: mr. E.H.F. Dings, tegen [gedaagde] , wonende in de gemeente [gemeente] op een geheim adres, gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mr. J.A. Schaap en mr. B.J.A. Bogaerts, procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de uitlatingen van [gedaagde] zoals opgenomen in een omvangrijk artikel van 30 oktober 2023 in HP/ De Tijd over het leven van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). Volgens de stichting (die zich op grond van haar statutaire doelstellingen inzet voor het behoud en de bescherming van de nagedachtenis en reputatie van [betrokkene 1] en daarnaast in deze procedure ook [betrokkene 2] vertegenwoordigt) beschuldigt [gedaagde] [betrokkene 2] ten onrechte van “ontfutselen” van geld en het “op pijnlijke wijze financieel profiteren” van [betrokkene 1] in een periode waarin hij “ziek en kwetsbaar” was. De uitlatingen van [gedaagde] tasten, volgens de stichting, de persoonlijke levenssfeer, eer en goede naam van zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 1] aan. De stichting vordert daarom dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] met zijn uitlatingen onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede een rectificatie en betaling van (materiële en immateriële) schadevergoeding. De rechtbank verklaart de stichting niet ontvankelijk in haar vorderingen met betrekking tot (de aantasting van de nagedachtenis en reputatie van) [betrokkene 1] , omdat van enig onrechtmatig handelen jegens de (eerst na de publicatie opgerichte) stichting geen sprake is, de stichting geen nabestaande van [betrokkene 1] is en ook niet namens de nabestaanden optreedt. Bij de beoordeling van de namens [betrokkene 2] ingestelde vorderingen komt het aan op een afweging van het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] aan de ene kant en het recht op bescherming van de eer en goede naam van [betrokkene 2] aan de andere kant. De rechtbank komt tot de conclusie dat deze afweging in het voordeel van [gedaagde] uitvalt en in het licht van alle feiten en omstandigheden de uitlatingen van [gedaagde] in het artikel in HP/De Tijd niet onrechtmatig zijn. De rechtbank wijst de vorderingen van de stichting daarom af. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 februari 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 23 mei 2025 en de daarin vermelde stukken, - de brief van de rechtbank van 28 maart 2025 waarin is vermeld dat de mondelinge behandeling is verzet naar 16 juli 2025, - de akte houdende overlegging aanvullende producties 27 tot en met 40, tevens verzoek aan gedaagde ex art. 21 Rv tot in het geding brengen van geluidsopname, - de mondelinge behandeling van 16 juli 2025, waarbij zowel van de zijde van de stichting als de zijde van [gedaagde] gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Feiten 2.1. [betrokkene 1] is een voormalig politicus en oud fractievoorzitter van de VVD. [gedaagde] is zijn neef. 2.2. [betrokkene 2] is in 2011 in contact gekomen met [betrokkene 1] , waarna zich tussen beiden een vriendschap heeft ontwikkeld. [betrokkene 1] fungeerde als mentor voor [betrokkene 2] , waarbij hij haar intellectuele groei en academische ontwikkeling actief ondersteunde. Hij stelde [betrokkene 2] voor binnen zijn netwerk en hielp haar om haar contacten te versterken. Mede op zijn initiatief raakte [betrokkene 2] betrokken bij de VVD. 2.3. In de periode van 20 november 2018 tot en met 20 oktober 2021 zijn door [betrokkene 1] betalingen aan (of ten behoeve van) [betrokkene 2] gedaan. Aanvankelijk bestonden deze betalingen uit de huur van het appartement van [betrokkene 2] en werden deze rechtstreeks aan de verhuurder overgemaakt. Vanaf eind december 2019 zijn daarnaast ook andere, wisselende bedragen aan [betrokkene 2] overgemaakt. 2.4. Op enig moment in 2021 heeft [betrokkene 1] zijn neef, [gedaagde] verzocht om zijn (financiële) administratie over te nemen, omdat hij het overzicht kwijt was geraakt. Nadat [gedaagde] zich in de administratie van [betrokkene 1] had verdiept, bleek dat vanaf eind november 2018 in totaal € 85.075,00 aan (of ten behoeve van) [betrokkene 2] was overgemaakt. Daarnaast bleek uit de administratie van [betrokkene 1] dat in de eerder genoemde periode ook nog contante pinopnames zijn gedaan die optellen tot in totaal € 20.000,00. Eind oktober 2021 zijn de betalingen aan [betrokkene 2] op verzoek van [betrokkene 1] door [gedaagde] stopgezet. Dit is in een telefoongesprek op 2 oktober 2021 aan [betrokkene 2] medegedeeld. 2.5. Kort daarna, op 3 november 2021 is namens [betrokkene 1] zorg aangevraagd op grond van de wet langdurige zorg (wlz). Het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) heeft op 12 november 2021 de indicatie gegeven voor “ […] ”. Het indicatiebesluit van 12 november 2021 vermeldt onder meer: [indicatie] . 2.6. Bij beschikking van [datum] heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere op verzoek van zijn kinderen (de goederen van) [betrokkene 1] onder bewind gesteld en zijn neven, [neef] en [gedaagde] tot bewindvoerders benoemd. 2.7. Op 30 oktober 2023 is in HP/De Tijd een artikel verschenen onder de titel: “Het wonderbaarlijke verhaal van ex-terroriste [betrokkene 2] : steeds één handdruk verwijderd van de macht”. Het artikel beschrijft het leven van [betrokkene 2] , waaronder haar actieve rol binnen de Hofstadgroep, haar betrekkingen met de VVD, haar connecties met oud-militairen [naam] en [naam] en haar betrokkenheid bij het defensienetwerk van BBB (Boer Burger Beweging). Ook komt de (financiële) steun van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] ter sprake. 2.8. Het artikel vermeldt voor zover relevant de volgende passage: “ [gedaagde] (zelf ook oud-VVD-Kamerlid) verklaart daarover namens de familie aan HP/De Tijd: “mijn oom heeft [betrokkene 2] willen helpen bij haar re-integratie in de samenleving en om na haar tijd in de gevangenis op eigen benen te gaan staan. Helaas zijn wij erachter gekomen dat toen mijn oom ouder werd en bovendien ernstig ziek, [betrokkene 2] financieel op pijnlijke wijze van hem heeft geprofiteerd. Toen mijn oom zich daar later de omvang van realiseerde, is deze financiële steun direct gestaakt.” “Wanneer [gedaagde] op onderzoek uitgaat, zo legt hij uit, ontdekt hij dat zijn oom de huur betaalt van het appartement van [betrokkene 2] . Daarnaast betaalt [betrokkene 1] , in de periode dat hij ziek en kwetsbaar is, ook ‘leefgeld’ en andere ‘grote’ bedragen aan [betrokkene 2] . Ook zijn er ‘onverklaarbare’ opnames van contant geld met de pinpas van de oud-VVD-leider. ‘Vreemd’, vindt [gedaagde] , want zijn oom komt de deur bijna niet meer uit. [gedaagde] zet daarom alle betalingen van zijn oom [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] op een rijtje. De familieleden schrikken van zijn bevindingen. Het gaat volgens de familie om ongeveer 85.000 euro aan bancaire betalingen en zo’n 20.000 euro aan contante geldopnames in een periode van ‘nog geen drie jaar’. Tevens de periode waarin de voormalig VVD-leider kampte met ernstige gezondheidsproblemen. “Toen bleek dus dat zij hem in drie jaar tijd 85 duizend euro had ontfutseld,” zo bevestigt [gedaagde] , die benadrukt dat de familie dit vooral ‘schrijnend’ vindt omdat [betrokkene 1] zich juist voor [betrokkene 2] heeft ingezet om haar een ‘tweede kans’ te geven, zo verklaart [gedaagde] .” 2.9. Direct onder de hierboven geciteerde passage, is de reactie van [betrokkene 2] (en daaronder een reactie van [betrokkene 3] ) weergegeven. [betrokkene 2] ontkent dat zij van haar mentor [betrokkene 1] heeft geprofiteerd. Volgens haar klopt het verhaal van [gedaagde] niet, omdat [betrokkene 1] haar had aangeboden om haar promotietraject bij [betrokkene 3] te financieren toen bleek dat [betrokkene 3] daarvoor geen budget had. [betrokkene 2] bevestigt wel de hoogte van het bedrag (zo’n € 85.000,00). In het artikel is onder meer de volgende passage opgenomen. “ [betrokkene 1] betaalde mijn huur rechtstreeks aan de huurbaas. Daarnaast betaalde hij ook andere kosten van levensonderhoud, ik moet toch ergens van leven? Ik kreeg verschillende bedragen: een bedrag van 5000 euro en toen [betrokkene 1] zijn appartement verkocht net als alle kinderen een bedrag van 10.000 euro. Hij wilde dat ik mijn talenten kan inzetten voor de samenleving. Dat was zijn motivatie. (…) In 2021 belde opeens [gedaagde] . Hij zei dat ik geen geld meer zou krijgen. Daarna kreeg ik ook [betrokkene 1] zelf aan de telefoon. [gedaagde] zette de telefoon op de speaker en toen hoorde ik [betrokkene 1] . Ik reageerde toen emotioneel, vooral op [gedaagde] . Kijk, mijn huur werd plotseling stopgezet, ik raakte in paniek. Het gaat totaal inderdaad om een bedrag van zo’n 85.000 euro dat hij mij heeft geschonken. Ik heb nooit contant geld opgenomen met zijn pas en ook wist ik de pincode van [betrokkene 1] niet, dus het verhaal van [gedaagde] klopt gewoon niet.” In het artikel staat verder vermeld dat de promotor van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , het verhaal van [betrokkene 2] bevestigt. 2.10. Direct na publicatie van het artikel op 30 oktober 2023 heeft het hoofdbestuur van de VVD het partijlidmaatschap van [betrokkene 2] opgezegd. [betrokkene 2] heeft tegen dit besluit op 28 november 2023 beroep ingesteld bij de Commissie van beroep. 2.11. [betrokkene 2] heeft vervolgens op 30 november 2023 aangifte van smaad, laster en belediging gedaan tegen [gedaagde] . Zij verwijt [gedaagde] dat hij in het gesprek met de journalist van HP/De Tijd uitlatingen heeft gedaan die haar eer en goede naam hebben aangetast en die vervolgens in het artikel van 30 oktober 2023 zijn gepubliceerd. 2.12. Op 6 maart 2024 is de stichting opgericht. De oprichtingsakte vermeldt [betrokkene 3] als oprichter en bestuurder van de stichting. Volgens artikel 2 van de oprichtingsakte heeft de stichting als doel: “a. het behoud en de bevordering van de intellectuele erfenis van [betrokkene 1] ; in dit kader streeft de stichting het behoud en de verspreiding na van zijn gedachtegoed en intellectuele nalatenschap, zoals die tot uiting komen in onder andere zijn boeken, aantekeningen en geschriften; b. de (financiële) ondersteuning van getalenteerde mensen en groeperingen die, naar oordeel van de stichting, in de geest en traditie van [betrokkene 1] werken of zich trachten te ontwikkelen; c. het organiseren en/of sponsoren van bijeenkomsten waarin thema’s worden besproken die aansluiten bij de principes en opvattingen die [betrokkene 1] tijdens zijn leven hoog hield, d. het beschermen van de nagedachtenis en reputatie van [betrokkene 1] ; zij doet die op velerlei wijze, ook, indien noodzakelijk door het treffen van rechtsmaatregelen en het voeren van rechtsgedingen.” 2.13. [betrokkene 1] of zijn familie hebben geen bemoeienis met de oprichting van de stichting gehad en hebben ook niet met (de oprichting van) de stichting of haar doelstelling ingestemd. 2.14. Op 5 april 2024 heeft de commissie van beroep van de VVD het beroep van [betrokkene 2] tegen het opzeggingsbesluit van de VVD afgewezen. De commissie is van oordeel dat van de VVD in redelijkheid niet gevergd kon worden om het lidmaatschap van [betrokkene 2] te laten voortduren. De commissie overweegt daartoe dat voor de publicatie in HP/De Tijd binnen de partij al tot twee keer toe commotie was ontstaan omtrent [betrokkene 2] . Naar aanleiding van de mediaoptredens van [betrokkene 2] en haar verleden had de VVD vele opzeggingen en boze e-mailberichten van haar leden ontvangen. Naar aanleiding hiervan was in januari 2022 afgesproken dat [betrokkene 2] de luwte zou opzoeken, maar [betrokkene 2] heeft zich bij herhaling niet aan die afspraak gehouden. Volgens de commissie was het opzeggen van het lidmaatschap het resultaat van meerdere voorvallen waarbij de reputatie van de VVD als gevolg van de rol van [betrokkene 2] binnen de partij werd beschadigd. Omdat het artikel in HP/De Tijd opnieuw voor veel onrust zou zorgen, is de commissie van oordeel dat de VVD ter bescherming van haar goede naam, de leden en de achterban tot het besluit om het lidmaatschap van [betrokkene 2] te beëindigen heeft kunnen komen. 2.15. Op 21 juni 2024 heeft het Openbaar Ministerie (OM) besloten de aangifte van [betrokkene 2] tegen [gedaagde] te seponeren. De sepotbeslissing van die datum vermeldt onder meer dat het algemeen belang onvoldoende noodzaak vormt om [gedaagde] te vervolgen. Niet alleen omdat het initiatief tot het doen van de uitspraken niet van [gedaagde] is uitgegaan en door de journalist in het artikel hoor en wederhoor is toegepast, maar ook omdat de zaak zijn oorsprong heeft in een civielrechtelijke (financiële) kwestie en er voor [betrokkene 2] civielrechtelijke mogelijkheden bestaan om eventuele schade te verhalen. 2.16. [betrokkene 1] is op 17 februari 2025 overleden. 3Het geschil 3.1. De stichting vordert – samengevat – bij een voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat de rechtbank: I. voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld met zijn uitingen in het artikel in HP/De Tijd van 30 oktober 2023, II. [gedaagde] veroordeelt om, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, een persbericht uit te laten gaan naar het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), de Volkskrant en het NRC waarin hij zijn uitlatingen rectificeert met de in de dagvaarding opgenomen verklaring en daarin ook een hyperlink opneemt naar deze uitspraak, III. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de door [betrokkene 2] geleden materiële schade, nader op te maken bij staat, IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [betrokkene 2] van € 20.000,00 aan immateriële schadevergoeding, V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet voldoet aan de veroordeling onder II, VI. [gedaagde] veroordeelt in de proces- en nakosten. 3.2. De stichting legt aan haar vorderingen ten grondslag dat door de uitlatingen van [gedaagde] in het artikel van 30 oktober 2023 in HP/De Tijd zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] in hun eer en goede naam zijn aangetast. Volgens de stichting heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld met zijn beweringen over [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De vorderingen dienen volgens de stichting ten eerste om de onjuiste beschuldigingen jegens [betrokkene 2] recht te zetten, waaronder de valse aantijgingen dat zij financieel heeft geprofiteerd en geld heeft ontfutseld van [betrokkene 1] en ten tweede om het ontstane beeld recht te zetten dat [betrokkene 1] niet volledig geestelijk bekwaam zou zijn geweest toen hij financiële steun aan [betrokkene 2] verleende. Verder wenst de stichting de door [betrokkene 2] geleden schade te verhalen op [gedaagde] . Volgens de stichting vinden de beweringen geen enkele steun in de feiten. In de eerste plaats heeft [betrokkene 2] niet geprofiteerd van een ernstig zieke en kwetsbare [betrokkene 1] . Laat staan dat zij op listige wijze geld van hem zou hebben ontfutseld. Toen [betrokkene 1] besloot om [betrokkene 2] financieel te ondersteunen, was hij volledig bij zijn verstand en handelde hij uit vrije wil. Dat [betrokkene 1] niet ziek of kwetsbaar was volgt volgens de stichting uit zijn actieve betrokkenheid bij het publieke debat. Zo nam hij nog regelmatig deel aan debatten en andere publieke activiteiten, zoals de Masterclass […] in 2020 en verscheen hij in 2021 nog in een tv-interview met WNL. Ook verwijst de stichting naar verklaringen over de (geestelijke) gezondheid van [betrokkene 1] van verschillende personen die hem in de bewuste periode hebben meegemaakt. Volgens de stichting ondervindt [betrokkene 2] door de ongefundeerde beschuldigingen in het artikel ernstige gevolgen. Zo zijn de beschuldigingen rechtstreeks aanleiding geweest voor de opzegging van haar partijlidmaatschap bij de VVD, krijgt zij voortdurend te maken met online haatreacties en heeft alle commotie naar aan leiding van de publicatie van het artikel ervoor gezorgd dat [betrokkene 2] ontslag heeft moeten nemen bij haar werkgever, aldus nog steeds de stichting. 3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de stichting, met veroordeling van de stichting in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling De stichting kan niet voor zichzelf optreden op grond van haar eigen doelstellingen 4.1. De stichting treedt in deze procedure in twee hoedanigheden op. In de eerste plaats vertegenwoordigt de stichting [betrokkene 2] op basis van een overeenkomst van lastgeving en procesvolmacht die [betrokkene 2] op 17 oktober 2024 heeft ondertekend. Daarnaast treedt de stichting op ten behoeve van haar eigen doestellingen. 4.2. De stichting stelt zich op het standpunt dat zij gelet op haar statutaire doelstellingen (zelfstandig) belang heeft bij het beschermen van het gedachtegoed en de intellectuele nalatenschap van [betrokkene 1] . Volgens de stichting is het beeld dat [gedaagde] van zijn oom schetst, namelijk dat hij niet volledig geestelijk bekwaam zou zijn geweest om weloverwogen beslissingen te nemen toen hij [betrokkene 2] financiële steun aanbood, schadelijk voor de reputatie van [betrokkene 1] en de stichting beschouwt het als haar taak en plicht om deze schadelijke beweringen te weerleggen. De rechtbank volgt de stichting niet in dit betoog en legt dat hierna uit. 4.3. De rechtbank stelt voorop dat het (enkele) feit dat een handeling/uitlating in strijd is met de doelstelling van de stichting, niet tot de conclusie leidt dat daarmee onrechtmatig jegens de stichting is gehandeld. Er bestaat geen (ongeschreven) norm op grond waarvan een gedraging die strijdig is met de doelstelling van een belangenorganisatie onrechtmatig is. De bevoegdheid van een stichting om in een gerechtelijke procedure op te treden tegen een onrechtmatige gedraging van een derde die in strijd is met haar doelstelling, kan onder omstandigheden worden gegrond op de onrechtmatigheid van deze gedraging tegenover de stichting zelf. Er moet dus sprake zijn van een onrechtmatige daad tegenover de stichting. Die situatie doet zich hier niet voor. 4.4. Daar komt bij dat [betrokkene 1] inmiddels is overleden. Het is vaste rechtspraak dat alleen in bepaalde gevallen in een gerechtelijke procedure kan worden opgetreden tegen de aantasting van de reputatie van een overledene. Uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de aantasting van de reputatie van een overledene in bepaalde gevallen kan leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de nabestaanden als zij daardoor direct geraakt “directly affected” worden. 4.5. Vast staat dat de stichting niet op verzoek van [betrokkene 1] of zijn familie is opgericht en ook niet namens of met toestemming van de familie (de nabestaanden) optreedt. De stichting is, zoals uit haar eigen stellingen volgt, aanvankelijk bedoeld als een eerbetoon aan [betrokkene 1] na zijn overlijden. Door de publicatie van het artikel op 30 oktober 2023, is besloten de stichting eerder op te richten. Daarmee staat vast dat de stichting eerst na de publicatie van het artikel in HP/De Tijd is opgericht. Alleen al om die reden kan van een onrechtmatige handeling jegens de stichting geen sprake zijn. Ook is de stichting geen nabestaande van [betrokkene 1] en treedt zij ook niet namens de nabestaanden op. Dat betekent dat de stichting geen vordering kan instellen vanwege (een mogelijke) aantasting van de reputatie van [betrokkene 1] . De stichting is alleen ontvankelijk in de vertegenwoordiging van [betrokkene 2] 4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de stichting niet in haar vorderingen kan worden ontvangen voor zover die zien op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] . 4.7. De vertegenwoordiging van [betrokkene 2] door de stichting op basis van lastgeving en de door [betrokkene 2] afgegeven procesvolmacht staat niet ter discussie, zodat de stichting wel ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover die betrekking hebben op [betrokkene 2] . 4.8. De stichting stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] jegens [betrokkene 2] onrechtmatig heeft gehandeld door in het artikel in HP/De Tijd onterecht verdachtmakingen aan het adres van [betrokkene 2] te uiten. Het gaat daarbij volgens de stichting om de bewering dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.