← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:11202

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/359882 / JU RK 24-1843 Datum uitspraak: 10 februari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van De gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam, over [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 5] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 december 2024. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025. Daarbij waren aanwezig: - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI; - de ouders; - grootmoeder moederszijde (hierna: mz); - de minderjarige [de minderjarige 2] , die afzonderlijk is gehoord. 1.3 De kinderrechter heeft voorafgaand aan de zitting apart met [de minderjarige 2] gesproken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 2] heeft verteld. 1.4 [de minderjarige 1] is opgeroepen op het van bekende haar BRP-adres, uit de stukken blijkt dat zij hier niet verblijft er is echter ook niet bekend waar zij wel te bereiken is. [de minderjarige 1] is niet voor het gesprek met de kinderrechter verschenen. 2De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] . 2.2. [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] verblijven in een pleeggezin, te weten bij grootmoeder mz. [de minderjarige 2] verbleef bij zijn oom en tante (mz), maar verblijft sinds ruim een week ook bij grootmoeder mz. 2.3. De feitelijke verblijfplaats van [de minderjarige 1] is onbekend. Vermoedelijk verblijft zij met haar vriend op een bedrijventerrein in [plaats] . 3Het verzoek 3.1 De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] te verlengen met een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin 24-uurs te verlengen, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de GI schriftelijk en mondeling op de zitting, het volgende aangevoerd. 3.2 Gezien wordt dat de ouders hun best doen om zich aan de voorwaarden te houden en mee te werken met de hulpverlening. De ouders hebben ook stappen gezet. Sinds mei 2024 hebben de ouders een nieuwe woning. Ze zijn goed aan het werk aan en in de woning. Door de hulpverlening wordt echter ook gezien dat de ouders snel het overzicht verliezen en moeite hebben om zich structureel op het huishouden te richten. Daarnaast wordt tijdens de begeleide omgang (twee keer in de week een paar uur) gezien dat de ouders moeite hebben om de kinderen voldoende te begrenzen. De GI heeft de ouders meerdere malen als voorwaarde gesteld om diagnostiek te laten verrichten, zodat duidelijk wordt waar de oorzaak ligt voor bepaalde problemen en hier eventueel gericht hulpverlening op kan worden ingezet. Ook acht de GI contact met de Brijder noodzakelijk, omdat in het verleden sprake was van drugsgebruik door de ouders. Deze acties komen om onduidelijke redenen niet van de grond. Het klopt dat [de minderjarige 2] inmiddels ook bij grootmoeder woont. de GI heeft hier geen bezwaar tegen en vraagt ook voor [de minderjarige 2] plaatsing in het netwerkgezien bij grootmoeder in plaarts van bij oom en tante. 3.3 De zorgsignalen ten aanzien van [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 2] zijn afgenomen. Met [de minderjarige 5] gaat het goed. Zij zal per medio maart naar het kinderdagverblijf gaan. Over [de minderjarige 1] bestaan grote zorgen. [de minderjarige 1] vertoont zelfbepalend gedrag. Ze is weggelopen bij Kenzazorg en een plaatsing bij grootmoeder (

  1. mz)kwam niet van de grond, omdat er direct een conflict tussen hen ontstond. [de minderjarige 1] is sindsdien in en uit contact geweest en heeft op wisselende plekken verbleven. Er is onlangs via Horizon een jeugdwerker ingezet die in contact is met [de minderjarige 1] . De jeugdwerker is bezig om een vertrouwensband met [de minderjarige 1] op te bouwen, om haar te motiveren voor een passende woonplek en zo een gesloten plaatsing te voorkomen. 3.4 De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk met als doel om te onderzoeken op welke manier een terugplaatsing van de kinderen moet verlopen en wat voor [de minderjarige 1] de beste woonplek is. 4De standpunten 4.1 De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij en de vader aan de hulpverlening meewerken en het goed gaat thuis. De omgang met de kinderen verloopt ook goed. De moeder wil dat de kinderen weer thuis geplaatst worden. Er worden door de GI dingen gezegd waar de moeder zich niet in kan vinden. Destijds werd aangegeven dat de kinderen naar huis konden als de vader en de moeder een nieuwe woning zouden hebben. Die hebben zij nu maar de kinderen komen niet naar huis. Waarom diagnostiek nodig zou zijn begrijpt de moeder niet. De moeder heeft ADHD, maar hier heeft zij inmiddels mee leren leven. Bij de Brijder zijn de vader en de moeder geweest voor een gesprek. Hulpverlening werd door de Brijder niet nodig geacht. Over [de minderjarige 1] maken de vader en de moeder zich ernstige zorgen. [de minderjarige 1] zwerft al een tijd rond en zit nu met haar vriend in het bedrijfspand van zijn vader. Dit is geen goede plek voor haar. Zij moeten hier binnenkort ook weg. De moeder is van mening dat de GI hierin niet goed en snel genoeg handelt. 4.2 Grootmoeder (
  2. mz)heeft op de zitting aangegeven dat het goed gaat met de kinderen, maar dat zij hun ouders missen. De thuissituatie van de ouders is verbeterd en de omgang met de kinderen verloopt goed. Het klopt dat [de minderjarige 2] inmiddels ook bij haar woont. grootmoeder heeft hier geen bezwaar tegen. Grootmoeder zou graag zien dat de kinderen stapsgewijs worden teruggeplaatst, te beginnen met [de minderjarige 5] . [de minderjarige 5] is nog maar drie jaar oud en is al 1,5 jaar uit huis geplaatst. Over [de minderjarige 1] maakt de grootmoeder zich net als de ouders ernstige zorgen. 5De mening van [de minderjarige 2] heeft in een afzonderlijk gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed met hem gaat bij grootmoeder (mz), maar dat hij het liefst naar huis wil. [de minderjarige 2] wil graag weten hoe lang dit nog gaat duren. Hij wil niet nog een jaar wachten. Voor [de minderjarige 5] vindt [de minderjarige 2] het belangrijk dat zij als eerste, zo snel mogelijk, teruggaat naar huis, omdat zij nog zo jong is. Daarna kunnen [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in stappen naar huis en als laatste [de minderjarige 2] zelf. [de minderjarige 2] begrijpt dat niet alle kinderen in één keer naar huis kunnen. Hij hoopt wel dat ze aan het einde van het jaar allemaal weer bij elkaar terug zijn bij hun ouders. 6De beoordeling Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 6.1. Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter neemt hierbij het volgende in overweging. 6.2 Vaststaat dat de kinderen uit huis zijn geplaatst, omdat er in de opvoedsituatie sprake is geweest van verwaarlozing en er hierdoor ernstige zorgen bestonden over de ontwikkeling van de kinderen. Ten tijde van de zitting in november 2024 was er sprake van een prille positieve ontwikkeling in de thuissituatie van de ouders. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat de ouders deze positieve ontwikkeling sindsdien hebben weten vast te houden. De ouders werken met de hulpverlening nog steeds hard aan het verbeteren van de thuissituatie en hebben hierin stappen gezet. De (begeleide) omgang met de kinderen is voorzichtig uitgebreid. Wel wordt door de hulpverlening nog steeds gezien dat de ouders moeite hebben met het aanbrengen en vasthouden van de dagelijkse structuur in het huishouden en het voldoende begrenzen van de kinderen tijdens de omgangsmomenten. Deze belangrijke zorgpunten en mogelijke gevolgen hiervan voor de kinderen worden door de ouders niet, althans onvoldoende, (h)erkend. Dit vormt, mede gelet op de heftige voorgeschiedenis, een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Ten aanzien van [de minderjarige 1] komt hierbij dat zij al langere tijd op meerdere levensgebieden zelfbepalend gedrag vertoont. 6.3 Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter het van belang dat de hulpverlening wordt voortgezet en dat een jeugd- en gezinsbeschermer zicht blijft houden op het verloop hiervan. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] daarom met een jaar. Ten aanzien van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] 6.4 Op de zitting is gebleken dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat er in de komende periode stapsgewijs naar een thuisplaatsing van de kinderen zal worden toegewerkt. Gelet hierop zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur verlengen dan verzocht. Ten aanzien van de voorwaarden voor thuisplaatsing, merkt de kinderrechter op dat deze niet helemaal duidelijk zijn geworden, met name waar het gaat om diagnostiek en contact met de Brijder. De ouders geven aan hier niet goed van op de hoogte te zijn. Verder geeft de GI aan deze voorwaarden al geruime tijd te stellen maar ondanks dat de ouders hebben hier tot op heden niet (volledig) aan meegewerkt volgens de GI, staat dit echter kennelijk niet aan een uitbreiding van de (begeleide) omgang en het voornemen tot een (gefaseerde) thuisplaatsing van de kinderen in de weg. Het is dan ook de vraag of voornoemde voorwaarden gelden als harde eisen voor thuisplaatsing of slechts wenselijk worden geacht. De kinderrechter acht het van belang dat de GI de voorwaarden voor thuisplaatsing van de kinderen op korte termijn op schrift stelt, zodat voor de ouders duidelijk is wat er concreet van hen wordt verwacht om de thuisplaatsing van de kinderen te laten slagen. 6.5 In lijn met wat op de zitting naar voren is gekomen is de kinderrechter van oordeel dat om het thuisplaatsingsproces rustig en zorgvuldig te laten verlopen, niet alle kinderen gelijktijdig thuis teruggeplaatst kunnen worden. Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige 5] en detijd dat de uithuisplaatsing al duurt, is de kinderrechter van oordeel dat met haar thuisplaatsing moet worden begonnen. Het is belangrijk dat de (hechtings)band tussen de ouders en [de minderjarige 5] wordt gewaarborgd. De kinderrechter acht, gehoord alle betrokkenen, een periode van (ongeveer) drie maanden voldoende om toe te werken naar thuisplaatsing van [de minderjarige 5] .. De kinderrechter neemt hierbij mee dat [de minderjarige 5] medio maart naar een kinderdagverblijf zal gaan, waardoor er extra zicht komt op haar ontwikkeling en van meerdere kanten gemonitord kan worden hoe zij op het thuisplaatsingsproces reageert. Wat betreft [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 2] lijkt de kinderrechter in beginsel een periode van (ongeveer) zes maanden om terug naar huis te kunnen werken op zijn plaats. Mede aan de hand van het thuisplaatsingsproces van [de minderjarige 5] , zal bepaald moeten worden wat voor (wie van
  3. de)jongens het beste moment is om de eerste stappen naar thuisplaatsing te zetten. De kinderrechter benadrukt ten aanzien van alle kinderen dat van de ouders wordt verwacht dat zij aan alle voorwaarden voor thuisplaatsing meewerken, dat het belangrijk is dat de ouders de positieve ontwikkelingen voortzetten én dat er geen nieuwe zorgen aan het licht mogen komen. 6.6 Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden. De kinderrechter houdt de beslissing op het verzoek van de GI ten aanzien van het meer verzochte aan tot een nadere behandeling ter zitting begin augustus 2025, op een nader te bepalen datum en tijdstip, in afwachting van actuele informatie van de GI over de ontwikkeling van de kinderen en het verloop van het thuisplaatsingsproces. Ten aanzien van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] 6.7 De kinderrechter acht de situatie van [de minderjarige 1] zorgelijk. Door haar zelfbepalende gedrag zijn een plaatsing bij Kenauzorg en grootmoeder (
  4. mz)(waar het verzoek van de GI op ziet) mislukt. [de minderjarige 1] is regelmatig in- en uit contact geweest en heeft op verschillende plekken verbleven, al dan niet met haar vriend. Sinds een tijdje zou [de minderjarige 1] met haar vriend in een bedrijfspand van diens vader verblijven. Dit is een zeer onwenselijke situatie voor een meisje van 16 jaar. Er is geen zicht op haar dagelijkse bezigheden, schoolgang en sociale netwerk. Inmiddels staat [de minderjarige 1] in contact met een jeugdwerker van Horizon, om haar op die manier te kunnen motiveren voor een passende woonplek. Hoewel dit een goede stap is en het begrijpelijk is dat er vertrouwen moet zijn tussen [de minderjarige 1] en de jeugdwerker, stelt de kinderrechter tegelijkertijd vast dat de zorgen over [de minderjarige 1] al ruim een jaar bestaan en er weinig lijkt te zijn veranderd. De kinderrechter acht het dan ook van groot belang dat er in de komende periode voortvarend te werk wordt gegaan. Voor [de minderjarige 1] moet duidelijk worden waar de grens ligt en dat er – als [de minderjarige 1] onverhoopt zelfbepalend gedrag blijft vertonen - mogelijk niets anders meer rest dan een verzoek tot een gesloten plaatsing. 6.8 Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding maar voor een kortere duur dan verzocht om zo een vinger aan de pols te kunnen houden. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] met drie maanden en houdt de beslissing op het verzoek voor het overige pro forma aan tot 28 april 2025, in afwachting van actuele informatie van de GI over de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en de vraag welke woonplek voor haar passend en noodzakelijk is. Als alle betrokken het eens zijn over de woonplek van [de minderjarige 1] en hiervoor een passend verzoek is gedaan, dan kan de zaak schriftelijk worden afgedaan. Als blijkt dat de situatie anders ligt of een gesloten plaatsing noodzakelijk wordt geacht, dan zal er een nieuwe zitting (naar aanleiding van een zo nodig nieuw verzoek) worden gepland. 6.9 De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7De beslissing De kinderrechter: 7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen: [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , met een jaar, tot 12 februari 2026; 7.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een netwerkpleeggezin, voor de duur van drie maanden, tot 12 mei 2025; 7.3 verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen: [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een netwerkpleeggezin, voor de duur van zes maanden, tot 12 augustus 2025; 7.4 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 7.5 houdt de beslissing op het verzoek van de GI ten aanzien van [de minderjarige 1] voor het overige pro forma aan tot 28 april 2025. De GI dient uiterlijk één week voor deze datum actuele informatie te overleggen over de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en haar woonperspectief, alsmede over de handhaving van het restant van het verzoek; 7.6 houdt de beslissing op het verzoek van de GI ten aanzien van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting begin augustus 2025. De GI dient uiterlijk één week voor de zitting actuele informatie te overleggen over de ontwikkeling van de kinderen en het verloop van het thuisplaatsingsproces. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025, in aanwezigheid van S. Rebel als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld op 18 februari 2025. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam. Artikel 1:260, eerste lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.