RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/359669 / JU RK 24-1810 ( [de minderjarige 1] ) en C/15/359666 / JU RK 24-1807 ( [de minderjarige 2] ) Datum uitspraak: 27 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaken van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over (C/15/359669 / JU RK 24-1810) [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] , en (C/15/359666 / JU RK 24-1807) [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] . De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. R.H. Bouwman, kantoorhoudende te Amsterdam, [de vader] , de vader van [de minderjarige 2] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] , en in de zaak C/15/359669 / JU RK 24-1810 ( [de minderjarige 1] ): [de grootouder 1] en [de grootouder 2], de grootouders moederszijde, hierna te noemen: de grootouders (mz), wonende te [plaats] , en tot slot in de zaak C/15/359666 / JU RK 24-1807 ( [de minderjarige 2] ): [de oom] , de oom vaderszijde, hierna te noemen: de oom (vz), wonende te [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: in de zaak met nummer C/15/359669 / JU RK 24-1810 ( [de minderjarige 1] ) het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 3 december 2024, ontvangen op 4 december 2024; het bericht van de GI, met bijlagen, van 17 januari 2025; in de zaak met nummer C/15/359666 / JU RK 24-1807 ( [de minderjarige 2] ) het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 3 december 2024, ontvangen op 4 december 2024; het bericht van de GI, met bijlagen, van 17 januari 2025; 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ; de grootouders (mz); de oom (vz). 1.3. De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.4. De kinderrechter heeft na afloop van de zitting de pleitnota van mr. Bouwman ontvangen. 2De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] . 2.2. De kinderen verblijven sinds november 2022 in een pleeggezin binnen het eigen netwerk. [de minderjarige 1] verblijft de grootouders (
- mz)in [plaats] . [de minderjarige 2] verblijft bij de oom (
- vz)in [plaats] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 februari 2024 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 2 februari 2025. Bij diezelfde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend tot 2 november 2024, welke machtiging daarna bij beschikking van 31 oktober 2024 is verlengd tot de einddatum van de ondertoezichtstelling, namelijk tot 2 februari 2025. 3Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft deze verzoeken als volgt onderbouwd. Sinds november 2022 woont [de minderjarige 1] bij opa en oma (
- mz)en [de minderjarige 2] bij oom (vz), maar zij komen graag bij hun moeder en hebben nog steeds de wens om daar te wonen. De moeder is affectief en houdt zichtbaar veel van haar kinderen. Met [de minderjarige 1] gaat het goed. Hij doet het goed in de brugklas van de middelbare school en volgt therapie voor zijn PTSS bij Youz. Met [de minderjarige 2] gaat het ook goed. Ze is een vrolijke meid met veel vriendinnen. De GI heeft onderzocht of de kinderen veilig terug kunnen naar hun moeder en wat de kinderen en het hele systeem eromheen nodig hebben om de veiligheid te kunnen waarborgen. De omgang is in november 2024 weer uitgebreid. De kinderen zijn iedere week allebei twee nachten bij de moeder, met één nacht overlap. Daarnaast zijn de kinderen ook om het weekend van zaterdag op zondag bij de moeder. Deze omgang verloopt positief, echter hebben de onderlinge verhoudingen tussen de volwassenen in het afgelopen jaar voor ruis gezorgd. Daarnaast hebben de GI en het systeem zorgen over de partner van de moeder en zijn rol in het leven van de kinderen. In het afgelopen ondertoezichtstellingsjaar heeft de moeder aan haar verslavingsproblematiek gewerkt. Zij krijgt hiervoor hulpverlening van De Brijder. De GI heeft met de moeder afgesproken om wekelijks een plastest te overhandigen. Na één positieve test in augustus 2024 heeft dit een tijdje stilgelegen, waarna de moeder in november 2024 drie opeenvolgende negatieve testen heeft overhandigd. De GI acht het van belang dat de moeder deze testen blijft overhandigen. De moeder heeft daarnaast in februari 2024 haar therapie gericht op haar PTSS afgerond. De therapeut die de systeemtherapie geeft, heeft individuele therapie aan de moeder aangeboden, gericht op haar weerbaarheid en het verwerken van alles wat er met de kinderen is gebeurd. Dit eveneens ter voorkoming van een terugval, de moeder heeft hier geen gebruik van gemaakt. Al met al is er nog onvoldoende zicht op moeders gebruik en de kans op terugval, waardoor dit doel niet geheel behaald is. Dit heeft als gevolg dat er nog steeds geen duidelijk perspectief voor de kinderen is of een volledige terugplaatsing bij de moeder mogelijk is. Aan het begin van het ondertoezichtstellingsjaar waren er zorgen over de houding van het netwerk naar de hulpverlening en naar elkaar. Door de onderlinge verhoudingen tussen de familieleden werd er niet altijd in het belang van de kinderen gehandeld/gedacht. Er werden onderling andere afspraken gemaakt dan hetgeen met de hulpverlening was afgesproken. Het doel is dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet met de onderlinge verhoudingen binnen het systeem belast worden. Hiervoor is systeemtherapie ingezet. Het systeem staat wisselend tegenover deze sessies en heeft er weinig vertrouwen in dat het zin gaat hebben. Daarnaast zijn de moeder en oom niet altijd aanwezig geweest. De GI en de therapeut achten voortzetting van de systeemtherapie nodig omdat er veel boven tafel komt over onderliggende patronen en wantrouwen naar elkaar. Er wordt nog altijd geen volledige openheid gegeven naar de hulpverlening en er worden onderling verzoeken over de kinderen gedaan waar de hulpverlening niet altijd van op de hoogte wordt gesteld. Om deze reden is het doel niet behaald. Wanneer deze afspraken verbroken worden zorgt dit voor verwarring en onrust bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , wat niet goed is voor hun emotionele ontwikkeling. In het komende ondertoezichtstellingsjaar zal door de GI gewerkt worden aan de volgende doelen: De moeder krijgt de benodigde hulp bij het blijvend nuchter zijn. Hierbij acht de GI de betrokkenheid van De Brijder noodzakelijk. De GI vindt het in het belang van de moeder en de kinderen dat de moeder individuele hulpverlening krijgt voor het versterken van haar weerbaarheid en standvastigheid en om te leren omgaan met alles wat er met haar en haar kinderen gebeurt. Systeemtherapie dient te worden voortgezet om het vertrouwen in elkaar terug te krijgen en gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de veiligheid voor de kinderen te kunnen dragen. De omgang dient nog steeds eens per week begeleid te worden door Nicare om de interactie tussen de moeder en de kinderen te observeren en daarnaast dient de hulpverlener als vertrouwenspersoon voor de moeder. Samenvattend is de GI van mening dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd omdat de ingezette hulp nog niet het beoogde resultaat heeft gehad. Op basis daarvan dient de ondertoezichtstelling verlengd te worden. 3.2. Op de zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat de kinderen de afgelopen maand doordeweeks twee nachten bij de moeder hebben verbleven en dat zij ook om de week een weekend bij de moeder verblijven. De GI heeft met het systeem afgesproken dat onderling afgestemd mag worden of de moeder het aan kan dat de kinderen ook op de vrijdag bij haar verblijven, waardoor ze (om de week) van woensdag tot en met zondag bij haar zijn. Zowel de moeder als de kinderen zijn hier blij mee. Iedere week is er vanuit Nicare gedurende twee uur een omgangsbegeleider bij de omgang aanwezig om te kijken hoe de omgang verloopt. Deze begeleider is een vertrouwenspersoon voor de moeder en daarmee van groot belang. Hiernaast is door de GI aangegeven dat het met de beide kinderen goed gaat. Zij maken vriendjes en het gaat goed op school met ze. [de minderjarige 1] volgt therapie bij YOUZ en ook dat gaat goed. [de minderjarige 2] heeft onlangs aangegeven dat zij het fijn bij de moeder vindt, maar het tegelijkertijd lastig vindt dat ze zich steeds moet verplaatsen en een tas moet uitpakken. Zij zou het liefst doordeweeks bij de moeder verblijven. Ook [de minderjarige 1] wil het liefst het grootste deel van de tijd bij de moeder verblijven. De GI denkt dat het komende half jaar nodig te hebben om de machtiging tot uithuisplaatsing om te gaan zetten in een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedtaken, waar alle betrokken opvoeders zich goed in kunnen vinden. Het kan zijn dat dit doel al over twee maanden wordt bereikt, maar de GI acht een zekere marge van belang en wijst er daarbij ook op dat het ook weleens minder goed is gegaan. Ook acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling met twaalf maanden nodig om tot de conclusie te kunnen komen dat het bij de moeder thuis goed genoeg gaat. Daarbij is met de moeder afgesproken dat het afnemen van plastesten, wat de afgelopen periode niet zoals gehoopt heeft plaatsgevonden, de komende tijd goed van de grond zal gaan komen. Tot slot is door de GI aangegeven dat het van belang dat de systeemtherapie de komende tijd wordt voortgezet. 4De standpunten De moeder 4.1. Door en namens de moeder is op de zitting aangegeven dat zij niet de illusie heeft dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet verlengd zullen worden. Wel heeft zij aangevoerd dat de voor de ondertoezichtstelling verzochte verlengingstermijn te lang is. Volgens haar zou een verlenging voor de duur van zes maanden voor zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing voldoende moeten zijn, waarbij het zelfs zo kan zijn dat de komende tijd blijkt dat die termijn verkort kan worden. Zij wijst er daarbij op dat de maatregelen een wissel op alle betrokkenen trekken en er ook toe kunnen leiden dat de betrokkenen overvraagd worden. Tot slot is door de moeder aangegeven dat zij de afgelopen periode, met de hulp van de GI en Nicare, veel grote stappen heeft gezet. 4.2. De moeder heeft bij de GI aangegeven dat zij het liefst wil dat de kinderen terug bij haar komen. Ze vindt dat ze zichzelf bewezen heeft. Een eventuele terugval in drugs en/of alcohol ziet de moeder niet gebeuren en dit zou iedereen kunnen gebeuren. Ze begrijpt wel dat hulpverlening op sommige gebieden nodig is, maar denkt niet dat individuele therapie haar kan helpen. De vader 4.3. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij zich in het verzoek van de GI kan vinden, maar ook begrijpt dat de moeder aanvoert dat de ondertoezichtstelling slechts met zes (en niet twaalf) maanden verlengd zou moeten worden. Hij wijst erop dat de maatregelen vanzelf niet meer nodig zullen zijn als het systeem op de huidige weg zal doorgaan. 4.4. De vader heeft bij de GI aangegeven dat hij begrijpt dat de GI betrokken wil blijven voor de veiligheid van de kinderen. Hij zou evenwel het liefst op meer flexibele basis, zonder alle afspraken met hulpverlening, met iedereen over de kinderen willen communiceren. De grootouders (
- mz)4.5. De grootouders (
- mz)hebben op de zitting aangegeven dat zij zich afvragen of de door de GI verzochte verlengingstermijnen niet te lang zijn omdat [de minderjarige 1] – bij toewijzing van de verzoeken – bijna drie jaar bij hen zal verblijven. De grootmoeder heeft aangegeven dat zij trots is op hoe de moeder het nu doet en de grootvader wijst erop dat het, als het goed gaat, voor [de minderjarige 1] van belang is om te weten wanneer hij terug naar huis mag. 4.6. De grootouders (
- mz)hebben bij de GI aangegeven dat zij het vervelend vinden dat er zoveel gezegd wordt over ‘het systeem’. Zij vinden dat zij het goed doen en dat zij zich aan alle afspraken met de hulpverlening houden. De oom (
- vz)4.7. De oom (
- vz)heeft op de zitting aangegeven dat hij het van belang acht dat [de minderjarige 2] in een veilige opvoedsituatie opgroeit. Het gaat goed met haar en de oom (
- vz)is bereid om haar nog een half jaar langer op te vangen en aan de systeemtherapie mee te werken. 4.8. De oom (
- vz)heeft bij de GI aangegeven dat hij door alles wat zich in het verleden heeft afgespeeld nog huiverig is over een terugplaatsing van [de minderjarige 2] bij de moeder. Ook heeft hij twijfels in hoeverre systeemtherapie voor dit systeem zin heeft. 5De mening van [de minderjarige 1] 5.1. heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij graag bij zijn moeder zou willen wonen. Hij heeft het naar zijn zin bij zijn grootouders, maar geeft ook aan dat hij dit niet meer als logeren ervaart. Het wordt voor hem te normaal dat hij bij zijn grootouders verblijft, terwijl dit niet is wat hij voor ogen heeft. Indien het (nog) niet mogelijk is dat hij weer bij de moeder gaat wonen, vindt hij het prima om de komende tijd bij zijn grootouders te blijven wonen. 6De beoordeling ten aanzien van de ondertoezichtstelling 6.1. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat eruit dat de kinderen in een onveilige thuissituatie zijn opgegroeid. De situatie was onveilig doordat moeder een alcohol- en drugsprobleem heeft en er vaak ruzies en geweld tussen haar en derden waren. De kinderen zijn daar getuige en/of slachtoffer van geweest. De kinderrechter constateert dat van een positieve ontwikkeling sprake is, maar acht deze nog te pril en kwetsbaar om naar het vrijwillig kader af te schalen. Zo is er nog onvoldoende zicht op moeders gebruik en de kans op terugval en is gebleken dat de (verdere) inzet van systeemtherapie nog noodzakelijk is ter verbetering van de onderlinge verhoudingen. Ook moet er nog worden toegewerkt naar een verdeling van de zorg- en opvoedtaken waar elke betrokken opvoeder zich in kan vinden. Het voorgaande zal het nodige van de betrokkenen vergen en de kinderrechter vindt het daarom van belang dat de GI betrokken blijft om te bewerkstelligen dat er een goede zorgregeling tot stand komt en om erop toe te zien dat de ingezette hulpverlening goed blijft verlopen. 6.2. Hiernaast blijkt dat de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouder die het gezag uitoefent (in het geval van [de minderjarige 1] )/de ouders die het gezag uitoefenen (in het geval van [de minderjarige 2] ) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zal/zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. 6.3. Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De ondertoezichtstelling zal voor een jaar worden verlengd en niet – zoals namens de moeder bepleit – voor slechts zes maanden omdat de kinderrechter het met de GI, mede gelet op de aanwezige problematiek, noodzakelijk acht dat er voldoende tijd zal zijn om aan de gestelde doelen te werken. Zo moet de GI in staat zijn om na afloop van de machtiging tot uithuisplaatsing te monitoren hoe het met de kinderen bij de moeder thuis gaat, gelet op de nieuwe dynamiek die dan ontstaat, en of de inzet van (andere) hulpverlening noodzakelijk is. ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing 6.4. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het netwerk noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). Uit wat hiervoor in het kader van de ondertoezichtstelling is overwogen, blijkt dat de moeder goede stappen heeft gezet, maar dat deze positieve ontwikkeling nog te pril is voor een directe thuisplaatsing van de kinderen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven al enige tijd bij grootouders (
- mz)respectievelijk oom (
- vz)en de kinderrechter acht het van belang dat de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden wordt verlengd om te voorkomen dat overhaast wordt gehandeld. De GI zal de komende tijd met het systeem naar een zorgregeling gaan toewerken en heeft aangegeven dat de termijn van zes maanden korter kan zijn als dit doel eerder bereikt wordt. 7De beslissing De kinderrechter: in de zaak met nummer C/15/359669 / JU RK 24-1810 ( [de minderjarige 1] ) 7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] tot 2 februari 2026; 7.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 augustus 2025; 7.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; in de zaak met nummer C/15/359666 / JU RK 24-1807 ( [de minderjarige 2] ) 7.4. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] tot 2 februari 2026; 7.5. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 augustus 2025; 7.6. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025 door mr. M.C.A Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.E.J. Bruinen als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari 2025. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.