RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/364681 / HA ZA 25-263 Vonnis van 3 september 2025 in de zaak van ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., te Apeldoorn, eisende partij, hierna te noemen: Achmea, kantongemachtigde: mr. S.D. Palper, civiele advocaat: mr. S.D. Palper, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , kantongemachtigde: mr. B. Wernik, civiele advocaat: na verwijzing door de kantonrechter géén advocaat gesteld. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 8 november 2024 met producties 1-9, waarbij Achmea bij de kantonrechter een vordering tegen [gedaagde] heeft ingesteld op grond van artikel 843a (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv); - het tussenvonnis van 4 december 2024, waarbij de kantonrechter Achmea in de gelegenheid heeft gesteld zich bij akte uit te laten over de bevoegdheid van de kantonrechter; - de akte van Achmea van 7 januari 2025; - de antwoordakte van [gedaagde] van 5 februari 2025; - het tussenvonnis van 2 april 2025, waarbij de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard van de vordering van Achmea kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond heeft verwezen naar de sectie handel van de rechtbank; - de akte van Achmea van 11 juni 2025 met producties 10-11. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 25 juni 2020 is [gedaagde] betrokken geraakt bij een verkeersongeval op de [adres] te [woonplaats] . De door [gedaagde] bestuurde personenauto werd van achteren aangereden door een personenauto die in het kader van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerd was bij Achmea. Achmea heeft de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend. 2.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de door [gedaagde] gestelde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval. Achmea betwist dat dit het geval is, omdat [gedaagde] volgens haar vóór het ongeval ook al kampte met vergelijkbare klachten. [gedaagde] kan zich hier niet in vinden en is een bodemprocedure bij deze rechtbank gestart (zaaknummer: C/15/338463 / HA ZA 23-210). 2.3. Tijdens de mondelinge behandeling van die bodemzaak op 7 februari 2024 zijn partijen het erover eens geworden dat er een onafhankelijke expertise door een neuroloog moet plaatsvinden. 3Het geschil 3.1. Achmea vordert in deze procedure om [gedaagde] te bevelen dat zij binnen twee weken na de datum van het vonnis Achmea voorziet van de volgende informatie, althans van een bewijs dat zij deze informatie heeft opgevraagd bij de desbetreffende behandelaar: medische informatie omtrent de consulten die betrokkene bij de reumatoloog heeft gehad; medische informatie omtrent het revalidatietraject binnen Helium (de rechtbank begrijpt: Heliomare); de beloopinformatie van de huisarts in de vorm van de journaalregels tot op heden. Het lijkt erop dat thans een gedeelte van een volledige uitdraai van het huisartsendossier is aangeleverd, waaruit de voorgeschiedenis geëxploreerd werd, maar dit wil zeggen dat waarschijnlijk ook verdere beloopinformatie van de huisarts in de vorm van journaalregels voorhanden is; medische informatie omtrent eventueel verder betrokken geraakte specialisten en/of paramedici, met name de meest actuele behandelaren, indien er van actuele behandeling nog sprake is geweest. Daarnaast vordert Achmea om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom van € 500,- voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat [gedaagde] in strijd handelt met de genoemde bevelen, alsmede om [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding. 3.2. Achmea baseert haar vordering op artikel 843a (oud) Rv. Achmea stelt in de dagvaarding dat aan alle vereisten van dit artikel is voldaan. Volgens Achmea acht haar medisch adviseur het noodzakelijk dat bovengenoemde medische stukken worden verstrekt. Met het oog op de te verrichten neurologische expertise is het namelijk van belang dat het medisch dossier, inclusief de meest actuele medische informatie, gecompleteerd wordt. Omdat [gedaagde] weigert de gevraagde medische informatie te delen, stelt Achmea recht en belang te hebben bij toewijzing van haar vordering. 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter heeft zich bij vonnis van 2 april 2025 onbevoegd verklaard om van de vordering van Achmea kennis te nemen en de zaak verwezen naar de sectie handel van de rechtbank. De kantonrechter heeft partijen erop gewezen dat zij op de rolzitting van 30 april 2025 bij advocaat moesten verschijnen. Op de rolzitting van 30 april 2025 heeft mr. S.D. Palper zich als advocaat voor Achmea gesteld. [gedaagde] heeft verzuimd om advocaat te stellen. Ook op de tweede rolzitting van 14 mei 2025 heeft [gedaagde] geen advocaat gesteld. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 71 Rv volgt echter dat al vóór de verwijzing verrichte proceshandelingen ook ná verwijzing geldig blijven zodat de partijen die al vóór de verwijzing in persoon of bij gemachtigde waren verschenen ook ná verwijzing geacht worden verschenen te zijn. Nu [gedaagde] haar antwoordakte in deze procedure heeft genomen vóór verwijzing, heeft het verzuim van [gedaagde] geen gevolgen en zal de zaak inhoudelijk (op tegenspraak) worden beoordeeld. 4.2. [gedaagde] heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat de rechtbank in de procedure met zaaknummer C/15/338463 / HA ZA 23-210 op 11 december 2024 een tussenvonnis heeft gewezen waarin zij uitspraak heeft gedaan over het geschil met betrekking tot het al dan niet nog nader in het geding brengen van medische informatie door [gedaagde] . [gedaagde] ziet daarom geen belang van Achmea bij het voortzetten van onderhavige procedure. 4.3. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 11 december 2024 in de procedure met zaaknummer C/15/338463 / HA ZA 23-210 geoordeeld dat Achmea beschikt over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.