← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:11135

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11756876 \ CV EXPL 25-3960 Vonnis van 1 oktober 2025 in de zaak van de besloten vennootschap[eiser] B.V., te [plaats 1], de eisende partij,hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen 1 [gedaagde 1] V.O.F.,

  1. [gedaagde 2],
  2. [gedaagde 3], allen te [plaats 2],de gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] procederend in persoon. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 17 juni 2025;- de conclusie van antwoord van 22 juni
  4. 1.
  5. [eiser] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd. 1.
  6. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.
  7. [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 4.946,25, vermeerderd met de contractuele rente over € 3.554,63 en de proceskosten. 2.
  8. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat zij diverse goederen (waaronder pullovers en overhemden) aan [gedaagden] heeft geleverd, en dat [gedaagden] met de betaling van de koopprijs in gebreke is gebleven. Vanwege het betalingsverzuim is [gedaagden] ook de (vervallen) contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden. 2.
  9. [gedaagden] betwist de vordering gedeeltelijk. Op haar verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 3De beoordeling 3.
  10. [gedaagden] heeft aangevoerd dat het ‘beter was geweest om de vooruitbetaalde bedragen met de oude facturen te verrekenen, teneinde extra kosten te voorkomen’. Zij heeft echter onvoldoende toegelicht en onderbouwd op welke vooruitbetalingen zij doelt en op welke specifieke facturen deze vooruitbetalingen in mindering hadden moeten worden gebracht. [gedaagden] heeft ook geen rechtsgevolg(en) aan haar stellingen verbonden. De kantonrechter gaat daarom aan dit betoog voorbij. 3.
  11. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] de koopprijs van de geleverde goederen aan [eiser] moet betalen. Dit bedrag is daarom toewijsbaar. 3.
  12. [eiser] vordert daarnaast een bedrag aan verschenen contractuele rente tot 5 juni 2025 en de verdere contractuele rente van 10% per jaar vanaf 5 juni 2025 tot de dag van de algehele voldoening. [gedaagden] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze vordering zal worden toegewezen. 3.
  13. [eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 581,36 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. 3.
  14. De conclusie is dat een bedrag van € 4.885,52 (= € 3.554,63 + € 749,53 + € 581,36) toewijsbaar is. 3.
  15. [gedaagden] heeft ten slotte aangevoerd dat partijen met ingang van 23 juni 2025 een betalingsregeling zijn overeengekomen op grond waarvan [gedaagden] een bedrag van € 356,00 per week moet aflossen. [eiser] heeft hier niet op gereageerd, zodat dit als vaststaand zal worden aangenomen. 3.
  16. Het sluiten van een betalingsregeling heeft tot gevolg dat de betalingsachterstand niet meer volledig en ineens opeisbaar is. Door [eiser] is niet gesteld en ook is niet gebleken dat [gedaagden] de betalingsregeling sindsdien niet (correct) is nagekomen. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de betalingsregeling nog loopt en [eiser] daarom geen aanspraak kan maken op betaling van het volledige bedrag ineens. De kantonrechter zal de betalingsregeling daarom hierna onder de beslissing opnemen. 3.
  17. Omdat partijen eerst ná dagvaarding een betalingsregeling hebben getroffen (en [eiser] dus terecht tot dagvaarding is overgegaan), moet [gedaagden] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 125,11 - griffierecht € 514,00 - salaris gemachtigde € 271,00 (1 punt × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.045,11 3.
  18. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 4De beslissing De kantonrechter 4.
  19. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.885,52, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 10% per jaar over een bedrag van € 3.554,63, met ingang van 5 juni 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.
  20. bepaalt dat [gedaagden] gerechtigd is om het onder 4.1 genoemde bedrag af te betalen met een bedrag van € 356,00 per week, met dien verstande dat deze regeling zonder verdere sommatie of ingebrekestelling komt te vervallen en het totaal verschuldigde bedrag geheel en ineens opeisbaar wordt, als [gedaagden] deze betalingsregeling niet stipt nakomt, 4.
  21. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.045,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.
  22. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober
  23. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.