← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:11196

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360615 / JU RK 25-9 Datum uitspraak: 30 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de voogd] , hierna te noemen: de voogd, wonende te [plaats] , advocaat mr. J. Hageman, kantoorhoudende te Velsen-Zuid. De kinderrechter merkt als informant aan: [de informant] , hierna te noemen: [de informant] , wonende te [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van 3 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum; een brief met producties van de advocaat van de voogd van 24 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum; productie 9, behorende bij de brief van de advocaat van de voogd van 24 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 27 januari 2025; productie 3 en 4, behorende bij de brief van de advocaat van de voogd van 24 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 29 januari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari
  4. Daarbij waren aanwezig en gehoord: de voogd, bijgestaan door haar advocaat; de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 1.
  5. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.
  6. [de informant] heeft via [de minderjarige] aan de kinderrechter aangegeven dat zij, indien nodig, telefonisch bereikbaar is tijdens de zitting. 2De feiten 2.
  7. De moeder van [de minderjarige] , [de moeder] (hierna: de moeder), is op [datum] overleden. De biologische vader van [de minderjarige] heeft [de minderjarige] niet erkend en hij is (in ieder geval tot voor kort) nooit betrokken geweest in het leven van [de minderjarige] . 2.
  8. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 21 juni 2023 zijn [de oom] en [de tante] , de oom en tante (mz), belast met de voogdij over [de minderjarige] . 2.
  9. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2023 is de voogd, de tante (mz), belast met de voogdij over [de minderjarige] . 2.
  10. [de minderjarige] verblijft sinds eind september 2024 bij [de informant] , een vriendin van de moeder, in [plaats] . 2.
  11. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2024 is het verzoek van de Raad om [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van vier weken met daarbij aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van drie maanden afgewezen. 3Het verzoek 3.
  12. De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij [de informant] (netwerkplaatsing) te verlenen voor de duur van één jaar. Ter zitting heeft de Raad het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing gewijzigd, op die wijze dat de machtiging ook wordt verzocht voor in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, omdat het de bedoeling is dat de netwerkplaatsing bij [de informant] tijdelijk is. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  13. De Raad heeft de verzoeken als volgt toegelicht. Bij [de minderjarige] is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling. Sinds het overlijden van de moeder heeft [de minderjarige] al op drie verschillende plekken gewoond, onder andere doordat er sprake was van conflicten en incidenten die soms gepaard gingen met fysiek geweld. Sinds eind september 2024 verblijft [de minderjarige] bij [de informant] . Er is dan ook al meerdere jaren sprake van een onduidelijke en onstabiele opgroeisituatie van [de minderjarige] . De voogd heeft op dit moment geen zicht op [de minderjarige] en het contact tussen [de minderjarige] en de voogd is sinds kort volledig gestopt. Ook verloopt het contact tussen de voogd en [de informant] moeizaam, waardoor het – met behulp van FamilySupporters – niet lukt om tot onderlinge afspraken te komen in het belang van [de minderjarige] . Het is zorgelijk dat er niet wordt voorzien in de basisbehoeften van [de minderjarige] en het is onduidelijk wie het beste de uitoefening van de voogdij op zich kan nemen. Er is op dit moment geen volwassene beschikbaar die zich voldoende kan richten op het welzijn van [de minderjarige] , waardoor het risico bestaat dat [de minderjarige] het gevoel krijgt er alleen voor te staan. Hoewel [de informant] aangeeft in staat te zijn om [de minderjarige] op te vangen en emotionele steun te bieden, is zij – gelet op haar gebrek aan financiële middelen en de zorg voor haar eigen kinderen – onvoldoende in staat om hem volledig te ondersteunen. Daarbij komt dat [de minderjarige] ’s schoolgang vermindert door de reiskosten. In de huidige situatie lukt het de hulpverlening en de betrokkenen uit het netwerk niet om [de minderjarige] voldoende te begeleiden bij de verwerking van het verlies van zijn moeder. Gelet op het voorgaande is de positieve ontwikkeling van [de minderjarige] richting zijn volwassenheid in gevaar. 3.
  14. Aangezien de Raad nog mogelijkheden ziet om met de inzet van een jeugdbeschermer bovengenoemde zorgen aan te pakken, is een maatregel om de voogdij te wijzigen op dit moment niet geïndiceerd. Daarom verzoekt de Raad een ondertoezichtstelling. Het is van belang dat wordt voorzien in de basisbehoeften van [de minderjarige] , zoals een stabiele schoolgang en begeleiding bij de rouwverwerking. Naast een ondertoezichtstelling verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, omdat [de minderjarige] op dit moment zonder machtiging bij [de informant] verblijft. Ondanks dat er sprake is van een groot netwerk van familie en vrienden, is er daarbinnen nog geen passende en stabiele woonplek gevonden voor [de minderjarige] voor de lange termijn. Er dient dan ook regie te worden gevoerd op het vinden van deze woonplek, zodat daarna een passende school gevonden kan worden. Tot slot dient te worden gekeken naar de invulling van de uitvoering van de voogdij, aangezien dat op dit moment moeizaam verloopt. 3.
  15. Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat zij heeft overwogen om de maatregelen voor een kortere periode te verzoeken. De Raad heeft dit niet gedaan, omdat de voogd zelf voor de voogdij en de daarbij behorende verantwoordelijkheden heeft gekozen. De Raad verwacht dat het de voogd in samenwerking met de GI zal lukken om de belangen van [de minderjarige] te behartigen. Aangezien de raadsonderzoeker meermaals bericht krijgt dat de woonplek bij [de informant] financieel gezien niet haalbaar is voor de lange termijn, heeft de GI ook voldoende tijd nodig om te onderzoeken wat een passende woonplek is voor [de minderjarige] . 4De standpunten 4.
  16. Namens en door de voogd is, onder verwijzing naar haar brief met producties, naar voren gebracht dat de voogd het eens is met de verzoeken van de Raad, al verzoekt de voogd de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlenen. Er is hulp nodig en het lukt de voogd op dit moment niet om [de minderjarige] deze hulp te bieden, ondanks dat zij daarvoor altijd haar best heeft gedaan. De voogd vermoedt dat [de minderjarige] bij [de informant] wordt opgestookt tegenover de voogd. De voogd maakt wekelijks geld over voor [de minderjarige] aan [de informant] , maar zij weet niet waaraan dit wordt uitgegeven. Volgens de voogd kan [de minderjarige] ook een afspraak maken om zijn spullen bij haar thuis op te halen, waaronder zijn bankpas. Hoewel de voogd het eens is met de verzoeken, vreest zij ook voor de verzochte maatregelen. De voogd heeft zorgen over de thuissituatie bij [de informant] en zij is bang dat het wellicht misgaat bij [de informant] . In dat geval is het nog onduidelijk waar [de minderjarige] kan wonen en hoe er moet worden omgegaan met de voogdij. De voogd meent dat zij de voogdij op dit moment niet kan uitoefenen, omdat [de minderjarige] bij [de informant] verblijft en de voogd geen zicht heeft op wat [de minderjarige] doet of nodig heeft. De voogd zal dan ook geen toestemming verlenen voor bepaalde gezagsbeslissingen, zoals het inschrijven op een andere school. De voogd wil graag dat de voogdij bij een ander belegd wordt. Zij meent dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij op een woonplek komt te wonen waar hij in alle rust zichzelf kan worden en leert om te gaan met regels, zoals een woongroep. 4.
  17. De GI vermoedt dat er ook sprake is van culturele problematiek. De voogd wil het heel graag goed doen, maar zij heeft moeite met het vinden van een juiste uitoefening van de voogdij. Het is van belang dat [de minderjarige] emotionele toestemming krijgt van de voogd om bijvoorbeeld naar een school in [plaats] te gaan, ondanks dat er (nog) geen contact is tussen [de minderjarige] en de voogd. Een jeugdbeschermer kan gesprekken voeren met [de minderjarige] over wat de voogd in zijn leven betekent en wat zij voor hem doet. De GI zet zich er graag voor in om samen met de voogd de nodige beslissingen te nemen in het belang van [de minderjarige] . Daarbij zal de GI zich ook richten op de vraag over wat er nodig is om de relatie tussen [de minderjarige] en de voogd te verbeteren. Binnen vijf dagen wordt er contact opgenomen vanuit de GI met de voogd. 5De mening van de minderjarige 5.
  18. [de minderjarige] is het eens met de verzoeken. Hoewel het goed gaat met [de minderjarige] , vindt hij het vervelend dat hij vanwege een tekort aan financiële middelen niet naar school kan. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat hij de persoonlijke spullen van hemzelf, waaronder zijn bankpas, en van zijn moeder die nog bij de voogd liggen terugkrijgt. [de minderjarige] heeft op dit moment geen contact met de voogd en hij wil dat ook niet. [de minderjarige] denkt dat hij gebaat zal zijn bij traumatherapie of rouwverwerking, waarvan hij graag wil dat dat in [plaats] plaatsvindt. [de minderjarige] vindt het fijn om voor nu bij [de informant] te verblijven, omdat hij daar meer rust ervaart en zich thuis voelt. Hij wil graag in [plaats] blijven wonen, daar naar school gaan en zijn dansles vindt daar ook plaats. Zodra hij 16 jaar wordt, wil hij graag kamertraining krijgen zodat hij op zichzelf kan wonen. 6De beoordeling 6.
  19. Uit de stukken en de zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan eruit dat er sprake is van een onduidelijke en onstabiele opgroeisituatie van [de minderjarige] , waarbij er niet in zijn basisbehoeften wordt voorzien. Sinds het overlijden van de moeder heeft [de minderjarige] op veel verschillende plekken gewoond en het contact met de voogd is op dit moment verbroken. De voogd heeft dan ook geen zicht op [de minderjarige] en daardoor bestaan er onduidelijkheden over de noodzakelijke beslissingen in het kader van de voogdij. Op dit moment heeft [de minderjarige] dan ook geen volwassene om zich heen die veilig voelt, sensitief is voor zijn problematiek en/of rekening kan houden met zijn behoeften. Door de onduidelijke situatie komt [de minderjarige] niet toe aan rauw- en traumaverwerking, terwijl hij dat wel graag wil en daarbij gebaat is. Een ander gevolg van de situatie en het tekort aan financiële middelen is dat de schoolgang van [de minderjarige] ernstig in het gedrang komt. Het is daarom van belang dat er samen met de GI gewerkt wordt aan het contactherstel met de voogd, zodat kan worden onderzocht wat in het belang is van [de minderjarige] en waar hij het beste naar school kan gaan. Ook is het van belang dat [de minderjarige] geholpen wordt bij zijn rauw- en traumaverwerking. De Raad dient erop toe te zien hoe de uitoefening van de voogdij gedurende de ondertoezichtstelling verloopt en of de huidige voogdijsituatie in het belang is van [de minderjarige] . 6.
  20. Ook blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende toereikend is gebleken en het contact tussen de voogd en [de minderjarige] is gestopt. Ook daardoor is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond gekomen. Het is daarom noodzakelijk dat er een regiehouder komt die in samenwerking met de voogd de juiste hulpverlening inzet en borgt. 6.
  21. Ten slotte blijkt dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de voogd die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen. 6.
  22. Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek, in te zetten hulpverlening en gestelde of te stellen doelen, stelt de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van één jaar. 6.
  23. Uit de stukken en de zitting blijkt dat [de minderjarige] sinds eind september 2024 zonder machtiging tot uithuisplaatsing bij [de informant] verblijft. Het contact tussen de voogd en [de minderjarige] is verbroken en zij willen allebei niet dat [de minderjarige] bij de voogd woont. Bij [de informant] ervaart [de minderjarige] meer rust en stabiliteit. Het is daarom van belang dat deze situatie geborgd blijft, zodat vanuit daar kan worden bekeken wat een passende woonplek is voor de langere termijn voor [de minderjarige] . De woonplek bij [de informant] is namelijk tijdelijk gezien het gebrek aan ruimte en financiële middelen. Bovendien heeft [de minderjarige] de wens geuit om kamertraining te starten, zodat hij uiteindelijk op een andere plek kan wonen. De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook voor zowel een netwerkplaatsing als (aansluitend) een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 6.
  24. Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). 7De beslissing De kinderrechter: 7.
  25. stelt [de minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 30 januari 2025 tot 30 januari 2026; 7.
  26. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij [de informant] (netwerkplaatsing) en/of (aansluitend) in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 januari 2025 tot 30 januari 2026; 7.
  27. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari
  28. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.