RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11525574 \ CV EXPL 25-459 Vonnis van 20 augustus 2025 in de zaak van [eiseres] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. B.H.A. Brauers, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. C.H.J. Palmen. De zaak in het kort Eiser is een zorgverlener en vordert betaling van zorgkosten na het beëindigen van de zorg vanwege een conflict over de zorgverlening aan de echtgenoot van gedaagde. De kantonrechter oordeelt dat eiser zelf de zorg voortijdig heeft beëindigd en daarom geen recht heeft op verdere betaling. Ook oordeelt de kantonrechter dat de kritische brief van gedaagde grotendeels persoonlijke beleving weergeeft en eiser onrechtmatige laster onvoldoende onderbouwt. Alle vorderingen van eiser worden afgewezen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 21 januari 2025 met producties, de conclusie van antwoord van 5 maart 2025 met producties, het tussenvonnis van 19 maart 2025, de akte houdende extra producties van 25 juni 2025 van de zijde van [gedaagde] , de akte houdende extra producties van 27 juni 2025 van de zijde van [eiseres] , de mondelinge behandeling van 8 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen hebben vanaf 9 oktober 2018 meerdere en opeenvolgende overeenkomsten van opdracht gesloten op grond waarvan [eiseres] zorg en dagbesteding leverde aan de echtgenoot van [gedaagde] , [echtgenoot] , en waarbij [gedaagde] als vertegenwoordiger voor haar echtgenoot optrad. [echtgenoot] had te maken met de ziekte Parkinson en daarom zorg en begeleiding nodig. 2.
- Partijen hebben de voorwaarden voor de zorgverlening vastgelegd in een raamovereenkomst voor onbepaalde tijd, die beide partijen op 9 oktober 2019 hebben ondertekend. 2.
- Op 10 mei 2022 zijn partijen een wijziging aan de overeenkomst overeengekomen waarin partijen afspreken hoeveel zorg [eiseres] zou verlenen, en waarin werd vastgelegd dat de vergoeding voor die zorg per april € 6.775,16 per maand zou bedragen. 2.
- Partijen administreerden de zorg via Zorgkantoor VGZ (hierna: VGZ). De betaling aan [eiseres] verliep daarbij via het persoonsgebonden budget van [echtgenoot] , waarbij het in 2.4 genoemde maandbedrag werd uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB). 2.
- Tussen partijen ontstond een verschil van inzicht over de wijze waarop de zorg verleend diende te worden. Partijen kwamen vervolgens omstreeks 14 november 2022 overeen om de zorg per 31 december 2022 te beëindigen. [gedaagde] heeft hiervoor een door [eiseres] ingevulde en medeondertekende wijzigingsbrief aan VGZ verstuurd waarin partijen de beëindiging van de zorg per voornoemde datum melden. VGZ heeft dit per brief van 16 november 2022 bevestigd. 2.
- Op 6 december 2022 vond in het huis van [gedaagde] een emotioneel geladen gesprek plaats tussen [gedaagde] en [eiseres] in de personen van [eiseres] (hierna: [eiseres] ) en [naam] (hierna: [naam] ) over de samenwerking en eventuele uitlatingen daarover door [gedaagde] richting derden. [eiseres] heeft van dit gesprek een geluidsopname gemaakt. Kort na het moment dat de broer en schoonzus van [gedaagde] het huis binnentraden, hebben [eiseres] en [naam] het gesprek voortijdig beëindigd en het huis verlaten. 2.
- [eiseres] stuurde vervolgens in de avond van 6 december 2022 een emailbericht aan [gedaagde] met onder andere de volgende mededeling: “Zoals vanmiddag mondeling al met jou besproken voel ik mij genoodzaakt per direct de zorg van [eiseres] aan [echtgenoot] te beëindigen. Wij komen morgen dus niet voor [echtgenoot] . Er geldt inderdaad een zorgplicht in Nederland. Tevens is het feit dat ik naar mijn personeel toe een plicht heb, een plicht om een veilige werkomgeving te garanderen. Het is niet de bedoeling dat wij met pijn in ons buik naar ons werk gaan. Op dit moment vind ik de veiligheid van mijn personeel zwaarder wegen, vooral omdat [echtgenoot] geen zorg onthouden wordt omdat jij dit zelf kunt doen of iemand anders kunt regelen.” 2.
- Op 7 december 2022 heeft [gedaagde] een door haar aangepaste versie van de brief genoemd in 2.6 aan VGZ gestuurd, waarin ze VGZ bericht dat de overeenkomst op 6 december 2022 is beëindigd. 2.
- Op 23 februari 2023 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan [eiseres] , gericht aan [eiseres] , met haar visie over de samenwerking en verwijten richting vooral [eiseres] , de houder van de eenmanszaak. 2.
- Op 10 mei 2023 heeft de SVB bij wijze van verrekening in het dossier [gedaagde] een bedrag van € 5.645,97 ingehouden op uitkeringen in andere dossiers. De SVB lichtte op 10 augustus 2023 hierover toe dat ze dit bedrag had ingehouden omdat [eiseres] feitelijk geen zorg meer heeft verleend aan [echtgenoot] na 6 december 2022, en dat de betaling van het volledige maandbedrag daardoor niet gerechtvaardigd was. 2.
- Op 16 januari 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] aangesproken tot betaling van € 5.645,
- 3Het geschil 3.
- [eiseres] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag € 7.488,92, te vermeerderen met wettelijke rente, II. voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens [eiseres] door het verspreiden van de brief van 23 februari 2023 en uitlatingen van dezelfde strekking en aansprakelijk is jegens [eiseres] voor de als gevolg daarvan geleden en te lijden schade op te maken bij staat, III. [gedaagde] veroordeelt tot het doen van schriftelijke opgave aan eiseres van alle partijen van wie zij de brief 23 februari 2023 of berichten en (mondelinge) mededelingen van gelijke strekking heeft overgebracht onder overlegging van een kopie van de verzonden berichten, IV. [gedaagde] veroordeelt tot het openbaar maken van een rectificatie door het versturen van de als productie 18 opgenomen brief aan alle partijen aan wie zij de brief van 23 februari 2023 of brieven en/of mededelingen van gelijke strekking heeft gedaan, V. [gedaagde] het verbod oplegt na voormelde rectificatie zich op gelijke wijze over eiseres uit te laten en/of de gedane rectificatie met nadere berichten af te zwakken, VI. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 15.000,00, VII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure 3.
- [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Eerste geschilpunt: gevolgen tussentijds einde zorgovereenkomst 4.
- Tussen partijen staat vast dat vanaf 6 december 2022 feitelijk geen zorg is geleverd door [eiseres] aan [echtgenoot] . Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde] gehouden is het restant van de gebruikelijke maandvergoeding over de maand december 2022 te voldoen. Geen verhindering van nakoming 4.
- [eiseres] stelt dat zij bij wijze van schadevergoeding recht heeft op de volledige vergoeding voor de maand december 2022 omdat [gedaagde] het [eiseres] heeft verhinderd om haar verplichtingen uit de zorgovereenkomst na te komen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] in de dagen voorafgaand aan 6 december 2022 negatieve en onjuiste uitlatingen gedaan over [eiseres] tegenover derden, wat de verhoudingen ernstig (verder) heeft verstoord. Tijdens het gesprek op 6 december 2022 heeft [gedaagde] , aldus [eiseres] , geweigerd dit uit te spreken. Door deze houding ontstond volgens [eiseres] een zodanig onwerkbaar en onveilig werkklimaat dat zij geen personeel meer naar de [gedaagde] kon sturen. De beslissing om de zorgverlening per direct te staken vloeide, naar zeggen van [eiseres] , voort uit dit door [gedaagde] veroorzaakte klimaat. 4.
- [gedaagde] betwist dat zij [eiseres] heeft belet om de werkzaamheden uit te voeren. Zij voert aan dat het juist [eiseres] in de personen van [eiseres] en [naam] zelf was die tijdens het gesprek van 6 december 2022 voortijdig is opgestaan en is vertrokken. Ook wijst ze op de email die [eiseres] na dit gesprek heeft gestuurd waarin [eiseres] meedeelt dat zij de zorgverlening per direct beëindigt (zie 2.7). Volgens [gedaagde] ligt de keuze om de werkzaamheden te staken daarom bij [eiseres] en niet bij haar. [gedaagde] vindt dus dat er geen sprake is geweest van feitelijke verhindering. Daarnaast betwist ze dat ze negatieve of onjuiste uitlatingen heeft gedaan. 4.
- Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] de werkzaamheden van [eiseres] heeft verhinderd. Het gesprek van 6 december 2022 vond plaats tegen de achtergrond van de al langer bestaande verslechterde verstandhouding en, zoals ook blijkt uit de overgelegde geluidsopname, kan worden aangemerkt als emotioneel en onprettig. De inhoud en het verloop van dat gesprek bieden echter onvoldoende steun voor de stelling dat [gedaagde] door haar houding de uitvoering van de zorg onmogelijk heeft gemaakt. Ook spanningen of meningsverschillen, waarvan tussen partijen niet in geschil is dat die bestonden, leveren op zichzelf onvoldoende grond op voor het aannemen van een verhindering zoals door [eiseres] gesteld. Bovendien is het niet duidelijk dat de ontstane situatie aan [gedaagde] is te wijten. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de kantonrechter tot het oordeel dat ook de opstelling van [eiseres] zelf hierbij een rol heeft gespeeld. Geen recht op loon op grond van 7:411 BW 4.
- Het subsidiaire standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] het loon verschuldigd is op grond van artikel 7:411 BW leidt ook niet tot toewijzing van de vordering. Dit artikel bepaalt dat indien de opdracht eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken en de verschuldigdheid van het loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, de opdrachtnemer recht heeft op betaling van een redelijk loon. Zoals hiervoor vastgesteld, is de overeenkomst door toedoen van [eiseres] zelf op 6 december 2022 feitelijk beëindigd, terwijl partijen eerder gezamenlijk hadden afgesproken dat de zorg per 31 december 2022 zou eindigen. Omdat niet is gebleken van gedragingen van [gedaagde] die deze vervroegde beëindiging rechtvaardigden, betekent dit dat de gevolgen van de voortijdige beëindiging voor rekening en risico van [eiseres] komen. Geen schade door aangepast wijzigingsformulier 4.
- Als laatste voert [eiseres] aan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij op 7 december een reeds eerder door [eiseres] ingevuld en ondertekend wijzigingsformulier eenzijdig en zonder goedkeuring heeft aangepast met een nieuwe beëindigingsdatum, en deze heeft opgestuurd naar VGZ. Zodoende heeft [gedaagde] VGZ verkeerd ingelicht omdat ze de indruk heeft gewekt dat [eiseres] die versie van het formulier heeft ondertekend. [gedaagde] heeft erkend dat zij dit zonder instemming of medeweten van [eiseres] heeft gedaan. Dit is op zichzelf onrechtmatig en heeft geleid tot de beslissing van VGZ om de vergoeding voor de zorgverlening na 6 december in te trekken. Dit betekent echter niet dat de misgelopen vergoeding als schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad moet worden toegewezen. Daartoe is redengevend dat [eiseres] , zoals hiervoor vastgesteld, zelf de zorg feitelijk heeft beëindigd op 6 december en daardoor geen recht op vergoeding meer had. Niet het informeren van VGZ maar het beëindigen van de zorg leidde tot verval van recht op de vergoeding, en daarmee ontbreekt het causaal verband tussen de tekortkoming en de gevorderde schade. 4.
- De conclusie is dat de kantonrechter de geldvordering zal afwijzen. Tweede geschilpunt: laster en rectificatie 4.
- Het tweede geschilpunt tussen partijen betreft de brief van 23 februari 2023 (hierna: de brief) die [gedaagde] buiten [eiseres] ook heeft verstuurd aan enkele andere betrokkenen. De overige vorderingen van [eiseres] zien op deze brief en uitlatingen, en hebben als strekking dat [gedaagde] dit niet had mogen doen, dat [gedaagde] de brief moet rectificeren en dat [gedaagde] zich verder moet onthouden van het doen van gelijksoortige uitlatingen over [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] met deze brief moedwillig onjuiste informatie verspreid met het doel om de reputatie van [eiseres] te schaden, en is het verspreiden van de brief (en het mondeling verspreiden van soortgelijke informatie) daarom onrechtmatig. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar een door haar opgestelde conceptrectificatiebrief, waarin ze aangeeft welke passages van de brief van [gedaagde] volgens haar onjuist zijn. 4.
- [gedaagde] betwist dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt. Volgens [gedaagde] is de brief slechts een emotionele weerslag van de meerjarige samenwerking. Ook stelt [gedaagde] dat ze de brief alleen heeft verstrekt aan het sociaal team van de Gemeente Bergen en de fysiotherapeut en ergotherapeut van [echtgenoot] omdat deze partijen betrokken waren bij de zorg van [echtgenoot] . Van een bredere verspreiding of het doelbewust beschadigen van de reputatie van [eiseres] zou geen sprake zijn geweest, aldus [gedaagde] . 4.
- De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Kring van verspreiding 4.
- [eiseres] vordert opgave van partijen aan wie [gedaagde] de brief heeft verstuurd en aan wie ze soortgelijke mededelingen heeft gedaan. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord opgave gedaan van de partijen aan wie ze de brief heeft verzonden. [eiseres] onderbouwt vervolgens haar stelling niet dat [gedaagde] de brief aan andere personen of instanties heeft verzonden. Zonder concrete aanwijzing voor verdere verspreiding ontbreekt een rechtens te respecteren belang voor toewijzing van deze vordering. Onrechtmatigheid uitlatingen 4.
- Met uitzondering van de hierna te bespreken kwestie omtrent de BIG-registratie, onderbouwt [eiseres] haar stellingen over de onjuistheid van de overige passages in de brief onvoldoende. De enkele stelling dat een uitlating onjuist is, volstaat niet. In het licht van de betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiseres] gelegen om met concrete en verifieerbare feiten aan te tonen dat de gewraakte passages feitelijke onjuistheden bevatten. Dat heeft zij niet gedaan. 4.
- Daarbij komt dat een aanzienlijk deel van de brief naar zijn aard bestaat uit de persoonlijke beleving van [gedaagde] . Zulke uitlatingen lenen zich niet voor een beoordeling op juistheid en kunnen daarom niet als onrechtmatig worden aangemerkt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die hier niet zijn gesteld of gebleken. 4.
- Wel is uit het verhandelde ter zitting voldoende duidelijk geworden dat de uitlating van [gedaagde] in de brief dat [eiseres] niet beschikt over een BIG-registratie onjuist is. Toch maakt dit niet dat het verspreiden van de brief daarmee onrechtmatig is. Het gaat namelijk om een enkelvoudige en eenvoudig te verifiëren onjuistheid (het BIG-register is openbaar) waarvan [eiseres] niet duidelijk maakt dat het schade bij haar heeft opgeleverd. Mede gelet op de beperkte kring van mensen die de brief hebben ontvangen, heeft deze onjuistheid onvoldoende gewicht om tot een toewijzing van de vordering te komen. Rectificatie en verbod op uitlatingen 4.
- [eiseres] vordert ook een verbod op vergelijkbare uitlatingen over haar, op straffe van een dwangsom. Voor toewijzing van een dergelijk verbod is vereist dat sprake is van (dreigend) onrechtmatig handelen. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan geen sprake. De brief bevat, afgezien van de hiervoor besproken feitelijke onjuistheid, voornamelijk subjectieve uitlatingen. Onder deze omstandigheden ontbreekt een toereikende grondslag voor het opleggen van het gevorderde verbod en de daarmee gevorderde dwangsom. 4.
- Ten slotte vordert [eiseres] rectificatie van haar uitlatingen, maar ook deze vordering zal op grond van het voorgaande worden afgewezen. 4.
- De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres] in hun geheel zullen worden afgewezen. 4.
- [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 813,00 5De beslissing De kantonrechter 5.
- wijst de vorderingen van [eiseres] af, 5.
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door N. Ćulafić en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025.