RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie en Jeugd locatie Haarlem gezagsbeëindiging, ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing zaak-/rekestnrs.: C/15/361265 / FA RK 25-362 (gezagsbeëindiging) C/15/360015 / JU RK 24-1865 (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 4 februari 2025 in de zaak van: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem, hierna te noemen: de Raad. --betreffende-- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] . hierna te noemen: [de minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam. 1Het verloop van deze procedure 1.1. Deze procedure is ingeleid met het op 13 december 2024 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad (ingeboekt onder zaak-/rekestnrs C/15/360015 / JU RK 24-1865). 1.2. Op 24 december 2024 is op de griffie een brief, met bijlagen, ontvangen inhoudende een aanvullend verzoek van de Raad (dit verzoek is na de mondelinge behandeling ingeboekt onder zaak-/rekestnrs C/15/361265 / JU RK 25-362). 1.3. Op 13 januari 2025 is op de griffie een brief, met bijlagen, met (naar de rechtbank begrijpt abusievelijk) datum 20 december 2024, van de GI ontvangen. 1.4. De moeder heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van de rechtbank om kosteloos een advocaat aan haar toe te voegen. 1.5. De rechtbank heeft, na op verzoek van de moeder verleend uitstel, de verzoeken gelet op hun onderlinge samenhang gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 21 januari 2025. Verschenen zijn: de moeder vergezeld door haar partner, [partner] ; [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI; [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad. 1.6. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter met [de minderjarige] over de verzoeken gesproken. 2De feiten 2.1. De moeder en [de vader] , hierna te noemen: de vader, hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. 2.2. Uit deze relatie is [de minderjarige] geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [de minderjarige] . 2.3. De kinderrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 23 december 2008 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling heeft voortgeduurd tot 23 december 2012. 2.4. [de minderjarige] verblijft sinds 28 september 2022 bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] (hierna te noemen: [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] ). 2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 februari 2023 [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld, te weten tot 2 februari 2024. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend van 2 februari 2023 tot 2 februari 2024. 2.6. [de minderjarige] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2023 veroordeeld tot de gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna te noemen: de GBM) voor de duur van twaalf maanden. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2024 is de GBM verlengd met twaalf maanden tot 10 augustus 2025. 2.7. De GBM bestaat er onder meer uit dat [de minderjarige] verblijft: bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] in Marokko tot en met 31 januari 2025, met uitzondering van (aanvankelijk) één weekend per maand waarin hij tot aan zijn terugkeer naar ( [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening]
- in)Nederland bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] in Nederland zal verblijven; bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] in Nederland of soortgelijke instelling tot het aflopen van de GBM maatregel. 2.8. De GI heeft de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel (hierna te noemen: GZBM) ten aanzien van [de minderjarige] . 2.9. De Raad heeft het onderzoek uitgevoerd en geconcludeerd dat er geen GZBM nodig is. 3. Het verzoek C/15/360015 / JU RK 24-1865 3.1. De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een 24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening, te weten bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] in Amsterdam en Marokko, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. C/15/361265 / JU RK 25-362 3.2. De Raad vraagt ook het oordeel van de rechtbank of de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is. Ten aanzien van beide verzoeken 3.3.1. De Raad onderbouwt de verzoeken als volgt. [de minderjarige] heeft in het verleden veel onrust gekend, zoals wisselende woon/verblijfplaatsen en meerdere uithuisplaatsingen en detentieperiodes. [de minderjarige] is kwetsbaar door traumatische gebeurtenissen die hij in het verleden heeft meegemaakt. Hij is in zijn algehele ontwikkeling belemmerd vanwege ernstige problematiek die hij heeft ontwikkeld. Zo is hij onder andere destructief gedrag gaan vertonen naar zichzelf en anderen. Ook heeft [de minderjarige] onvoldoende op zijn ouders kunnen vertrouwen waardoor zijn basisvertrouwen in volwassenen ernstig is geschaad. Inmiddels is [de minderjarige] na verschillende hulpverleningstrajecten en detentieperiodes terecht gekomen bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] , waar hij in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij reflecteert op zijn verleden en toont spijt voor zijn daden ten aanzien van de slachtoffers en zijn eigen omgeving. Ook leert hij zichzelf beter uitdrukken en kan hij zijn gevoelens en behoeften beter delen. Hij laat geen destructief gedrag meer zien, gaat naar school, werkt, sport en volgt therapie. Waar [de minderjarige] zich voorheen verzette tegen hulp en autoriteit, laat hij zich nu helpen en laat hij wilskracht zien in plaats van weerstand. De moeder van [de minderjarige] kampt met haar eigen problematiek waardoor zij emotioneel onvoldoende beschikbaar is geweest en mogelijk nog is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] ervaart niet dat zijn moeder in zijn belang handelt en hij vertrouwt er niet op dat zijn moeder goede beslissingen voor hem kan nemen. Inmiddels heeft hij het contact met zijn moeder verbroken omdat dit hem op dit moment de rust geeft die hij nodig heeft om zich positief te kunnen blijven ontwikkelen. De Raad heeft zorgen over hoe de moeder haar gezag na beëindiging van de eerdere ondertoezichtstelling heeft uitgeoefend, maar ziet nog mogelijkheden die de moeder nu niet aangrijpt. De Raad ziet op dit moment onvoldoende gronden om een gezagsbeëindiging te verzoeken, maar acht het wel in het belang van [de minderjarige] dat er wordt ingegrepen. De Raad is van mening dat de moeder verantwoordelijkheid dient te nemen binnen haar gezagsrol door op korte termijn beslissingen in het belang van [de minderjarige] te gaan nemen/zaken in zijn belang te gaan regelen. 3.3.2. De Raad vraagt daarnaast op verzoek van de GI het oordeel van de rechtbank of de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, omdat de Raad na het doen van onderzoek heeft besloten niet over te gaan tot het indienen van een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel. 3.4. De Raad heeft ter zitting verder het volgende naar voren gebracht. De Raad heeft de indruk dat er wel wat beweging is ontstaan bij de moeder en handhaaft dan ook het standpunt dat een GZBM niet nodig is, maar dat de verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] passende maatregelen zijn. De Raad heeft het idee dat de opstelling van de moeder niet voortkomt uit machtsmisbruik maar uit angst dat het weer misgaat met [de minderjarige] . Als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken dan zal deze er met name op gericht moeten zijn dat er zaken worden geregeld en handtekeningen worden gezet. Daartoe dienen constructieve gesprekken plaats te vinden tussen de moeder en een nieuwe jeugdbeschermer. Ook zal er aandacht moeten zijn voor het contact tussen de moeder en [de minderjarige] . De Raad benadrukt dat als het niet lukt om binnen het kader van de ondertoezichtstelling de benodigde stappen te zetten, er dan een terugmelding gedaan kan worden door de GI waarna de Raad versneld onderzoek zal doen. 4De standpunten De GI 4.1. De GI is van mening dat beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder noodzakelijk is en heeft daartoe in de stukken en ter zitting het volgende naar voren gebracht. Volgens de Raad kan de vraag of de moeder in staat is om binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen niet met nee worden beantwoord omdat de moeder daartoe ten tijde van het beëindigen van de ondertoezichtstelling nog in staat was. De Raad miskent daarmee dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] eerder niet is verlengd, omdat aan [de minderjarige] een GBM was opgelegd met strikte voorwaarden op grond waarvan was bepaald welke hulpverlening [de minderjarige] diende aan te gaan en waar hij zou moeten gaan verblijven. De GI zag hierin voldoende waarborgen om met de moeder in vrijwillig kader verder te werken in het belang van [de minderjarige] . Volgens de Raad zijn er onvoldoende aanwijzingen dat de moeder haar gezag niet meer zou kunnen uitvoeren. De Raad heeft de moeder een dwingende opdracht gegeven om bepaalde zaken voor [de minderjarige] te regelen om een gezagsbeëindiging te voorkomen. Eerder is vele malen gebleken dat de moeder deze zaken niet regelt als daarom door [de minderjarige] , [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] en de GI wordt gevraagd. Als de moeder dit wel doet onder dwang van de Raad dan maakt dit de wijze waarop de moeder uitvoering geeft aan haar gezag niet anders. Er is nog maar korte tijd te gaan totdat [de minderjarige] 18 jaar wordt. Dit jaar moeten er belangrijk beslissingen genomen worden en zaken worden geregeld die geen vertraging mogen oplopen. Daarbij heeft de GI gezien dat [de minderjarige] een positieve ontwikkeling doormaakt sinds hij geen actieve bemoeienis meer ervaart van de moeder. [de minderjarige] zal binnenkort na lange tijd weer terugkeren naar Nederland; een spannende periode waarin hij de nodige triggers zal gaan ervaren. Het is van groot belang dat hij dan in ieder geval ingeschreven is op een school en een bankrekening met pinpas heeft, zodat hij stage kan lopen en zijn financiën zelfstandig met behulp van [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] kan organiseren. De GI voorziet dat de bemoeienis van de moeder zaken zal traineren. Het feit dat de samenwerking tussen de GI, [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] en de moeder is spaak gelopen, is samengelopen met de terugkeer van [de minderjarige] naar Nederland, waar de moeder niet achterstond. De GI kon toen niet anders dan een time-out en vervolgens een omzetting verzoeken. Een ondertoezichtstelling had het verloop hiervan niet anders gemaakt. De GI ziet een ondertoezichtstelling niet bijdragen aan herstel van de band tussen de moeder en [de minderjarige] . Bij een gezagsbeëindiging wordt de verantwoordelijkheid van de moeder om beslissingen te nemen over [de minderjarige] bij haar weggehaald. Hierdoor ontstaat er ruimte om te werken aan onbelast contact wat niet kan worden verstoord door zaken die moeten worden geregeld en waar beiden anders over denken. 4.2. De GI heeft ter zitting verder het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met [de minderjarige] . Hij werkt bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] toe naar zelfstandigheid. De moeder is niet op de hoogte van de stand van zaken rondom [de minderjarige] en de positieve stappen die hij heeft gezet. De GI vreest dat de moeder blijft hangen in het verleden, waardoor [de minderjarige] de positieve ontwikkeling die hij heeft laten zien niet kan voortzetten in Nederland en zijn ontwikkeling zal stagneren. [de minderjarige] ervaart rust nu hij geen contact met de moeder heeft. Desalniettemin is de GI zich bewust van het feit dat het van belang is dat er ingezet wordt op contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder. Het plan was dat [de minderjarige] weer (volledig) terug zou keren naar Nederland, maar dan is het wel van belang dat alles geregeld is en dat is nu nog niet het geval. De moeder heeft nog geen toestemming verleend voor de inschrijving op school en de beschikking over een bankrekening met pinpas. Het kan niet zo zijn dat de moeder nalaat zaken te regelen en zich op de achtergrond houdt. [de minderjarige] heeft nu geen financiële middelen tot zijn beschikking en kan ook geen baan en stageplek regelen. [de minderjarige] heeft daarom gezegd dat hij langer in Marokko wil verblijven omdat hij bang is niet op eigen benen te kunnen staan in Nederland. De voorwaarden van zijn GBM zullen dan gewijzigd moeten worden. Voor het geval de rechtbank zal beslissen niet het verzoek inzake de GZBM toe te wijzen maar [de minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, verzoekt de GI een bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen. De GI kan de moeder niet dwingen om contact met de GI te onderhouden. De GI verwacht in geval van een ondertoezichtstelling dan ook aan de lopende band de gang naar de rechtbank te moeten maken. De GI benadrukt richting de Raad dat er geen andere jeugdbeschermer is die deze zaak op zich kan nemen en dat het ook niet aan de Raad is om zich hier over uit te laten. De moeder 4.3. De moeder vindt de verzoeken overbodig. Ondanks dat er destijds veel hulpverlening betrokken was, heeft [de minderjarige] toch strafrechtelijke feiten kunnen plegen en is hij vermist geweest. Het gaat helemaal niet over geld. [de minderjarige] heeft meerdere keren een bankrekening gehad. Ondanks dat [de minderjarige] onder toezicht was gesteld en er betaalafspraken waren gemaakt, heeft [de minderjarige] daar toch zijn eigen keuzes in kunnen maken. Er is gefraudeerd met de bankrekening en vervolgens is die rekening geblokkeerd. De moeder heeft zich machteloos gevoeld en wil voorkomen dat deze situatie zich nog een keer voordoet; het is drie keer gebeurd. Het is niet zo dat de moeder het [de minderjarige] niet gunt om een bankrekening te hebben, maar zij durft het niet aan. De moeder is het er niet mee eens dat zij wordt beschreven als een moeder die niet meewerkt. De moeder heeft alles gedaan wat er van haar gevraagd werd. Als zij iets moet regelen dan doet zij dat. Het klopt dat er geen contact is tussen de moeder en [de minderjarige] . De moeder moest zichzelf in bescherming nemen nadat zij in april 2024 na een voorval tussen haar en [de minderjarige] een einde aan haar leven wilde maken. De moeder heeft toen laten weten dat zij een stap terug deed maar dat zij schriftelijk benaderd kon worden als er iets nodig was. De moeder heeft zich teruggetrokken om [de minderjarige] de ruimte te geven. Het enigste wat de moeder wil is dat [de minderjarige] gelukkig en veilig is. De moeder heeft zich gewend tot de organisatie Eigen Plan, waar zij in tegenstelling tot andere betrokken hulpverlening wel vertrouwen in heeft. [de minderjarige] 4.4. is het eens met de GI wat betreft de GZBM en kan zich ook vinden in de verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Hij zou het fijn vinden als de huidige jeugdbeschermer bij hem betrokken blijft. Hij heeft al langere tijd geen contact meer met zijn moeder en vindt het lastig dat de moeder niet de benodigde toestemmingen verleend. 5De beoordeling Oordeel GZBM 5.1. Op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW kan de Raad – na het schriftelijke verzoek van de GI om daartoe over te gaan – het oordeel van de rechtbank vragen of de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, indien de Raad heeft besloten om niet tot het indienen van een verzoek tot gezagsbeëindiging over te gaan. Indien de rechtbank van oordeel is dat de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, kan zij dit ambtshalve uitspreken. 5.2. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW het gezag van een ouder beëindigd kan worden, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn of de ouder het gezag misbruikt. 5.3. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. Het heeft [de minderjarige] , een jongen van bijna zeventien jaar oud, tot op heden ontbroken aan een veilige en stabiele thuissituatie. [de minderjarige] is in zijn eerste levensjaren al blootgesteld aan een spanningsvolle, conflictueuze opvoedomgeving waarin huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. De ouders van [de minderjarige] hebben hun relatie verbroken toen [de minderjarige] nog maar een paar maanden oud was. Het ontbreekt [de minderjarige] tot op heden aan onbelast contact met beide ouders. Er is door de jaren heen wisselend wel en geen contact tussen de vader en [de minderjarige] geweest, waarbij ook ontzegging van de omgang heeft plaatsgevonden. Inmiddels hebben de vader en [de minderjarige] wel weer contact. Door de minimale rol die de vader in het leven van [de minderjarige] heeft gespeeld, stond de moeder er alleen voor in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Complicerende factor daarbij is dat de moeder te kampen heeft met persoonlijke problematiek. [de minderjarige] heeft door de jaren heen een neerwaartse spiraal laten zien waarin het steeds slechter met hem ging. Er was sprake van een stagnerende schoolgang, middelengebruik, zorgelijke sociale contacten en delictgedrag. [de minderjarige] heeft wisselende woonplekken gekend. Hij is al van jongs af aan meerdere keren uit huis geplaatst en heeft meerdere keren gedetineerd gezeten. [de minderjarige] verblijft sinds 28 september 2022 bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] . De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij voornoemde beschikking van 2 februari 2023 geoordeeld dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de ontwikkelingsbedreigingen tot op heden nog onverminderd aanwezig zijn. [de minderjarige] verblijft in het kader van zijn GBM nu afwisselend bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] in Marokko en [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] in Nederland. Het is de rechtbank duidelijk dat [de minderjarige] binnen het time-out traject in Marokko een positieve lijn in zijn ontwikkeling heeft laten zien en dat de zorgen op dit moment met name zien op het verstoorde contact tussen de moeder en [de minderjarige] en de invulling die [de minderjarige] aan zijn leven kan en gaat geven zodra hij weer volledig in Nederland gaat verblijven. Oude verleidingen liggen daarbij op de loer en het is dan ook van belang dat aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan om het risico op een terugval te verkleinen en de kans op het vormgeven van een zelfstandig bestaan te vergroten. Onder deze randvoorwaarden valt in ieder geval het hebben van een passende verblijfplaats, deelname aan behandeling / hulpverlening en het hebben van een dagbesteding in de vorm van school, stage, werk. Overeenkomstig zijn GBM zal [de minderjarige] ook na zijn terugkeer naar Nederland in elk geval nog tot medio augustus bij [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] verblijven en ziet het er naar uit dat van daaruit wordt toegewerkt naar de situatie waarin [de minderjarige] op termijn zelfstandig kan gaan wonen. Daarbij zal de hulpverlening bij de Waag kunnen worden voortgezet. Dit neemt niet weg dat er nog diverse zaken geregeld moeten worden waar ook de toestemming van de moeder, de gezaghebbende ouder, voor nodig is. De rechtbank acht het, net als de Raad en de GI, in het belang van [de minderjarige] dat deze beslissingen voortvarend genomen worden om zijn ontwikkeling niet in de weg te staan. Desondanks heeft de moeder zich ook ter zitting niet volmondig bereid verklaard om daar in mee te gaan. Daarbij speelt de betrokkenheid en opdracht van de Raad mogelijk een rol bij de beslissingen die de moeder de afgelopen periode wel genomen heeft. De moeder heeft zich door de jaren heen ambivalent getoond in de samenwerking met de hulpverlening en heeft zich nu al langere tijd helemaal teruggetrokken uit de samenwerking. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] is het noodzakelijk dat er voortvarend gehandeld wordt, waarbij er geen tijd meer is voor strubbelingen en klachtprocedures. De moeder zegt haar medewerking te verlenen wanneer dit nodig is, maar geeft hier niet steeds zonder meer uitvoering aan. Daarbij acht de rechtbank het evenmin in het belang van [de minderjarige] dat de moeder haar instemming heeft onthouden voor het verlenen van medewerking door onder meer [24-uurs voorziening voor jeugdhulpverlening] en de individueel therapeut van [de minderjarige] ten behoeve van het raadsonderzoek. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de moeder van [de minderjarige] houdt en het beste met hem voor heeft. Door de manier waarop de moeder invulling geeft aan haar gezag gaat er echter kostbare tijd verloren. Haar goede bedoelingen werken daardoor alleen maar averechts. Al het voorgaande maakt dat de rechtbank niet de overtuiging heeft gekregen dat de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor [de minderjarige] te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Aan de vereisten voor gezagsbeëindiging volgens 1:266, eerste lid, BW is daarmee voldaan. 5.4. De rechtbank moet het verzoek ook toetsen aan artikel 8 EVRM. Als het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, moet deze volgens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verkozen worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. In het geval van een gezagsbeëindiging moet daadwerkelijk gebleken zijn dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Een gezagsbeëindiging is namelijk een zeer zwaar middel dat alleen in uitzonderlijke gevallen dient te worden toegepast. Zie ook het uitgebreide arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 13 januari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:76). 5.5. Gelet op het bovenstaande moet de rechtbank afwegen of er minder ingrijpende alternatieven voor de hand liggen. Anders dan de Raad, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing acht de rechtbank niet een aanvaardbaar alternatief. Op grond van artikel 1:255 BW moet er een gerechtvaardigde verwachting bestaan dat moeder binnen een, gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige, aanvaardbaar te achten termijn in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen. Deze verwachting bestaat niet. Daarbij staat de moeder ook niet achter de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en heeft zij alleen vertrouwen in de tussenkomst van de organisatie Eigen plan. De rechtbank ziet dit daarom niet als een geschikt alternatief. De afgelopen periode is gebleken dat de moeder in het kader van de GBM niet meer bereid was om de samenwerking met de GI aan te gaan en de benodigde gezagsbeslissingen voortvarend te nemen. [de minderjarige] heeft hier last van gehad waardoor de gecompliceerde verstandhouding tussen [de minderjarige] en de moeder nog verder onder druk is komen te staan. Het is van belang dat [de minderjarige] de rust en de ruimte krijgt om de benodigde behandeling(
- en)te ondergaan en zijn leven op de rit te krijgen voordat hij meerderjarig wordt. Ook is het van belang dat hij zich niet langer zorgen hoeft te maken over het feit dat noodzakelijke beslissingen niet genomen worden. Voortzetting van de gezagsverhouding is in dit geval, gelet op al het hiervoor overwogene, schadelijk voor [de minderjarige] . De rechtbank is daarom van oordeel dat een gezagsbeëindiging in dit geval proportioneel is en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM. De rechtbank spreekt de verwachting uit dat als de gezagsbeslissingen niet meer tussen [de minderjarige] en zijn moeder in staan, er dan ruimte ontstaat voor contactherstel tussen [de minderjarige] en zijn moeder. 5.6. Nu de rechtbank van oordeel is dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is, zal zij op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW ambtshalve het gezag van de moeder beëindigen. 5.7. Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de GI de voogdij over hem heeft en zal de GI daarom tot voogdes benoemen. 5.8. Nu het gezag van de moeder zal worden beëindigd en de GI tot voogdes zal worden benoemd, wordt (anders dan wat in het voorgaande al is overwogen) niet toegekomen aan de verzoeken van de Raad inzake de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] nu, gelet op artikel 1:326 van het BW, een ondertoezichtstelling niet kan samengaan met een maatregel van voogdij opgedragen aan een GI. 6De beslissing De rechtbank: 6.1. beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , [land] , over: - [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ; 6.2. benoemt tot voogdes over [de minderjarige] : - de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregister een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister; 6.5. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.A Onderwater, voorzitter, en mrs J. Lintjer en C.E. Voskens, leden van deze kamer, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. van Koutrik als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.