RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11802022 \ CV EXPL 25-4736 Vonnis van 17 september 2025 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. J.P. Dikker, tegen [gedaagde] B.V., te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: [gemachtigde]. De zaak in het kort De vordering van eiser (nabestaande en erfgenaam van een overleden werknemer) wordt grotendeels toegewezen. De ex-werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling aan eiser van het niet-betaalde deel van de eindafrekening, openstaande verlofdagen, (gematigde) wettelijke verhoging over te laat betaald salaris en buitengerechtelijke incassokosten. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 juli 2025 met 8 producties, - het antwoord van [gedaagde] van 22 juli 2025, onder overlegging van 1 productie, - het tussenvonnis van 6 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025 (waar [gedaagde] niet is verschenen) waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Feiten 2.1. [gedaagde] is een onderneming die zich bezig houdt met de handel in en reparatie van auto’s. 2.2. [erflater], geboren op [geboortedatum] 1973, is van 7 juni 2015 tot aan zijn overlijden op 30 december 2024 bij [gedaagde] in dienst geweest. Hij was werkzaam als automonteur voor 20 uur per week. Volgens de specificatie van de eindafrekening bedroeg het salaris laatstelijk € 1.224,13 bruto. In de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Banden- en Wielenbranche daarop van toepassing verklaard. 2.3. [eiser] is de (enige) zoon en erfgenaam van [erflater]. 2.4. Bij e-mail van 2 januari 2025 heeft (de voormalig gemachtigde van) [eiser] [gedaagde] verzocht om het salaris van [erflater] over de maand december per omgaande (alsnog) over te maken. 2.4. Op 2 januari 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 948,67 netto uitbetaald met de omschrijving “salaris december”. 2.5. Bij e-mail van 31 januari 2025 heeft (de voormalig gemachtigde van) [eiser] verzocht om de eindafrekening, waarna [gedaagde] op 3 februari 2025 een salarisspecificatie van de eindafrekening heeft toegestuurd. Hierop staan “loon december 2024” (€ 1.224,13 bruto) en “uitbetaling vakantiegeldreservering”(€ 587,58 bruto), tezamen € 1.714,36 netto. 2.6. Bij brief van 29 april 2025 heeft (de huidige gemachtigde van) [eiser] aan [gedaagde] gevraagd om uiterlijk op 6 mei 2025 de overlijdensuitkering en het niet-betaalde bedrag van de eindafrekening uit te betalen en om de vakantiedagenadministratie vanaf 2020 en loonstroken over 2023 en 2024 te verstrekken. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven. 3Het (gewijzigde) geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat, en nadat hij ter zitting zijn vordering terzake de overlijdensuitkering heeft ingetrokken (eisvermindering) - dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot: betaling aan [eiser] van € 765,69 netto aan resterende eindafrekening, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 30 december 2024 en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 15 februari 2025 althans 6 mei 2025; betaling aan [eiser] van € 7.216,24 aan openstaande verlofdagen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de hoofdsom en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 15 februari 2025 althans 6 mei 2025; betaling aan [eiser] van € 9.083,43 bruto aan wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 mei 2025; betaling aan [eiser] van € 973,20 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juli 2025; het binnen 14 dagen na de vonnisdatum verstrekken van salarisspecificaties te verstrekken over de periode van januari 2020 tot en met december 2024 en van de hiervoor genoemde bedragen, op straffe van een dwangsom; de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de vonnisdatum. 3.2. [eiser] legt aan de vordering (samengevat) het volgende ten grondslag. [eiser] heeft als nabestaande en enig erfgenaam van zijn vader recht op uitbetaling van het niet-betaalde bedrag van de eindafrekening en het openstaande vakantiedagensaldo. Aangezien [gedaagde] ondanks verzoek geen vakantieadministratie heeft verstrekt, gaat [eiser] ervan uit dat er sinds 2020 geen vakantiedagen zijn opgenomen. [eiser] vordert daarnaast 50% wettelijke verhoging en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Hoewel in de dagvaarding ook een overlijdensuitkering is gevorderd heeft [eiser] deze vordering op de mondelinge behandeling ingetrokken. 3.3. [gedaagde] heeft (schriftelijk) verweer gevoerd, maar is niet ter zitting verschenen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] voert (samengevat) aan dat zij niets meer aan [eiser] verschuldigd is. [gedaagde] erkent dat van de opgestelde eindafrekening een bedrag van € 765,69 niet is betaald. Zij stelt dat dit is verrekend met de mobiele telefoon die zij jarenlang kosteloos aan [erflater] ter beschikking heeft gesteld en die nu nog steeds in het bezit van [eiser] is. Verder komt [eiser] niet in aanmerking voor een overlijdensuitkering en zijn er geen openstaande vakantiedagen (negatief saldo). Tot slot verzet [gedaagde] zich tegen de gevorderde wettelijke verhoging. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De vragen die beantwoord moeten worden is of [gedaagde] [eiser] nog het niet-betaalde deel van de eindafrekening, een openstaand vakantiedagensaldo, wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd is, en of [gedaagde] salarisspecificaties moet verstrekken. 4.2. [eiser] heeft (ter zitting) onbetwist gesteld dat hij zijn vorderingen heeft ingesteld in de hoedanigheid van nabestaande en enig erfgenaam van [erflater]. Daaruit volgt dat met het overlijden van [erflater] diens vermogensrechten op grond van artikel 3:80 en 4:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op [eiser] zijn overgegaan. Uitbetaling restant eindafrekening 4.3. De vordering tot betaling van het resterende deel van de eindafrekening wordt toegewezen. [gedaagde] betwist deze vordering niet, maar doet een beroep op verrekening met (de waarde van) de mobiele telefoon die zij destijds aan [erflater] ter beschikking heeft gesteld. Het verrekeningsberoep slaagt niet. De tegenvordering waarmee [gedaagde] wil verrekenen bestaat uit vervangende schadevergoeding in plaats van afgifte van de mobiele telefoon. [gedaagde] heeft echter onvoldoende gesteld om deze tegenvordering te kunnen toewijzen of aanvaarden. Zo is niet gesteld of gebleken dat [eiser] in verzuim is komen te verkeren en dat [gedaagde] een omzettingsverklaring heeft uitgebracht, terwijl dit wel wettelijke vereisten zijn voor het recht op vervangende schadevergoeding. Ook is de gestelde schade van € 1.000,- niet onderbouwd. Wat hiervan ook zij, ter zitting is gebleken dat [eiser] bereid is de telefoon aan [gedaagde] terug te geven. [eiser] had dat ter zitting willen doen, maar dat is niet gelukt omdat [gedaagde] niet op de zitting is verschenen. [eiser] heeft ten overstaan van de kantonrechter toegezegd dat hij de telefoon zo spoedig mogelijk na de zitting bij [gedaagde] zal inleveren. De kantonrechter gaat ervan uit dat hij zich aan die toezegging houdt en dat daarmee de kwestie betreffende de mobiele telefoon is afgedaan. 4.4. Gelet op het voorgaande wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van het niet-betaalde deel van de eindafrekening van € 765,69 netto. De wettelijke verhoging en wettelijke rente over dit bedrag worden toegewezen vanaf 30 december 2024, met dien verstande dat de kantonrechter in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet de wettelijke verhoging te matigen tot 25%. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] willens en wetens geweigerd heeft te betalen maar dat zij – naar het oordeel van de kantonrechter weliswaar ten onrechte – het standpunt innam dat zij de vordering mocht verrekenen met een tegenvordering. De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW is verschuldigd over het bruto loon. Daarom zal de wettelijke verhoging worden toegewezen over het bruto- equivalent van € 765,69 netto. 4.5. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf 6 mei 2025, omdat dat de datum is waarop [gedaagde] [eiser] in verzuim is komen te verkeren. Uitbetaling openstaande vakantiedagen 4.6. [eiser] vordert uitbetaling van 65,5 vakantiedagen over de periode van 2020 tot en met 2024: 13 dagen per jaar over 2020 t/m 2023 en 13,5 dag over 2024. [eiser] gaat daarbij uit van het aantal vakantiedagen zoals vastgelegd in de cao voor de Banden & Wielenbranche, die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard. 4.7. [gedaagde] heeft het aantal door [eiser] gestelde vakantiedagen betwist. Onder verwijzing naar een vakantiedagenoverzicht van 2023 stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat het verlofsaldo negatief is, waardoor [eiser] niets meer te vorderen heeft. 4.8. De kantonrechter oordeelt als volgt. Als een werknemer aan het einde van zijn arbeidsovereenkomst een positief vakantiedagentegoed heeft, is de werkgever gehouden dit tegoed aan de werknemer uit te betalen. Indien de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het overlijden van de werknemer, dan moeten de niet-genoten vakantiedagen worden uitbetaald aan de erfgenamen. [eiser] draagt als eiser de stel- en bewijslast van het door hem gevorderde vakantiedagentegoed. Het is vervolgens aan [gedaagde] om het gestelde tegoed (gemotiveerd) te betwisten. [gedaagde] is op grond van de wet verplicht een deugdelijke verlofadministratie bij te houden. Om die reden wordt voor [gedaagde] een verzwaarde motiveringsplicht aangenomen, wat inhoudt dat [gedaagde] haar betwisting van het gestelde verlofsaldo zal moeten onderbouwen aan de hand van een deugdelijke verlofadministratie. 4.9. [gedaagde] heeft een overzicht verstrekt, waarop staat dat er over 2022 64 min-uren zijn en over 2023 100 uren zijn opgebouwd en 48 uren zijn opgenomen. [eiser] heeft er naar het oordeel van de kantonrechter terecht op gewezen dat dit overzicht onvolledig/onjuist is: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.