RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/1561 en 25/2057 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Hoefs), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen (gemachtigden: I. Muis en F.D. van Otegem-Wijers). Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de handhaving van de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres op grond van de hardheidsclausule urgentie had moeten verlenen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop
- Eiseres heeft op 27 november 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 januari 2025 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 7 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. 2.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. 2.
- Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit
- De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
- Eiseres heeft sinds de scheiding in 2020 de zorg voor haar drie minderjarige kinderen van 14, 12 en 9 jaar. De vader van de kinderen heeft een agrarisch bedrijf in de [plaats 2] , waar hij ook woont. Eiseres en de vader hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. Er vindt omgang tussen de vader en de kinderen plaats doordat eiseres één keer in de drie weken op zaterdag voor een paar uur de kinderen naar vader brengt. In maart 2024 is de oudste dochter intern opgenomen bij de GGZ Alkmaar, waarna zij is gediagnosticeerd met ADHD, ASS, geagiteerde depressie en vermoeden van trauma- hechtingsproblematiek. De oudste dochter gaat sinds maart 2024 niet naar school en volgt sinds januari 2025 dagbesteding bij [instantie] . De jongste dochter heeft een taalontwikkelingsstoornis (TOS) en er bestaat een vermoeden dat bij haar eveneens sprake is van autisme. Tot 1 april 2025 heeft eiseres op basis van tijdelijke huurovereenkomsten in onderdak voor haar en de kinderen voorzien, in de omgeving van Schagen, waar ook de ouders van eiseres wonen. Sinds 1 april 2025 verblijft eiseres met de kinderen in een caravan.
- In de beslissing op bezwaar van 7 april 2025 heeft het college in overeenstemming met het advies van de bezwaarcommissie (van dezelfde datum) de afwijzing van de urgentieverklaring in stand gelaten. In het advies van de bezwaarcommissie is te lezen dat de commissie vaststelt dat het college zich op het standpunt stelt dat er geen urgent huisvestingsprobleem is, omdat eiseres beschikt over een aflopende tijdelijke huurovereenkomst (artikel 10, lid 1, onder l, van de Urgentieverordening). Verder is de commissie van oordeel dat eiseres niet in aanmerking komt voor urgentie op grond van dakloosheid van minderjarige kinderen, omdat de vader ook met gezag is belast en hij beschikt over voldoende ruimte om de kinderen te huisvesten (artikel 6, lid 5, sub c, van de Beleidsregel Urgentieverordening Schagen). Ook bestaat geen aanspraak op urgentie op grond van medische sociaal dringende redenen (artikel 2, lid 2, onder e, van de Urgentieverordening). De psychische problematiek van de oudste dochter is, zo staat in het advies, niet overwegend veroorzaakt door de woonsituatie. De commissie is tot slot van oordeel dat niet is gebleken dat de situatie als woningzoekende aanleiding geeft om te spreken van bijzondere omstandigheden. De commissie is zich bewust van de ernst van de situatie, met name de psychische problematiek van de oudste dochter, maar vindt de feiten en omstandigheden niet dusdanig om af te wijken van de verordening. De commissie wijst er daarbij op dat er een gezaghebbende ouder is met een eigen woning waar de kinderen kunnen verblijven in eigen slaapkamers. Daarnaast kan de hulpverlening zoals nu verleend in de gemeente Schagen worden overgenomen onder dezelfde indicatie door de gemeente waar vader zich bevindt op grond van artikel 2.7a Jeugdwet, aldus is vermeld in het advies. Toetsingskader 5.
- Eiseres voert aan dat door het college geheel wordt voorbijgegaan aan het feit dat de Urgentieverordening is vervallen met ingang van 27 februari
- Dat brengt volgens eiseres met zich dat er geen grondslag (meer) is voor het bestreden besluit. Daarbij wijst eiseres erop dat de beleidsregels zoals die ten grondslag zijn gelegd aan de bestreden beslissing gebaseerd zijn op de verordening, die niet meer bestaat. Het beleid kan dan ook volgens eiseres niet meer worden toegepast aangezien dat verwijst naar een niet meer bestaande verordening. Verder is het college er in het geheel aan voorbijgegaan dat met de opgestelde beleidsregels een veel strengere toets gecreëerd is dan op basis van de verordening is voorgeschreven. Dat leidt eiseres tot de stelling dat het beleid in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand gekomen. 5.
- De voorzieningenrechter constateert dat de Urgentieverordening met ingang van 27 februari 2025 vervallen is en dat een nieuwe huisvestingsverordening nog niet is vastgesteld door de gemeenteraad van Schagen. Nu eiseres de aanvraag heeft gedaan op basis van de thans vervallen Urgentieverordening en het primaire besluit ook daarop is gebaseerd ziet de voorzieningenrechter grond om de beoordeling van het bezwaar en het beroep te baseren op de Urgentieverordening. Het alternatief zou immers zijn dat geconcludeerd moet worden dat het college, bij gebreke van een nieuwe huisvestingsverordening, thans niet meer bevoegd is te besluiten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat op grond van artikel 12 van de Huisvestingswet er op de gemeente geen verplichting rust om regels voor urgentie op te stellen. 5.
- De voorzieningenrechter toetst het bestreden besluit daarom aan de Urgentieverordening en de daarop gebaseerde Beleidsregel. Beoordeling Urgentie vanwege mantelzorg? 5.
- Als meest verstrekkende grond heeft eiseres naar voren gebracht dat een urgentieverklaring zou moeten worden toegekend op basis van artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet, omdat zij mantelzorger is voor haar oudste dochter. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zij een mantelzorgmakelaar heeft en dat zij het mantelzorgcompliment ontvangt. Verder stelt eiseres dat zij ook voldoet aan de voorwaarden die de Beleidsregel daaromtrent stelt. 5.
- Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan alle voorwaarden voldoet die de Beleidsregel stelt om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring op grond van het feit dat sprake is van mantelzorg. 5.
- De stelling van eiseres dat in de Huisvestingswet in artikel 12, derde lid, mantelzorgers zijn aangewezen als woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is, is onvoldoende om te concluderen dat eiseres in aanmerking komt om voorrang te krijgen bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. In artikel 12, eerste lid, van de Huisvestingswet is het aan het college gelaten om over het geven van voorrang nadere bepalingen op te stellen, zoals in de Beleidsregel is vermeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat eiseres aan alle voorwaarden voor urgentieverlening die in de Beleidsregel zijn vermeld, is voldaan. Zo is het de vraag of aan de voorwaarde van artikel 3, eerste lid, sub c, van de Beleidsregel, is voldaan, omdat geen sprake is van het opzeggen van een andere woning bij woningtoewijzing. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Urgent woonprobleem? 5.
- Verder voert eiseres aan dat van een weigering op grond van het feit dat sprake is van het aflopen van een tijdelijk huurcontract geen sprake kan zijn omdat daarvan op het moment van het nemen van de beslissing op het bezwaar geen sprake meer was. Toen verbleef eiseres met haar kinderen al in de caravan. Er is dus op dit moment sprake van feitelijke dakloosheid. Verder wil het aflopen van een tijdelijk huurcontract volgens eiseres niet zeggen dat er daardoor geen sprake kan zijn van een urgent huisvestingsprobleem. Het enkele feit dat het einde van de huurovereenkomst voorzienbaar is, maakt nog niet dat dakloosheid ook te voorkomen is. Eiseres betoogt dat het beleid op dit punt in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en kan daarom niet worden toegepast. In ieder geval is er sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat met toepassing van artikel 4:84 van de Awb voorbijgegaan moet worden aan deze beleidsregel. 5.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres ten tijde van de aanvraag en ook nog ten tijde van het primaire besluit een tijdelijke huurovereenkomst had. Op grond van artikel 10, onder l, van de Beleidsregel wordt het hebben van een tijdelijke huurovereenkomst niet als een urgent huisvestingsprobleem als bedoeld in artikel 2, derde lid, sub d, van de Urgentieverordening beschouwd en is dat een grond voor weigering van een urgentieverklaring. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit beleid op zichzelf niet als onredelijk aan te merken, zo lang geen sprake is van een absolute weigeringsgrond. Er kunnen zich immers – naast het feit dat er sprake is van een aflopende tijdelijke huurovereenkomst – tal van omstandigheden voordoen die maken dat het toewijzen van een urgentie nog steeds aan de orde is. Nu het college deze weigeringsgrond – zo leest de voorzieningenrechter het bestreden besluit althans – ook niet als een strikte weigeringsgrond heeft gehanteerd, slaagt de beroepsgrond niet. Urgentie op grond van sociaal medische indicatie? 5.
- Eiseres voert verder aan dat wel degelijk voldaan is aan de criteria om op grond van medische redenen voor een urgentieverklaring in aanmerking te komen. Zij wijst daarbij op de medische problematiek van de oudste dochter. Uit de informatie van de behandelaren blijkt volgens eiseres dat de huidige woonsituatie tot een toename van de medische problematiek leidt, dit terwijl er juist net enige vooruitgang geboekt werd. De gevreesde gevolgen zijn dusdanig dat de behandelaren waarschuwen voor de veiligheid van de oudste dochter en de overige gezinsleden bij de huidige woonsituatie. Hierdoor is sprake van een ernstige toename van de medische problematiek als gevolg van de woonsituatie. Ter zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat er inmiddels zeer recent een incident heeft plaatsgevonden, waardoor een onveilige situatie voor zowel de oudste dochter als ook voor de andere twee kinderen ontstond. 5.
- Op grond van artikel 2, tweede lid, onder e, van de Urgentieverordening komen in aanmerking voor een urgentieverklaring meerderjarige woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben. In artikel 6 van de Beleidsregel is dit criterium verder uitgewerkt. Onder ernstige medische redenen wordt verstaan een medische situatie die aantoonbaar overwegend wordt veroorzaakt door de woonsituatie. Zoals in de toelichting op artikel 6 van de Beleidsregel staat kan het college een keuringsarts inschakelen om te onderzoeken of er een oorzakelijk verband is tussen de huidige woonsituatie en de medische situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college niet zonder een daartoe strekkend medisch advies kunnen concluderen dat de medische problematiek van de oudste dochter van eiseres niet (inmiddels) overwegend veroorzaakt wordt door de woonsituatie. De enkele overweging in het advies van de bezwaarcommissie dat de onzekerheid van de woonsituatie en de toekomstige woonsituatie (wonen in een caravan) allesbehalve wenselijk is voor minderjarige kinderen en in dit geval de oudste dochter, maar dat niet geconcludeerd kan worden dat er een causaal verband is tussen de huisvestingsproblematiek en de psychische problematiek van de oudste dochter, biedt daarvoor geen grond. Het bestreden besluit is daarom niet gebaseerd op voldoende deugdelijk onderzoek. Gelet op het hierna volgende verbindt de voorzieningenrechter hieraan niet het gevolg dat het college alsnog dat onderzoek moet inzetten. Hardheidsclausule 5.
- Eiseres voert verder aan dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule. Niet alle omstandigheden van het geval zijn (op juiste wijze) gewogen. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840). Gezien de ernst van de huidige situatie en de toename in klachten die de behandelaren voorzien als er niet op de kortst mogelijke termijn een andere passende woning komt is er volgens eiseres aanleiding om zo spoedig mogelijk een urgentieverklaring te verstrekken. Ten onrechte is het college voorbijgegaan aan de verklaring van de behandelaren zonder daarover maar enig medisch advies in te winnen. Het voorstel dat de kinderen wel bij de vader terecht zouden kunnen is nergens op gebaseerd. Zo geven de behandelaren aan dat het van belang is dat de oudste dochter de huidige behandeling voort kan zetten gelet op het feit dat zij daar net, in kleine stapjes, vooruitgang boekte. Dat vader amper betrokken is, blijkt volgens eisers uit het feit dat hij bijvoorbeeld niet meewerkt aan het tekenen van de noodzakelijke papieren voor de behandeling van de oudste dochter. Voorts blijkt uit het cliëntplan zoals opgesteld door Parlan dat vader ongeschikt is om de zorg van zijn kinderen (volledig) op zich te nemen. Het is dan ook volgens eiseres een fictie dat de kinderen van eiseres bij hun vader terecht zouden kunnen. Het enkel beschikbaar hebben van slaapkamers wil nog niet zeggen dat het een reële en verantwoorde optie is om de kinderen naar vader te sturen. Eiseres wijst erop dat het college op dit punt eveneens heeft nagelaten deskundig advies in te winnen en zelf heeft geconcludeerd dat vader geschikt zou zijn om fulltime voor de kinderen te zorgen. Daarbij geldt bovendien dat de behandelaars hebben geconstateerd dat het moeilijk is een band met de oudste dochter op te bouwen die noodzakelijk is voor een adequate behandeling. Het is daarom volgens eiseres schadelijk voor de gezondheid en verdere behandeling van de oudste dochter om met nieuwe behandelaren geconfronteerd te worden. Overname van behandeling is daarom niet bevorderlijk voor de oudste dochter. 5.
- Het college heeft ter zitting toegelicht dat waar het gaat om de mogelijkheden van de vader om voor de kinderen te zorgen is afgegaan op de mondelinge verklaring van de jeugdcoach. Daaruit leidt het college af dat bij de vader geen onveiligheid is geconstateerd. 5.
- De voorzieningenrechter neemt de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in aanmerking, waarin is overwogen dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In de praktijk blijkt volgens de Afdeling dat ook al heeft het betrokken bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. Het bestuursorgaan dient derhalve alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. 5.
- De voorzieningenrechter is alles overziend van oordeel dat het college in dit geval ten onrechte geen toepassing aan de hardheidsclausule heeft gegeven. Alle omstandigheden van dit geval tezamen gelden naar het oordeel van de voorzieningenrechter als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen de ernst van de (psychische) problematiek van de oudste dochter, die ook niet in geschil is. Daarvoor is geen nader medisch onderzoek vereist. Verder volgt uit de overgelegde stukken onbetwist dat de behandelaren van de oudste dochter pas sinds kort met haar op de goede weg zijn en dat het winnen van het vertrouwen van de oudste dochter veel tijd en energie heeft gekost. Voorts is niet betwist dat de oudste dochter vanwege haar problematiek een eigen ruimte nodig heeft om zich terug te kunnen trekken, zoals door de behandelaren van de oudste dochter vermeld. Weliswaar heeft de vader de beschikking over fysieke woonruimte, maar het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt om te concluderen dat vader bereid is en/of in staat is de vereiste begeleiding te bieden aan de oudste dochter. De door het college ter zitting geopperde mogelijkheid om de vader ondersteuning te bieden zodat hij daar op termijn wel toe in staat moet zijn, is geen oplossing voor de acute problemen die zich nu voordoen. 5.
- De beroepsgrond slaagt daarom. Conclusie en gevolgen
- Al het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is omdat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het college aan eiseres een urgentieverklaring zal afgeven. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 6.
- Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder komen de reiskosten van eiseres voor vergoeding in aanmerking, dat is een bedrag van € 24,56 (openbaar vervoer, tweede klasse). Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit; - bepaalt dat het college aan eiseres een urgentieverklaring afgeeft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 2.745,56 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 mei
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Huisvestingswet 2014 Artikel 12
- In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
- De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën.
- Woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlenen of ontvangen, behoren in ieder geval tot de woningzoekenden, bedoeld in het eerste lid.
- Indien de gemeenteraad toepassing heeft gegeven aan het eerste lid legt hij in de huisvestingsverordening vast op welke wijze de gemeente voldoet aan de zorg voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling, behoudens in die gevallen dat burgemeester en wethouders daarin op andere wijze voorzien. Urgentieverordening Schagen 2020 Artikel
- Indeling in een urgentiecategorie (…)
- Voor indeling in een urgentiecategorie komen slechts in aanmerking meerderjarige: (…) b. meerderjarige woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlenen of ontvangen; (…) e. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben; (…)
- Burgemeester en wethouders weigeren de indeling in een urgentiecategorie indien de aanvrager niet voldoet aan de volgende criteria: (…) c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem niet redelijkerwijs voorkomen of redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; d. er is sprake van een urgent huisvestingsprobleem; e. het huisvestingsprobleem kon niet worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening; (…)
- Bij de beoordeling van het verzoek om indeling in een urgentiecategorie kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren door een door hen aan te wijzen instantie.
- Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen over de beoordeling van een aanvraag. (…) Artikel
- Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot onbillijkheid van overwegende aard leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening. Beleidsregel Urgentieverordening Schagen 2020 Artikel 3 Mantelzorgers en mantelzorgontvangers
- Voor indeling in de urgentiecategorie bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b, van de verordening komt uitsluitend een mantelzorger in aanmerking als: a. deze minimaal 8 uur per week zorg biedt of de zorg minimaal 3 maanden verleent; én b. deze door een verhuizing de impact van de mantelzorg op het maatschappelijk functioneren van diegene aantoonbaar in belangrijke mate vermindert, bijvoorbeeld door een verkorting van de reistijd; én c. deze bij woningtoewijzing een andere woning opzeggen of verkopen; én d. er sprake is van het verlenen van intensieve mantelzorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt verleend; én e. er sprake is van het verlenen van mantelzorg ten behoeve van het zelfstandig kunnen blijven wonen, de zelfredzaamheid of sociale participatie van de mantelzorgontvanger; én f. er sprake is van het verlenen van mantelzorg waarbij deze voortvloeit uit een tussen de betrokken personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Artikel 6 Sociaal/medisch
- Indeling in de urgentiecategorie bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e, van de verordening vindt uitsluitend plaats indien sprake is van: a. ernstige medische redenen; of b. geweld of bedreiging; of c. dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen.
- Onder ernstige medische redenen wordt uitsluitend verstaan: a. een medische situatie die aantoonbaar overwegend wordt veroorzaakt door de woonsituatie; én b. de situatie waarbij de behandeling van de aandoening/stoornis aantoonbaar in hoge mate ongunstig wordt beïnvloed door de woonsituatie; én c. de situatie waarbij de aanvrager (of het betreffende gezinslid) aantoonbaar onder behandeling is van een erkend medisch specialist.
- Indien de behandeling als bedoeld in lid 2 gerelateerd is aan psychische problemen dient de aanvrager (of het betreffende gezinslid) aantoonbaar langer dan zes maanden onder behandeling te zijn van een GGZ-instelling of vrijgevestigde psychiater.
- Onder geweld of bedreiging wordt uitsluitend verstaan: een bedreigende situatie welke blijkt uit een proces-verbaal van de politie, zo mogelijk aangevuld door gegevens van justitie, en waaruit bovendien blijkt dat de aanvrager om veiligheidsredenen niet langer in de huidige woning kan blijven wonen, ook niet na een opgelegd of eventueel op te leggen straatverbod, huisverbod of contactverbod.
- Onder dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen wordt uitsluitend verstaan: a. een situatie waarbij vanwege geweld, bedreiging of psychische problemen de ouder/verzorger met de zorg voor minderjarige kinderen, niet over woonruimte beschikt. Dit blijkt uit: i. een proces verbaal van de politie, zo mogelijk aangevuld door gegevens van justitie, en waaruit bovendien blijkt dat de aanvrager om veiligheidsredenen niet langer in de huidige woning kan blijven wonen, ook niet na een opgelegd of eventueel op te leggen straatverbod, huisverbod of contactverbod; of ii. de situatie waarbij de ouder/verzorger onder behandeling is van een erkend medisch specialist; en iii. de situatie bij psychische problemen waarbij de ouder/verzorger aantoonbaar langer dan zes maanden onder behandeling is van een GGZ-instelling of vrijgevestigde psychiater. b. Een situatie van dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen als gevolg van een echtscheiding of beëindiging relatie waarbij geen sprake is van het genoemde in lid 1, sub a en sub b, en waarbij één van de ouders/verzorgers die de zorg kan hebben over de minderjarige kinderen over een woonruimte beschikt, komt niet in aanmerking voor deze urgentiecategorie. Artikel 10 Urgent huisvestingsprobleem
- In ieder geval is in de volgende situaties geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder d van de verordening: (…) l. de aanvraag wordt gedaan waarbij sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst die afloopt.