RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.152170.24 en 13.067102.22 (tul) Uitspraakdatum: 23 september 2025 Tegenspraak Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 september 2025 in de zaak tegen: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres], thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Almelo. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. Booij, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. A.W.J. van Galen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging De verdachte wordt, kort en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich op 1 februari 2024 heeft schuldig gemaakt aan de volgende feiten: Feit 1: medeplegen van een poging tot het veroorzaken van een ontploffing bij de woning aan de [A-straat] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit; Feit 2: medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing bij de woning aan de [adres B] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit; Feit 3: voorhanden hebben van twee stuks professioneel knalvuurwerk (Cobra 6). De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. 2Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel “levensgevaar en/ of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander” omdat dit op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de redengevende feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen, die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen. 3.3.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair 3.3.2.1 Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Inleiding In de nacht van 1 februari 2024 vonden kort na elkaar twee incidenten plaats in Alkmaar. Het eerste incident vond plaats bij de woning aan de [A-straat]. Even na middernacht ontving de politie de melding dat de bewoners van de woning met nummer [A] een harde knal hadden gehoord. Op beelden van de bewakingscamera van de woning was te zien dat kort voor de melding een persoon in de voortuin van de woning stond met in zijn handen een tegel en een fles. De persoon zette de fles in de voortuin neer, haalde een voorwerp uit zijn broekzak en bukte voorover alsof hij de fles probeerde aan te steken. Daarna gooide de persoon de tegel richting de ruit en raakte de tegel het kozijn. Nadat de persoon even twijfelachtig heen en weer liep in de tuin, liep de persoon naar de fles en rende daarmee weg. In de grond waar de fles had gestaan en was omgevallen voordat de persoon die oppakte en ermee wegrende, werden later stoffen van een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie, gevonden. Ongeveer tien minuten na de melding over het incident in de [A-straat] ontving de politie een tweede melding over een harde knal. Dit keer kwam de melding van bewoners aan de [B straat]. Het bleek dat de onderste ruit naast de voordeur van de woning aan de [adres B] was verbroken. Op de grond voor de voordeur en de woning lagen onder andere glasscherven en restanten van een zwarte ballon. Op de stoep en een parkeerplaats voor de woningen met de nummers [perceel B] en [perceel C] vonden politieagenten restanten van een ontplofte Cobra, een spoor van vloeistof naar een kapotte fles met (wat later bleek) lampolie en een niet-ontplofte Cobra. Verderop in de straat vond de politie verder nog restanten van een fles met (wat later bleek) eveneens een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie. Op beelden van de cameradeurbel van de woning aan de [adres B] was te zien dat een persoon kort voor de melding iets bij de voordeur neerzette en diverse pogingen deed om dit aan te steken, terwijl de persoon met de andere hand een mobiele telefoon vasthield. Nadat het aansteken van het voorwerp was gelukt, kwam rook omhoog langs de camera en rende de persoon weg. Direct na de harde knal die volgde, zag een buurtbewoner een jongen wegrennen vanaf de [B straat] en als passagier instappen in een auto, waarna deze auto direct met gedempte lichten was weggereden. De politie heeft direct onderzoek gedaan naar de weggereden auto. Het bleek dat medeverdachte [medeverdachte A] ten tijde van de feiten de bestuurder van deze auto was. De persoon die was te zien op de camerabeelden van zowel de woning aan de [A-straat] als de woning aan de [adres B] bleek later medeverdachte [medeverdachte B] te zijn geweest. Betrokkenheid van de verdachte De verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij via via de opdracht heeft ontvangen om explosies te veroorzaken aan de [A-straat] en de [B straat]. De verdachte heeft vervolgens iemand benaderd om de explosies uit te laten voeren. Daarop is [medeverdachte A] in beeld gekomen als de bestuurder van de auto die de [medeverdachte B] naar de adressen zou rijden. De verdachte heeft zijn opdrachtgever geïnformeerd dat hij een ‘driver’ had geregeld. Ook heeft de verdachte bij zijn opdrachtgever nagevraagd hoe de beloning voor de uitvoerders zou worden afgehandeld en heeft hij [medeverdachte A] hierover vervolgens geïnformeerd. Daarnaast heeft de verdachte de cobra’s geregeld die zijn gebruikt bij de incidenten. De avond voorafgaand aan de incidenten heeft de verdachte in persoon met [medeverdachte A] gesproken en aan hem de adressen gegeven waar de explosies zouden moeten plaatsvinden. Ook heeft hij aan [medeverdachte A] verteld waar hij de cobra’s kon ophalen en met behulp van een foto (screenshot) geadviseerd over de aanschaf van brandversnellende middelen. Na de incidenten heeft [medeverdachte A] de verdachte op de hoogte gesteld over het resultaat daarvan. 3.3.2.2 Is er sprake van medeplegen? De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of voornoemde betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot ontploffing aan de [A-straat] en de geslaagde ontploffing aan de [adres B] kan worden gekwalificeerd als die van een medepleger. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is volgens de Hoge Raad slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De verdachte heeft de verkregen opdracht uitgezet, heeft instructies gegeven aan de uitvoerder(s), heeft onmiddellijk voorafgaand aan de explosies de adressen verstrekt waar het moest gebeuren, explosieven geregeld en aan een van de uitvoerders verstrekt en is door die uitvoerder op de hoogte gehouden van het resultaat van de geplande ontploffingen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte hiermee een bijdrage heeft geleverd van zodanig gewicht in de voorbereiding, aansturing en uitvoering van de incidenten aan de [A-straat] en [B straat] dat van medeplegen sprake is. De stelling van de verdediging dat de verdachte slechts als medeplichtige kan worden gekwalificeerd, omdat hij alleen tussenpersoon was, houdt, gelet op het vastgestelde handelen van de verdachte, geen stand. De omstandigheid dat hij een tussenpersoon was, staat niet in de weg aan de conclusie dat zijn bijdrage aan de incidenten, zoals hiervoor beschreven, van voldoende gewicht was. Gevaarzetting Tot slot zal de rechtbank stilstaan bij de vraag van welk gevaar sprake zou zijn geweest als in de woning aan de [A-straat] een ontploffing had plaatsgevonden en welk gevaar als gevolg van de ontploffing bij de [adres B] is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat bij voltooiing van het voorgenomen handelen naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [A-straat] te duchten was. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de inhoud van de vakbijlage van het NFI volgt dat bij het ontsteken van een vuurwerk brandstof combinatie onder andere het risico ontstaat op een drukgolf, scherfwerking en gevaar dat samenhangt met de brandstof (waaronder het ontstaan van brand). De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook de bevindingen van het forensisch onderzoek bij en in de woning aan de [A-straat] en de omstandigheid dat de bewoners ten tijde van het feit in de woning aanwezig waren en lagen te slapen. Onder deze omstandigheden was naar algemene ervaringsregels levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de [A-straat] voorzienbaar. Uit forensisch onderzoek dat bij de woning aan de [adres B] is verricht, blijkt dat als gevolg van de ontploffing bij de voordeur van die woning materiële schade is ontstaan en dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Uit dat onderzoek is niet gebleken van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan de medeverdachte. Omdat het dossier geen aanwijzingen bevat voor potentieel (levens)gevaar voor andere personen, zal de verdachte voor feit 2 primair van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 primair hij op 1 februari 2024 in Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [A-straat] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezigen in het pand aan de [A-straat] te duchten was, heeft samengewerkt met één of meer van die mededaders die met dat opzet - met een auto naar Alkmaar zijn gereden en/of- met een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een fles met snel ontbrandende vloeistof en een explosief (een cobra) naar de woning aan de [A-straat] zijn gelopen en/of - deze vuurwerk-brandstof-combinatie in de nabijheid van voornoemd pand heeft neergezet en/of - een tegel tegen voornoemde woning hebben gegooid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 2 primair hij op 1 februari 2024 in Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar, door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen te duchten was; Feit 3 hij op 15 mei 2024 te Amsterdam opzettelijk twee stuks knalvuurwerk (Cobra 6) voorhanden heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Om taalkundige redenen heeft de rechtbank de bewezenverklaring van feit 1 primair anders geformuleerd dan in de tenlastelegging. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1 primair: medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; Feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; Feit 3: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezen verklaarde feiten zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hij oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd, inhoudende een locatieverbod voor de gemeente Alkmaar en een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte C], [medeverdachte D], [medeverdachte A] en [medeverdachte B]. Daarbij heeft hij twee weken vervangende jeugddetentie per overtreding, alsmede dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregelen gevorderd. Tenslotte heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de onder parketnummer 13.067102.22 opgelegde voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) en de verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van zes maanden. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit om het jeugdstrafrecht toe te passen, zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast heeft hij verzocht de op te leggen jeugddetentie te matigen en gelijk te stellen aan de duur van het voorarrest. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsman primair verzocht een tussenvonnis te wijzen zodat de reclassering kan onderzoeken of een behandeltraject via De Catamaran, zoals in het rapport van Forensisch Maatwerk is geadviseerd, een alternatief is voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. Het uitvoeren van een dergelijke maatregel dient als ultimum remedium te worden gezien. Daarbij is het advies van de reclassering over de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel gedateerd (i.c. van 24 oktober 2024) en werd de opdracht tot een update van dit rapport door de officier van justitie ingetrokken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er op dit moment onvoldoende actuele informatie aanwezig is om de beslissing van de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel weloverwogen te kunnen maken. Subsidiair heeft hij verzocht om de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel zo snel mogelijk te laten plaatsvinden. Tot slot heeft de raadsman verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie af te wijzen, dan wel de proeftijd daarvan te verlengen. 6.3 Oordeel van de rechtbank en heropening onderzoek De rechtbank heeft op de zitting van 9 september 2025 de zaak inhoudelijk behandeld en op dezelfde dag het onderzoek gesloten. Tijdens de beraadslaging in raadkamer is de rechtbank gebleken dat zij zich onvoldoende voorgelicht acht ten aanzien van de oplegging van een sanctie en de vordering tot tenuitvoerlegging. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit het strafblad van de verdachte van 26 maart 2025 blijkt dat hij op 9 november 2023 onherroepelijk is veroordeeld vanwege een soortgelijk feit tot een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank destijds bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder het meewerken aan een behandeling bij De Waag en een avondklok. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.