← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:11203

beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie en Jeugd Zittingsplaats: Alkmaar Zaakgegevens : C/15/360912 / JU RK 25-47, C/15/360906 / JU RK 25-46 en C/15/360915 / JU RK 25-48 datum uitspraak: 12 februari 2025 beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing in de zaak van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Alkmaar, betreffende [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [land] , hierna te noemen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [land] , hierna te noemen [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 3] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [plaats] , advocaat mr. M.D. Balesar, te Heerhugowaard. 1Het procesverloop 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de verzoeken met bijlagen van de GI van 9 januari 2025, ingekomen bij de griffie op 13 januari 2025; - het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 februari 2025; - het e-mailbericht van mr. Balesar van 7 februari 2025, met bijlagen. 1.2 Op 12 februari 2025 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de minderjarige [de minderjarige 1] , die apart is gehoord, - de moeder, bijgestaan door mr. M.D. Balesar, - [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI. Ook zijn [begeleider 1] en [begeleider 2] , begeleiders van de moeder van [zorginstelling] , bij de zitting aanwezig. [de minderjarige 2] heeft een brief naar de kinderrechter gestuurd en is niet bij de zitting verschenen. 2De feiten 2.1 Het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder. 2.2 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wonen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs. 2.3 Bij beschikking van 1 maart 2024 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verlengd tot 7 maart

  1. De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 maart 2024 ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot 7 maart
  2. 3Het verzoek 3.1 De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar.Tevens wordt verzocht de uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Duidelijk is dat de kinderen, door alles wat zij in hun leven hebben meegemaakt, meer dan gemiddeld zorg nodig hebben en moeten leren vertrouwen op de beschikbaarheid van degene die deze zorg op zich neemt. Uit de verslagen van de professionele hulpverleners blijkt dat de zorgen over de kwetsbaarheid van de kinderen onverminderd zijn. Om toe te kunnen komen aan hun ontwikkelingstaken is het voor de kinderen noodzakelijk op te groeien op een plek waar hen de structuur, veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit geboden wordt die zij nodig hebben. Vaststaat dat de moeder heel veel van de kinderen houdt maar zij kan hen dit niet bieden. De moeder kan niet voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld aan ‘goed genoeg’-ouderschap die in de richtlijnen jeugdhulp worden beschreven. Binnen de huidige woonvorm van de kinderen wordt hierin voorzien en ontwikkelen zij zich positief. De kinderen wonen alle drie op een fijne woonplek waar zij profiteren van een trauma sensitieve opvoeding die zij zo nodig hebben. Er is zicht op de ontwikkeling van de kinderen en als het nodig is wordt er direct opgeschaald naar intensievere zorg of inzet van therapie. De kinderen komen op hun woonplek tot ontwikkeling omdat er wordt aangesloten bij hun behoefte. Het is in het belang van de verdere veilige ontwikkeling van de kinderen dat deze situatie wordt voortgezet. 3.2 Op de zitting is namens de GI aangevuld dat bij de kinderen na een omgangsmoment met de moeder een heftige reactie wordt gezien zoals misselijkheid, agressie en verdriet. Het komende jaar zal ingezet worden op het observeren van de omgang tussen de moeder en de kinderen om meer inzicht te krijgen in de reden voor deze ontregeling. De observaties zullen vanuit verschillende perspectieven van de zorg ingezet worden. In overleg met alle betrokkenen zal steeds getoetst worden welke omgang in het belang van de kinderen is en wat nodig is om voor hen deze omgang veilig te laten plaatsvinden. De wens van de moeder dat de omgang op termijn onbegeleid plaatsvindt, is bekend, maar op dit moment is het te vroeg om dit als mogelijk doel voor de toekomst af te kunnen spreken. Voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is duidelijk dat ze op de juiste plek zitten. Voor [de minderjarige 1] wordt steeds gevolgd of de huidige plek in haar belang is of dat actief naar een alternatief gezocht moet worden. 4Standpunten 4.1 [de minderjarige 1] heeft op de zitting aangegeven dat het goed met haar gaat. School is leuk en zij heeft daar veel vrienden en vriendinnen. Op de groep is het oké. Sommige dingen zijn leuk, andere niet. Zo is het fijn dat er veel ruimte is voor hobby’s zoals paardrijden en voetbal. Minder leuk is het dat er veel regels zijn en dat deze streng worden gehandhaafd. [de minderjarige 1] erkent dat zij hiertegen heftig in verzet kan gaan. Toch denkt [de minderjarige 1] dat ze op dit moment wel op haar plek zit, ook al denkt ze ook wel eens na over andere mogelijkheden. 4.2 Op de zitting is namens de moeder aangegeven dat zij zich niet verzet tegen het verzochte. Voor de moeder zijn vooral de afspraken ten aanzien van de omgang met de kinderen van belang. De moeder is blij met de ondersteuning van [zorginstelling] . Bij de begeleiders die haar vanuit deze zorgverlening zijn toegewezen, voelt zij zich veilig en gehoord. Zoals uit de verslagen blijkt, heeft de moeder flinke stappen gezet ten aanzien van de omgang met de kinderen. De omgangsmomenten verlopen dan ook zonder problemen. Het heftige gedrag van de kinderen, zoals dat door de GI wordt benoemd, herkent de moeder niet. De moeder kan zich voorstellen dat dit gedrag voortkomt uit hun verdriet over het steeds weer afscheid moeten nemen. De moeder is blij dat hiernaar verder onderzoek plaatsvindt. De hoop van de moeder dat de kinderen uiteindelijk weer bij haar kunnen wonen, is onveranderd, maar zij weet dat dit op dit moment niet in het belang van de kinderen is. 5De beoordeling 5.1 Uit de verkregen informatie en hetgeen op de zitting naar voren is gebracht, volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is vast komen te staan dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Nadat eerder in de thuissituatie bij de moeder sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en hun veiligheid daar niet langer gewaarborgd was, is vanaf 2017 hulpverlening vanuit het kader van de ondertoezichtstelling ingezet en zijn de kinderen met een machtiging van de kinderrechter in 2021 uithuisgeplaatst. Bij de kinderen waren veel kindsignalen te zien en er was sprake van ontwikkelingsproblematiek op verschillende gebieden. Inmiddels is er meer rust bij de kinderen en hebben zij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Binnen hun huidige leef- en opvoedsituatie leren de kinderen te vertrouwen op de beschikbaarheid van hun verzorgers en opvoeders en wordt hun de veiligheid geboden die zij nodig hebben. Ondanks de positieve ontwikkelingen zijn de zorgen over de kinderen echter niet weggenomen. De ontwikkeling van de kinderen is blijvend kwetsbaar gebleken en steeds wordt nauw gemonitord welke problemen worden gezien en welke passende persoonlijke hulpverlening in dit kader moet worden ingezet. Alle drie de kinderen hebben op hun eigen manier een grote opvoedvraag. Dit vraagt veel van hun opvoeders en verzorgers. Hen wordt daarvoor steeds passende ondersteuning geboden. Verder onderzoek is noodzakelijk om het zorgelijke gedrag dat de kinderen na een omgangsmoment met de moeder laten zien te duiden, te beslissen welke omgang het meest in het belang van de kinderen is en wat nodig is om dit mogelijk te maken. De moeder erkent het belang van een dergelijk onderzoek en zij verzet zich, in afwachting van de resultaten en het advies ten aanzien van de mogelijkheden voor de omgang, niet tegen het voortduren van de huidige leef- en opvoedsituatie van de kinderen. 5.2 Gelet op de ernst en de aard van de zorgen over de kinderen is van belang dat in het voor hen geadviseerde hulpverleningstraject de GI vanuit het kader van de ondertoezichtstelling regie voert, de continuïteit van de geadviseerde hulpverlening waarborgt en de belangen van de kinderen behartigt. 5.3 De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en tevens de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van een jaar, tot 7 maart
  3. 5.4 Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden: - de heftige ontregeling van de kinderen na de afgesproken omgangsmomenten met de moeder; - de kwetsbare ontwikkeling van de kinderen. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1 verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [land] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [land] , [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , tot 7 maart 2026; 6.2 verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, tot uiterlijk 7 maart 2026; 6.3 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Pieters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari
  4. De schriftelijk uitwerking van de mondelinge beslissing is vastgesteld op 20 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.