RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/350223 / HA ZA 24-149 Vonnis van 18 juni 2025 in de zaak van 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], beiden te [plaats], eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers], advocaat: mr. M.C. van Kamp, tegen AMS CONSTRUCTION B.V., te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: AMS, advocaat: mr. Y.V. Ripley. De zaak in het kort Het gaat in deze zaak om een aannemingsovereenkomst tussen [eisers] (opdrachtgevers) en AMS (aannemer) voor een volledige renovatie van een woning. Opdrachtgevers stellen dat zij de overeenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden en vorderen onder meer een schadevergoeding voor herstelkosten, meerkosten voor het afronden van de werkzaamheden door een andere partij en betaling van een overeengekomen vergoeding voor uitloop van het werk. Volgens AMS mochten [eisers] de overeenkomst niet ontbinden en hebben zij de overeenkomst dus opgezegd. Als tegenvordering vordert AMS betaling van de resterende aanneemsom en een vergoeding voor verricht meerwerk. De rechtbank oordeelt dat de ontbinding was gerechtvaardigd omdat in mei 2023 bleek dat tijdige nakoming door AMS onmogelijk was. AMS moet een bedrag aan [eisers] (terug)betalen omdat zij al meer hebben betaald dan het verrichte werk waard is en de overeengekomen vergoeding voor uitloop van het werk betalen. De gevorderde meerkosten worden afgewezen, want op basis van de stukken blijken [eisers] geen aanvullende schadevergoeding te vorderen, maar vervangende schadevergoeding. Daarvoor is naast ontbinding geen plaats. De rechtbank wijst de tegenvordering van AMS af, want de vordering is gebaseerd op de gestelde opzegging van de overeenkomst, die niet is komen vast te staan. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 november 2024 en de daarin genoemde stukken - B8-formulier met een aanvullende productie van [eisers] - de mondelinge behandeling van 11 februari 2025, waarbij mr. Van Kamp spreekaantekeningen en mr. Ripley pleitnotities heeft overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de akte uitlating van AMS. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers] zijn eigenaren van de woning op het adres [adres] in [plaats] (hierna: de woning). AMS is een bouwbedrijf. [betrokkene 1] en [bedrijf 1] B.V zijn de bestuurders van AMS. 2.2. In het voorjaar van 2021 hebben [eisers] AMS benaderd voor een kosteninschatting van een grote verbouwing van de woning. Daartoe hebben [eisers] bij e-mail van 28 februari 2021 aan AMS hun ‘klusoverzicht’ gestuurd met vier verschillende bouwvarianten. Daarin is onder ‘Algemene Afspraken, Planning’ onder meer opgenomen: sleuteloverdracht is op 25 mei; plan is om dan zo snel als mogelijk met verbouwen te beginnen we hebben (eerder
- al)onze zomervakantie geboekt vanaf 13 juli. Als het kan willen we dan graag de verbouwing afgerond hebben. Als dit niet haalbaar is, moeten we wellicht de zomervakantie verplaatsen Alternatief kan mogelijk nog zijn om een deel van de verbouwing te doen na verhuizing 2.3. Bij e-mail van 19 april 2021 heeft AMS het klusoverzicht aan [eisers] retour gestuurd, voorzien van stelposten en prijzen. Vervolgens is tussen [eisers] en AMS voor de verbouwing van de woning een (mondelinge) overeenkomst tot aanneming van werk tot stand gekomen. 2.4. AMS heeft in mei 2021 de voor de verbouwing benodigde omgevingsvergunning bij de gemeente [plaats] (hierna ook: de gemeente) aangevraagd en heeft op enig moment constructieberekeningen laten maken. De werkzaamheden zijn op 31 mei 2021 gestart. 2.5. Gedurende de verbouwing hebben [eisers] aan AMS eigen tekeningen aangeleverd en materiaal besteld. 2.6. In juni 2021 hebben [eisers] hun ontwerp van de eerste verdieping en de zolder aangepast. Hierop heeft AMS gereageerd bij Whatsapp-bericht van 14 juni 2021 waarin onder meer staat: De vraag is of onze planning van 1 augustus niet in gevaar komt 2.7. Eind juni 2021 heeft de gemeente AMS bericht dat zij de vergunningsaanvraag buiten behandeling heeft gesteld. AMS heeft deze informatie niet met [eisers] gedeeld. In de zomer van 2021 hebben [eisers] ermee ingestemd dat AMS in afwachting van de vergunning de werkzaamheden voortzet. 2.8. In juli 2021 heeft AMS een dragende muur in de woonkamer van de woning doorgebroken en een staalconstructie geplaatst. 2.9. Bij e-mail van 15 augustus 2021 heeft AMS aan [eisers] onder meer het volgende bericht: Zie bijgaand de planning welke naar ons inziens reëel is. We gaan de aankomende week graag met elkaar in overleg om te zorgen dat de verdiepingen in week 38 woonklaar zijn. Gelieve tav tijdelijke huisvesting rekening houden met week 38 [week van 20 september 2021, toevoeging rechtbank] overhuizen. 2.10. Enkele dagen daarna zijn [eisers] in vervangende woonruimte getrokken. 2.11. In een overleg tussen partijen van begin september 2021 hebben [eisers] aan AMS een schriftelijk contract voorgesteld. Daarover hebben [eisers] bij e-mail van 5 september 2021 onder meer aan AMS geschreven: Belangrijke punten in het contract waar [bedrijf 1] en [betrokkene 1] [AMS, toevoeging rechtbank] nog naar willen kijken zijn de opleverdatum van ‘verhuisklaar huis’, en de opgenomen vergoeding van tijdelijke woonlasten bij uitloop na die datum. 2.12. In vervolg daarop hebben partijen op 10 september 2021 een schriftelijke overeenkomst voor aanneming van werk gesloten (hierna: de aanneemovereenkomst). Daarin is opgenomen dat de totale aanneemsom € 104.526 inclusief btw bedraagt met daarbij een betalingsschema. De eerste termijnfacturen van 21 juni 2021 en 11 augustus 2021 van € 18.150,- resp. € 26.486,50 hadden [eisers] al voldaan. AMS zal volgens de overeenkomst de derde termijnfactuur in september 2021 ‘naar stand van werk’ uitbrengen en na volledige oplevering een vierde termijn voor het restant. Verder is onder ‘Uitvoeringsduur’ het volgende overeengekomen: a. Het werk voor zover benodigd voor verhuizing wordt uiterlijk opgeleverd op maandag 4 oktober 2021 Hierbij zijn inbegrepen de volgende werkzaamheden conform bij 4 genoemde specificaties: - Begane grond: nieuwe achtergevel rondom door derde partij geleverde deuren en kozijnen; benodigde voorbereiding voor plaatsen vloerverwarming; toilet; elektra; stucwerk plafonds waar van toepassing; - 1e verdieping: badkamer, toilet; nieuwe indeling met kasten en drooghok; elektra; stucwerk; dakbedekking en waterafvoer verlengd balkon; - 2e verdieping: badkamer; toilet; nieuwe indeling slaapkamers mcl vliering achterkamer elektra; stucwerk […] NB. Voor stucwerk muren begane grond geldt de aparte afspraak dat dit plaatsvindt binnen een week nadat de vloerverwarming en dekvloer gereed is. Voor vliering voorkamer zolder geldt dat deze na 4 okt opgeleverd kan worden ivm eerder onduidelijke specificaties. Het totale werk met alle resterende punten, conform sectie 4 en 6, wordt uiterlijk opgeleverd op maandag 18 oktober 2021, tenzij voor specifieke punten anders overeengekomen. 2.13. Ook is in de aanneemovereenkomst een bepaling opgenomen voor een vergoeding voor extra woonkosten bij uitloop van de werkzaamheden (hierna: de uitloopvergoeding): Bij oplevering van de genoemde punten op 4 oktober is ondernemer, vanwege eerdere uitloop een vergoeding van €900,- aan consument verschuldigd als gedeeltelijke compensatie voor gemaakte extra woonkosten. Indien ondernemer er niet in slaagt om de genoemde punten op te leveren op 4 oktober is hij een aanvullende vergoeding aan consument verschuldigd van €450 per week uitloop na 4 oktober. Deze vergoeding(
- en)wordt ingehouden op de laatste factuur. 2.14. Daarnaast hebben partijen de Consumentenvoorwaarden Verbouwingen 2010 (hierna: Covo2010) deels op de aanneemovereenkomst van toepassing verklaard, waaronder artikel 17 over ‘Stillegging van het werk’. In dat artikel is bepaald dat de consument bevoegd is de uitvoering van het werk geheel of gedeeltelijk stil te leggen. 2.15. In een WhatsApp-bericht van 5 oktober 2021 van AMS aan [eisers] is opgenomen: Tegelzetter net gesproken en heeft aangegeven afgelopen weekend en deze week voor ons vrij te hebben gehouden Hij is nu een andere klus gaan doen en is over 2 of 2,5 week pas beschikbaar. Ik hoop dat we deze week een klap kunnen geven op de positie bad 1e verdieping zodat we niet onnodig naar achteren schuiven. 2.16. Op 6 oktober 2021 hebben partijen een bouwoverleg (“doorloop”) gehad. Uit de daarvan door [eisers] gemaakt notulen blijkt dat er door partijen nog (nadere) afspraken gemaakt zijn en moeten worden over de (uitvoering van
- de)werkzaamheden en dat beide partijen acties moeten verrichten. 2.17. In een WhatsApp-bericht van 6 oktober 2021 van AMS aan [eisers] is opgenomen: […] Jammer dat we dit niet eerder wisten, want dan hadden we wellicht t tegelwerk niet naar achteren hoeven schuiven… maar laten we vooral de positieve dingen zien. 2.18. In een WhatsApp-bericht van 6 oktober 2021 van [eisers] aan AMS is opgenomen: […] mooi om de vorderingen in het huis te zien vandaag. 2.19. In een WhatsApp-bericht van 10 oktober 2021 van [eisers] aan AMS is opgenomen: Hoi [betrokkene 1], ons huiswerk, de tekeningen van de afwerking van de balken begane grond, zit in de mail. Als hout willen we gaan voor verlijmde vurenhouten timmerpanelen. Bevestiging graag met deuvel verbinding, zodat er geen schroeven aan de buitenkant te zien zijn. 2.20. In een WhatsApp-bericht van 13 oktober 2021 van [eisers] aan AMS is opgenomen: Goed om alle vorderingen te zien vandaag :) Planningsvraagje nog: wanneer denk je dat er een schilder aan de slag zou kunnen met houtwerk op binnenkant dak op zolder. Ik heb een schilder gevonden geloof ik. AMS heeft gereageerd met: Denk over 2 weken. Daarop heeft [eisers] laten weten: Okee, dan ga ik dat voorleggen aan de schilder. 2.21. Op 13 oktober 2021 hebben [eisers] en AMS ook contact gehad over het verrichten van meerwerk: AMS: Ik zal dit [toevoeging rechtbank: oude vloerverwarming loskoppelen, verdeler verwijderen en de buizen laten leeglopen] aan [betrokkene 2] vragen en hoop dat hij dit planningstechnisch in kan passen omdat dit niet bij de oorspronkelijk opdracht zat. [eiser 1]: Yes heel graag, dank alvast!! AMS: Allen, de voorbereidingen hebben consequenties voor de planning waarvan ik wel vind dat het niet aan ons toe te rekenen is. We hadden de begane grond en eerste verdieping nu al getegeld, gestuuct en al kunnen hebben. De wijzigingen/ voorbereidingen willen we best uit laten voeren (al zijn wij van mening dat daar ook het meest werk in zit om dat te organiseren) maar dan moeten we wel een eerlijke afspraak maken over de nu lopende huur. Hoe kunnen we hier invulling aan geven? [eiser 1]: Hey [bedrijf 1], inderdaad goed om redelijk om te gaan met de punten die we extra vragen in relatie tot de afspraken rondom de planning en vergoeding. Janike en ik zullen in het weekend voorstel doen voor praktische invulling daavan, OK? Groet! [eiser 1] 2.22. Bij e-mail van 17 oktober 2021 hebben [eisers] AMS onder meer het volgende bericht: Bijgaand ons voorstel over hoe om te gaan met uitloop die ontstaan is door extra wensen vanuit ons, die vallen binnen het ‘verhuisklaar maken’ van het huis. In de bijbehorende bijlage staat vermeld: Sinds het opstellen van het contract zijn er diverse extra of aangepaste wensen besproken. Deze punten vallen deels binnen het ‘verhuisklaar maken’ van het huis, en deels daarbuiten. […] 1. Overzicht extra of aangepaste wensen binnen tijdslijnen ‘verhuisklaar maken’ Woonkamer Zijwand serre In tegenstelling tot hoe we het eerder bespraken lijkt toch een nieuwe zijwand van de serre nodig Vensterbank Serrevloer ophogen We willen een andere vensterbank bij de ramen aan de voorzijde gaan plaatsen. Daarvoor moet de huidige vensterbank verwijderd worden — graag doen voordat het stucwerk plaatsvindt Serrevloer: isolatieplaten tot 2 cm onder de hoogte van de cementvloer van de woonkamer. Op lage deel eventueel gebruik maken van de 8 cm platen die in de woning liggen. Bakstenen rand onder de pui eerst vochtwerend te isoleren met het zwarte materiaal dat in de doos in de woonkamer zit Electrapunt plafond voorkamer Graag draad 1,5m verlengen, zodat deze later nog plafondlamp doorgetrokken kan worden naar midden van plafondrozet voorkamer zodra de precieze locatie daarvan bekend is Toilet BG Elektrapunt plafond Opschuiven lichtpunt plafond 10 cm richting wand fontein; te doen bij plaatsen nieuw gipsplafond Toiletreservoir vervangen Toiletreservoir vervangen Gang BG 2e lichtpunt 2e lichtpunt richting de keuken gewenst — aan te leggen zonder schade aan het plafond. Kan via de vloer van de overloop op 1e verdieping. Trapkast BG Elektra leidingen Leidingen elektra graag infrezen in de muur. Aangezien dit voor lichtpunt in het houten plafond niet goed gaar, willen we het verlichting punt naar bovenaan de muur verplaatsen. 2e lichtpunt Na splitsing van de trapkast is ook de 2 kast een lichtpunt nodig, dit ook graag bovenaan de muur met leidingen infrezen Planken Verwijderen houten planken en houten rek Verdeler Verdeler van de oude vloerverwarming loskoppelen en verwijderen Toilet 1e etage Wand deurzijde De wand valt nu over het deurkozijn heen, dat is niet gewenst: dus graag verwijderen rieten wand aan deurzijde, vervangen door gipswand die achter het deurkozijn valt, zodat architraaf erover kan. Zie ter vergelijking toilet BG Toiletreservoir vervangen Toiletreservoir vervangen Overloop 1e etage Lambrisering Lambrisering laten doorlopen op de nieuw gemaakte muur Lichtpunten Aanleggen 2e lichtpunt en verschuiven 1e lichtpunt gewenst - ook hier aan te leggen zonder schade aan het plafond. Kan via de vloer van de overloop op de zolder. Voorkamer 1e etage Vloer Ten behoeve van de droogbouw vloerverwarming is het nodig om enkele hogere punten in de vloer af te schuren, ook in de andere kamer. Janike kan precies aangeven om welke punten het gaat Achterkamer Buis in vloer Er zit een ijzeren buis in de vloer. Indien nodig deze verwijderen, in ieder geval de vloer dichtmaken met hout Balkon Dakbekleding Rondom afwerken dakbekleding met zinken rand op stenen gevel Zolder Wand naast cv kast Sierstroken Stukje houten wand dat nu paars is moet gips worden Houten sierstroken op plafonds en balken verwijderen Overbodige balken en planken Op diverse plekken zitten nog overbodige balken en planken van de oude constructie. Deze verwijderen (ipv omheen bouwen) 2.23. AMS heeft bij e-mail van de volgende dag als volgt gereageerd: Bedankt voor het opstellen van deze lijst echter zijn wij van mening dat al deze extra wensen en het wachten op keuzes in materialen en tekeningen buiten de scope van de afspraak valt van het bijdragen aan de uitloopvergoeding. Nogmaals dit is een uitzonderlijke situatie die geen enkele aannemer voor eigen risico zou nemen. Bovendien zijn de tekeningen niet voldoende om het werk uit te kunnen voeren en dient veel afstemming op locatie plaats te vinden. Dit was niet nodig geweest als we volgens de gebruikelijke weg, werktekeningen zouden ontvangen. Ook zijn wij van mening dat het later betegelen van de badkamers en toiletten doordat jullie op de rem hebben getrapt wat de afvoer betreft niet op onze conto geschreven dient te worden. Hetzelfde geldt voor het stucwerk, De begane grond vloer had al helemaal klaar kunnen zijn als materialen en tekeningen in een eerder stadium beschikbaar waren. Voor de zolder wordt er nu ook gekozen voor een type balk die niet vrij verkrijgbaar is en waar langere wachttijden voor zijn, ook hiervoor geldt dat dit buiten de uitloop-vergoeding valt. Wij gaan ons nu richten op het afgesproken werk en als dat afgerond is wat ons betreft de uitloop-vergoeding ook ten einde. Wij zijn in de loop van volgende week klaar (behoudens het tegelwerk wat ons niet aan te rekenen is). We kunnen ons daarna richten op alle extra werkzaamheden en aanpassingen die gedurende het proces zijn toegevoegd maar dan op voorwaarde dat we niet mee betalen in de (uitloop)vergoeding voor de huur. Anders zijn wij helaas genoodzaakt om deze werkzaamheden niet uit te voeren. Wel zijn wij bereid om een planning af te spreken en ons daar aan te committeren voor deze genoemde werkzaamheden. 2.24. Partijen hebben daarna afgesproken dat over de maand november 2021 geen uitloopvergoeding is verschuldigd. 2.25. Op 18 oktober 2021 heeft AMS [eisers] een derde factuur gestuurd van € 32.983,55. [eisers] hebben de factuur betaald. 2.26. Op 15 november 2021 heeft AMS [eisers] een factuur gestuurd van € 27.083,17 inclusief btw. 2.27. Nadat [eisers] op 25 november 2021 van de gemeente hadden gehoord dat de vergunningsaanvraag buiten behandeling was gesteld, hebben zij het werk stopgezet en AMS bericht dat zij de vereiste constructieve berekeningen en eventueel aanvullende benodigde stukken willen ontvangen zodat zij die kunnen laten beoordelen. Daarnaast hebben zij AMS opdracht gegeven een nieuwe vergunningsaanvraag met de benodigde stukken in te dienen. Verder hebben [eisers] aan AMS laten weten dat zij haar factuur van 15 november 2021 niet zouden betalen: Het is een tussentijdse factuur die niet in ons contract is afgesproken, voor werkzaamheden die deels nog niet zijn afgerond, en zijn we er niet toe bereid om deze nu te betalen. 2.28. Bij e-mail van 13 december 2021 hebben [eisers] aan AMS laten weten dat de bouwwerkzaamheden niet verder kunnen gaan totdat een onafhankelijk constructeur de constructieve berekeningen en de feitelijke situatie heeft onderzocht. Eind december 2021 heeft AMS aan [eisers] voorgesteld in afwachting van de resultaten van het onderzoek het werk op de eerste en tweede verdiepingen van de woning af te maken. [eisers] hebben hier niet mee ingestemd. 2.29. In het rapport van 12 februari 2022 van de door [eisers] ingeschakelde constructeur, [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]), is over de berekening van de staalconstructie en de uitvoering ervan door AMS het volgende opgenomen: De berekening is niet te volgen, onsamenhangend en er worden andere profielen berekend dan toegepast. De huidige constructie is onveilig ter plaatste van de aansluiting van de kolom in de kelder. 2.30. [eisers] heeft ook Dutch Building Inspections (hierna: DBI) opdracht gegeven onderzoek te doen naar het door AMS verrichte werk. In het rapport van 28 februari 2022 van DBI staat onder meer: 9.1. De werkzaamheden aan de serrevloer zijn niet correct uitgevoerd. De kwaliteit van de opbouw van de vloer is slecht. Er is geen duidelijk beeld van de opbouw van de serre vloer. Er zijn mogelijk geen koudebrugonderbrekingen toegepast. AMS had dilataties moeten aanbrengen tussen de vloeren van de woonkamer en keuken met de serre. 9.2. Doorbraak / Staalconstructie: De werkzaamheden aan de doorbraak / staalconstructie. zijn niet correct uitgevoerd. […] De kwaliteit van de doorbraak / staalconstructie. is slecht. […] De constructieve werkzaamheden zijn in zijn geheel uitgevoerd zonder een Omgevingsvergunning. De staalconstructie is niet uitgevoerd conform de Statische berekening d.d. 21-09-2021 ZA. Constructions. De staalconstructie is niet uitgevoerd conform Tekening S01, B01 en B11 d.d. 5-5-2021. Houten klossen en kunststof wiggen toegepast. De staalconstructie “zweeft”. Op kunststof wiggen en stukjes puin. De lassen zijn niet deugdelijk en professioneel uitgevoerd. De stalen slof in de kelder is niet volgens de tekening. Geen Promatec klassen toegepast. […] De gehele staalconstructie opnieuw zal moeten worden aangebracht. […] 9.3. Badkamer 1e verdieping. […] Niet alle werkzaamheden in de badkamer zijn correct uitgevoerd. […] De drain is te laag aangebracht. De verticale aansluiting tussen de tegels in de hoek is te gering. Door zetting van de twee wanden kan er scheurvorming ontstaan. Kit is niet volgens de voorschriften aan te brengen AMS heeft onvoldoende aan kunnen tonen dat de verticale en horizontale aansluitingen tussen de vloer en wand waterdicht zijn gemaakt door middel van kimband afgewerkt met kimpasta. Zie foto 20 van AMS. Zeer groot gebrek: Geen Centraal Aardpunt (CAP) aangebracht. Niet aangebrachte aarding. […] 9.4. Badkamer 2e verdieping […] Niet alle werkzaamheden in de badkamer zijn correct uitgevoerd.[...] De vloerdelen zijn niet verwijderd hierdoor is de badkamervloer niet gemaakt volgens de afspraken met de opdrachtgever. De draingoot is te laag aangebracht. De verticale aansluiting tussen de tegels in de hoek is te gering. Door zetting van de twee wanden kan er scheurvorming ontstaan. Kit is niet volgens de voorschriften aan te brengen AMS heeft onvoldoende aan kunnen tonen dat de verticale en horizontale aansluitingen tussen de vloer en wand waterdicht zijn gemaakt door middel van kimband afgewerkt met kimpasta. Zie foto 20 van AMS. Zeer groot gebrek: Geen Centraal Aardpunt (CAP) aangebracht. Niet aangebrachte aarding. […] 9.6. Toilet 1e verdieping: […] Verkeerde ventilatiebuis tussen het plafond aangebracht. De vloer had lager gemaakt kunnen worden. […] 9.9. Installatie / Warm- koud waterleidingen […] De werkzaamheden aan de installatie zijn niet correct uitgevoerd. De kwaliteit van het geleverd installatiewerk is slecht. […] 9.10. Nieuwe pui […] De werkzaamheden aan de nieuwe pui zijn niet correct uitgevoerd. De kwaliteit van het geleverde montagewerk is slecht.De pui is te laag in de gevel gezet. […] 10 Conclusie van de waarnemingen Zeer slechte tekeningen van de constructeur. Gestart met de bouwwerkzaamheden zonder een Omgevingsvergunning. De gehele installatie zal in verband met het ontbreken van tekeningen nader onderzocht moeten worden. De staalconstructie is niet conform de tekeningen uitgevoerd. De installatie van de badkamers is niet correct uitgevoerd. De voorbereiding van het werk is zeer slecht en onprofessioneel. 2.31. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat AMS de staalconstructie aanpast conform een berekening en ontwerp van [bedrijf 2]. 2.32. Begin maart 2022 hebben partijen overleg gehad over de ontstane situatie en mogelijke oplossingen. [eisers] hebben daarbij aan AMS bericht dat zij tot 1 juni 2022 de tijd heeft voor de herstelwerkzaamheden, omdat zij eind juni uit de tijdelijke woning moeten en er dan nog tijd is voor afbouwwerkzaamheden en verhuizing. 2.33. Midden maart 2022 heeft de gemeente de gevraagde omgevingsvergunning alsnog verstrekt. 2.34. Op 25 maart 2022 hebben partijen een nadere schriftelijke overeenkomst gesloten voor de uitvoering van de staalconstructie die AMS onder toezicht van [bedrijf 2] zal aanpassen en op 5 april 2022 zal opleveren. 2.35. Op 25 maart 2022 hebben partijen afspraken gemaakt over de overige werkzaamheden. Afgesproken is dat AMS in ieder geval zal uitvoeren de werkzaamheden waaraan schade is geconstateerd en de werkzaamheden waarvoor een stuksprijs is afgesproken en zij reeds aan begonnen is. Over enkele specifieke (technische) vereisten en voorwaarden (waaronder op enkele punten de kostenverdeling) moet nog een akkoord worden bereikt. 2.36. AMS heeft [eisers] bij e-mail van 6 april 2022 [eisers] te kennen gegeven de resterende werkzaamheden in de week van 18 april 2024 te kunnen oppakken. 2.37. AMS heeft [eisers] een bedrag van € 4.259,20 inclusief btw in rekening gebracht voor meerwerk met betrekking tot het verplaatsen van een balk. [eiser 1] heeft deze factuur voldaan. 2.38. Kort voor of op 18 april 2022 heeft AMS de aangepaste staalconstructie opgeleverd. 2.39. In een e-mail van 20 april 2022 heeft AMS onder meer het volgende aan [eisers] laten weten: Eind v/d week komen we met een reactie op de rest van de werkzaamheden en hoe we dit verder willen afhandelen. De door AMS aangekondigde reactie is uitgebleven. 2.40. Met een e-mail van 3 mei 2022 hebben [eisers] AMS bericht de aanneemovereenkomst te beëindigen. In de e-mail staat onder meer: Tijdens onze bespreking van 3 maart hebben we er uitgebreid bij stilgestaan dat wij eind juni uit onze tijdelijke woning moeten en dat het daarom noodzakelijk is om herstelwerkzaamheden op uiterlijk 1 juni gereed te hebben zodat we tijd hebben voor afbouwwerkzaamheden en verhuizing. Je gaf aan dat te begrijpen. Je vertelde dat de resterende werkzaamheden ongeveer 2 maanden zouden duren en dat 31 mei mogelijk zou zijn (als we de werkzaamheden op elkaar zouden afstemmen). In jullie mail van 20 april hebben jullie aangegeven aan het einde van de week een voorstel te sturen over de resterende werkzaamheden. Nu is het inmiddels 3 mei en hebben we zelfs nog geen voorstel van jullie ontvangen. (…) Gezien de termijn van ten minste twee maanden die je eerder noemde nodig te hebben voor het afmaken van deze werkzaamheden, en het ontbreken van afspraken over vervolg, is het niet meer reëel dat jullie herstel van de overige schadepunten nog voor de voor ons essentiële datum van 1 juni gaan realiseren. Daarom hebben we een [de rechtbank begrijpt: ‘geen’] andere keuze dan nu feitelijk uit elkaar te gaan en verder financieel af te handelen. 2.41. Op 4 mei 2025 heeft AMS [eisers] bij e-mail onder meer bericht: We hebben uitgebreid stilgestaan op 3 maart over een eventuele vervolg van de werkzaamheden en onder welke voorwaarde(n). Helaas missen wij het vertrouwen (en nog een aantal zaken waar ik mij nu niet over uit zal uitweiden) om op gezonde basis met elkaar verder te gaan. Wij kunnen ons dan ook goed vinden om een afspraak te maken over de financiële afhandeling. 2.42. Medio mei 2022 hebben partijen gesproken over een financiële afhandeling. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. 2.43. [eisers] hebben vervolgens het werk laten herstellen en afmaken door [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]). 2.44. Bij brief van 7 juli 2023 hebben [eisers] AMS gesommeerd hun schade, op dat moment begroot op € 57.936, te vergoeden. AMS heeft niet betaald. 3Het geschil in conventie 3.1. [eisers] vorderen - na vermeerdering van eis – dat de rechtbank voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat AMS toerekenbaar tekort is geschoten, althans is tekortgeschoten, in de nakoming van de aanneemovereenkomst, 2. voor recht verklaart dat AMS gehouden is de schade van [eisers] te vergoeden ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming, 3. voor recht verklaart dat de aanneemovereenkomst tussen [eisers] en AMS is ontbonden, althans – subsidiair – dat de rechtbank de aanneemovereenkomst tussen [eisers] en AMS ontbindt, 4. als gevolg van de ontbinding bepaalt dat AMS aan [eisers] herstelkosten en schadevergoeding betaalt, althans de gevolgen van de ontbinding in goede justitie bepaalt, 5. primair: AMS veroordeelt tot betaling van € 64.757,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 oktober 2021, subsidiair: voor recht verklaart dat AMS gehouden is schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat, 6. AMS veroordeelt tot betaling aan [eisers] van buitengerechtelijke kosten van € 2.775,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf twee weken na het door de rechtbank te wijzen vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van volledige betaling, 7. AMS veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na datum van het vonnis. 3.2. [eisers] stellen dat zij de aanneemovereenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden, omdat AMS door het verstrijken van de fatale termijnen van 1 augustus 2021, dan wel 4 en 18 oktober 2021 of meest subsidiair het voorzienbaar ook niet halen van de fatale termijn 1 juni 2022, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eisers] stellen daarnaast dat de aanneemovereenkomst vernietigbaar is vanwege oneerlijke handelspraktijken. Zij hebben hun schade van € 64.757 berekend op € 79.273 - bestaande uit schadeherstel en meerkosten van afronden van werkzaamheden door derde partijen voor in totaal € 59.201, de uitloopvergoeding van € 16.200 en kosten voor het onderzoek van DBI van € 3.872 -, verminderd met een vergoeding voor wel afgesproken en uitgevoerde werkzaamheden ten bedrage van € 14.516,00, dat niet door hen is betaald. 3.3. AMS voert verweer en betwist dat de genoemde data de strekking hadden van een fatale termijn, want partijen hebben juist rekening gehouden met uitloop van de werkzaamheden door de uitloopvergoeding overeen te komen. Daarnaast liep de bouw mede uit doordat [eisers] het ontwerp aanpasten, op zich lieten wachten wat betreft de keuze en de levering van materialen en omdat zij steeds meerwerk opdroegen wat de planning beïnvloedde. Het kan niet zo zijn dat als [eisers] ervoor zorgen dat AMS een oplevertermijn niet haalt, zij alsnog vanwege verloop van de termijn de overeenkomst mogen ontbinden. Van verzuim is volgens AMS daarom geen sprake. Bovendien was reeds sprake van schuldeisersverzuim. [eisers] waren daarom niet bevoegd de overeenkomst te ontbinden en hebben de overeenkomst dus opgezegd, aldus AMS. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. AMS vordert - samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een veroordeling van [eisers]: a. tot betaling van € 27.083,17 inclusief btw, zijnde de factuur van 15 november 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van € 18.106,44 inclusief btw, zijnde het aan AMS verschuldigde meerwerk en nacalculatie stelposten, te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van € 1.045,83 aan buitengerechtelijke kosten ten behoeve van de voldoening van de factuur van 15 november 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente, in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.6. [eisers] voeren verweer. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De vragen die partijen verdeeld houden, gaan in de kern erom of [eisers] de aanneemovereenkomst met AMS rechtsgeldig hebben ontbonden of hebben opgezegd en wat daarvan de (financiële) gevolgen zijn. Daarnaast stelt [eisers] dat de aanneemovereenkomst vernietigbaar is vanwege oneerlijke handelspraktijken. AMS heeft zich hiertegen verweerd. De rechtbank hierna eerst het ter zitting voren gebrachte procedurele verweer beoordelen en vervolgens beoordelen of de aanneemovereenkomst vernietigbaar is, of sprake is van een rechtsgeldige ontbindingen of [eisers] aanspraak kunnen maken op de gevorderde (schade)vergoeding. Geen strijd met de goede procesorde 4.2. AMS heeft ter zitting uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de hoeveelheid stukken die [eisers] hebben overgelegd, tegen de inhoud van de conclusie van antwoord in reconventie en het te laat overleggen van een productie. Volgens AMS kan zij zich daarom niet deugdelijk verweren. 4.3. De rechtbank is met AMS van oordeel dat het overleggen van 127 producties niet bijdraagt aan de leesbaarheid en inzichtelijkheid van de door [eisers] ingediende processtukken. Dat AMS zich door de hoeveelheid overgelegde producties niet deugdelijk heeft kunnen verweren en daardoor in haar belangen is geschaad, is evenwel niet aannemelijk geworden. AMS heeft dit standpunt eerst ter zitting ingenomen en haar benadeling ook verder niet geconcretiseerd, terwijl AMS bij conclusie van antwoord en ter zitting inhoudelijk heeft gereageerd op de standpunten van [eisers] 4.4. De rechtbank volgt AMS ook niet in haar standpunt dat in de conclusie van antwoord in reconventie verkapt is ingegaan op de conclusie van antwoord. [eisers] hebben in reactie op de eis in reconventie een conclusie vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie ingediend. In deze conclusie is geen (duidelijk) onderscheid gemaakt tussen de toelichting op de eiswijziging en het antwoord op de eis in reconventie. Omdat de vordering in reconventie is ingediend in verband met een voorgestane afrekening tussen partijen op grond van opzegging, ligt het voor de hand dat (ook) in een antwoord hierop wordt ingegaan op de vraag of sprake is van opzegging dan wel ontbinding. Van een verkapte reactie op de conclusie van antwoord is daarom geen sprake. Dat een productie te laat is ingediend en vanwege strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling betrokken mag worden, volgt de rechtbank ook niet. Het betreft een aangevulde productie 21, die eerder onvolledig was. De aanvulling betreft een e-mailwisseling van [eisers] met AMS. Omdat AMS bekend is met die e-mailwisseling, is niet aannemelijk dat AMS in haar belangen is geschaad door de te late indiening ervan. Van strijd met de geode procesorde is dus geen sprake. I. Overeenkomst is niet als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand gekomen 4.5. De aanneemovereenkomst is gesloten tussen een professionele partij (AMS) en consumenten ([eisers]). Daarom zijn afdelingen 6.3.3A (oneerlijke handelspraktijken) en 6.5.2b (consumentenrechten) van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. 4.6. Op grond van artikel 6:193j lid 3 BW is een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, vernietigbaar. Voor vernietiging op grond van oneerlijke handelspraktijk is dus naast een oneerlijke handelspraktijk in de tweede plaats vereist dat de overeenkomst ‘als gevolg’ van het ontbreken van deze informatie tot stand is gekomen. De regeling voor vernietiging van de overeenkomst ziet niet op eventuele oneerlijke handelspraktijken die tegenover consumenten zijn verricht nadat een overeenkomst is gesloten. 4.7. In dit geval hebben [eisers] slechts gesteld dat zij AMS steeds hebben moeten vragen over ‘hoe en wat wordt gebouwd’ en AMS hen daarover niet (tijdig) of onjuist heeft geïnformeerd, dat AMS afspraken over planning en opleverdata niet nakwam en hen onjuist heeft geïnformeerd over de vergunningsaanvraag die buiten behandeling was gesteld. Daarnaast verwijten [eisers] AMS dat zij een dragende muur zonder constructieve berekeningen heeft doorgebroken en in eerste instantie een ondeugdelijke staalconstructie heeft geplaatst. 4.8. [eisers] hebben niet gesteld, laat staan onderbouwd dat de overeenkomst ‘als gevolg’ van misleidende informatie of het ontbreken van essentiële informatie tot stand is gekomen, terwijl de stelplicht en bewijslast hiervan op hen rusten. Het verweer van AMS op dit punt slaagt dan ook. De overeenkomst is op die grond niet vernietigbaar. II. Ontbinding van de aanneemovereenkomst Verzuim 4.9. [eisers] stellen dat zij de aanneemovereenkomst bij e-mail van 3 mei 2022 hebben ontbonden. De bevoegdheid tot ontbinding baseren [eisers] op het in verzuim zijn van AMS doordat zij fatale termijnen heeft overschreden, te weten van 1 augustus 2021, van 4 of 18 oktober 2021 of anders omdat [eisers] op 3 mei 2022 moesten vaststellen dat AMS de nadere opleverdatum van 1 juni 2022 ook niet zou halen. AMS betwist in verzuim te zijn geraakt, onder meer omdat partijen in het geheel geen fatale datum zijn overeengekomen. 4.10. Voorop staat dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De bevoegdheid tot ontbinding ontstaat pas wanneer de schuldenaar in verzuim is, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is. Verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. Een tussen partijen overeengekomen bepaalde termijn voor nakoming is dus in beginsel ‘fataal’. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot het bestaan van een bepaalde termijn op de schuldeiser, [eisers] dus. De stelplicht en bewijslast in verband met de uitzondering, dat de termijn een andere strekking heeft dan die van een fatale termijn, rusten op de schuldenaar, AMS dus. 4.11. De rechtbank is van oordeel dat van het verstrijken van fatale termijnen op 1 augustus 2021, 4 of 18 oktober 2021 geen sprake is en licht dit hierna toe. - 1 augustus 2021 4.12. De zinssnede in het klusoverzicht van februari 2021 dat “als het kan” [eisers] de verbouwing graag voor hun zomervakantie hebben afgerond (zie 2.2), duidt op een verzoek en niet op een overeengekomen bepaalde termijn en zo heeft AMS dit ook mogen begrijpen. Dat AMS later verwijst naar ‘onze planning van 1 augustus’ is op zichzelf onvoldoende basis voor het aannemen van een overeengekomen bepaalde (en fatale) termijn. Van meer dan een planning is geen sprake. Bovendien blijkt nergens uit dat partijen op het moment van het verstrijken van de gestelde termijn van 1 augustus 2021 hieraan (juridische) consequenties hebben verbonden. Integendeel, daarna is ‘gewoon’ verder gewerkt en op 10 september 2021 is de aanneemovereenkomst door partijen getekend. [eisers] hebben met de verwijzing naar het klusoverzicht van februari 2021 dus niet aannemelijk gemaakt dat partijen een bepaalde termijn van 1 augustus 2021 zijn overeengekomen. - 4 en 18 oktober 2021 4.13. In de aanneemovereenkomst zijn wel bepaalde oplevertermijnen opgenomen; 4 oktober 2021 voor ‘werk voor zover nodig voor verhuizing’ en 18 oktober 2021 voor resterende werkzaamheden. Dit zijn bepaalde termijnen die in beginsel fataal zijn. AMS heeft als verweer onder meer aangevoerd dat de afgesproken termijnen in de praktijk door partijen niet zo zijn bedoeld en niet als zodanig zijn gehanteerd. Partijen hebben de genoemde termijnen en planning steeds vooruitgeschoven, vanwege steeds door [eisers] verzochte extra werkzaamheden en late levering van door [eisers] bestelde materialen, aldus AMS. De rechtbank begrijpt het verweer zo dat als partijen aanvankelijk al een fatale termijn zouden hebben afgesproken, partijen zo niet gehandeld hebben en [eisers] zich (mede gelet op het gerechtvaardigd vertrouwen) daarom niet meer op die termijnen kunnen beroepen. Dit verweer slaagt. 4.14. Als partijen bij het afspreken van deze data al de bedoeling hadden om die data als fataal aan te merken, hetgeen de rechtbank in het midden laat, dan heeft in ieder geval te gelden dat uit de gedingstukken blijkt dat de afgesproken termijnen in de praktijk door partijen niet als zodanig zijn gehanteerd. Uit de overlegde bewijsstukken (alinea’s 2.15-2.22) blijkt dat partijen (ook) in de periode rondom 4 en 18 oktober 2021 nog overlegden over wensen, taken en uitvoering, ook met betrekking tot het ‘verhuisklaar’ maken waarvoor de termijn van 4 oktober 2021 was overeengekomen. Zo hebben [eisers] begin oktober 2021 nog bepalende ontwerp- en materiaalkeuzes hebben gemaakt, het aangenomen werk aangepast en opdracht hebben gegeven tot meerwerk. Partijen spraken daarbij beiden over (consequenties voor en vragen over) ‘de planning’ en een nieuwe ‘planning’ (alinea 2.21 en 2.23). De overeengekomen termijnen worden daarbij niet genoemd, laat staan als ‘fataal’ en overschreden. [eisers] vermelden in die periode op 6 en 13 oktober ook specifiek (hun blijdschap met) de geboekte vooruitgang. Ook werden geen nieuwe termijnen afgesproken. De enige consequentie die partijen op dat moment aan het verstrijken van de termijnen hebben verbonden was dat AMS vanwege de handelwijze van [eiser 1] c.s de overeengekomen uitloopvergoeding over november 2021 niet was verschuldigd. Verder heeft AMS ‘gewoon’ verder gewerkt totdat [eisers] het werk stillegden. In maart 2022 zijn partijen met elkaar in overleg getreden over de voorzetting van de (herstel- en afmaak)werkzaamheden wat tot nadere afspraken en overeenkomst(
- en)heeft geleid. 4.15. De rechtbank volgt AMS dus in haar betoog dat partijen in die periode hebben gehandeld alsof sprake was van een afgesproken planning, die in overleg (meermalen) opschoof. Dat partijen in de overeenkomst een uitloopvergoeding zijn overeengekomen staat daaraan overigens niet in de weg. Onder deze omstandigheden is het (mogelijke) fatale karakter van de in de overeenkomst genoemde termijnen door de handelwijze van partijen komen te vervallen, zodat AMS door overschrijding van deze termijnen niet van rechtswege in verzuim is komen te verkeren. 4.16. AMS heeft ook gesteld dat enige vertraging haar niet kan worden toegerekend zodat verzuim ook daarom niet aan de orde is. Dit verweer vindt steun in de e-mails van 13 en 17 oktober 2021 van [eisers] (zie alinea’s 2.21 en 2.22) waarin onder meer staat: 13 oktober 2021: Hey [bedrijf 1], inderdaad goed om redelijk om te gaan met de punten die we extra vragen in relatie tot de afspraken rondom de planning en vergoeding. Janike en ik zullen in het weekend voorstel doen voor praktische invulling daarvan, 17 oktober 2021: Bijgaand ons voorstel over hoe om te gaan met uitloop die ontstaan is door extra wensen vanuit ons, die vallen binnen het ‘verhuisklaar maken’ van het huis. 4.17. Uit deze e-mails van [eisers] met daarbij hun aanzienlijke lijst aan ‘extra of aangepaste wensen binnen tijdslijnen verhuisklaar maken’ (rov. 2.22) volgt dat door [eisers] uitloop is ontstaan. Weliswaar hebben [eisers] aangevoerd dat zij pas op 17 oktober 2021 opdracht gaven tot meerwerk en hebben zij verklaard dat zij in die periode met de rug tegen de muur stonden en zij alleen om verdere vertraging te voorkomen AMS nog een kans boden aan haar verplichtingen te voldoen, maar die standpunten verhouden zich slecht met de hiervoor geciteerde e-mails van hun hand. [eisers] heeft in reactie op de bezwaren van AMS op de (steeds) wijzigende (uitvoering van) werkzaamheden in verband met de gevolgen de voor de planning en de daaraan gekoppelde uitloopvergoeding, ook erkend dat hun handelwijze daaraan debet is. Dus als de rechtbank, anders dan hiervoor, tot de conclusie zou zijn gekomen dat sprake zou zijn van het verstrijken van fatale termijnen op 4 en 18 oktober 2021, zou AMS ook dan niet in verzuim zijn, omdat de vertraging haar (op dat moment) niet kon worden toegerekend. 4.18. Gezien het voorgaande kan de rechtbank de stelling van [eisers] dat AMS in verzuim is geraakt door het verstrijken van de termijnen van 4 en 18 oktober 2021 niet volgen. Dit is anders wat betreft de nadere opleverdatum van 1 juni 2022. - 1 juni 2022 4.19. [eisers] hebben (meer) subsidiair gesteld dat partijen tijdens hun overleg van begin maart 2022 hebben besproken dat het voor [eisers] van groot belang was dat alle herstelwerkzaamheden - constructief en overig - op 1 juni 2022 zouden zijn afgerond, omdat zij dan weer een tijdelijke woning moesten verlaten en in de woning wilden trekken. AMS heeft toen te kennen gegeven dat de overige herstelwerkzaamheden binnen twee maanden konden zijn afgerond, aldus [eisers] Volgens [eisers] was die datum een nieuwe bepaalde (en fatale) termijn. 4.20. AMS heeft niet weersproken dat partijen over oplevering op 1 juni 2022 hebben gesproken en dat zij heeft medegedeeld dat zij het resterende herstelwerk - waarvan partijen op 25 maart 2022 overeenkwamen dat AMS dat zou uitvoeren - in twee maanden (en dus voor 1 juni 2025) kon afronden. Daarmee is naar oordeel van de rechtbank sprake van een overeengekomen bepaalde termijn ten aanzien van de resterende herstelwerkzaamheden. AMS heeft zich enkel op het standpunt gesteld dat als er een fatale termijn zou bestaan dat mogelijk 1 juli 2022 zou zijn geweest. AMS heeft, met het noemen van deze niet nader toegelichte datum, onvoldoende gesteld dat de termijn van 1 juni 2022 geen fataal karakter heeft. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat 1 juni 2022 als fatale termijn te gelden had. 4.21. Toen AMS begin mei 2022 nog steeds geen aanvang hadden gemaakt met deze werkzaamheden was, vanwege de door AMS zelf genoemde duur van twee maanden, nakoming binnen de oplevertermijn van 1 juni 2022 niet meer reëel, aldus [eisers] AMS heeft aangevoerd dat zij nog van plan was om met [eisers] in overleg te gaan over de nog uit te voeren werkzaamheden, maar zij heeft na haar e-mail van 20 april 2022 niets meer van zich laten horen en heeft niet weersproken dat het haar niet meer zou lukken de herstelwerkzaamheden alsnog voor 1 juni 2022 af te ronden. AMS heeft bijvoorbeeld niets gesteld over eventuele voorbereidingen voor het resterende werk. De rechtbank volgt [eisers] daarom in hun betoog dat op 3 mei 2022 duidelijk was dat AMS de termijn van 1 juni 2022 niet meer zou kunnen halen. 4.22. AMS heeft betoogd dat AMS ook toen niet in verzuim was, omdat [eisers] de overeenkomst voor die datum al hadden opgezegd. Dat volgt de rechtbank niet, want AMS gaat er daarmee aan voorbij dat in artikel 6:80 lid 1, aanhef en onder a, Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de gevolgen van niet-nakoming al intreden voordat de vordering opeisbaar is, als vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn. Bij een dreigende tekortkoming dus. De tekortkoming kan onder meer bestaan uit niet tijdig presteren, dat wil in dit geval zeggen dat het werk niet op 1 juni 2022 wordt opgeleverd. Beroep op schuldeisersverzuim en opschorting gaat niet op 4.23. Volgens AMS waren [eisers] (alsnog) niet bevoegd de overeenkomst te ontbinden, omdat er al eerder sprake was van schuldeisersverzuim aan de kant van [eisers] Zij hadden namelijk de factuur van 15 november 2021 niet betaald en vanaf eind november 2021 hebben zij het werk tijdelijk stilgelegd en AMS niet in de gelegenheid gesteld haar (overige) werkzaamheden voort te zetten. Dit verweer is een zogenoemd zelfstandig verweer waarvoor AMS de stelplicht en bij gemotiveerde betwisting de bewijslast draagt. Het verweer faalt. De rechtbank licht dat toe. 4.24. [eisers] hebben voldoende onderbouwd dat de factuur van 15 november 2021 prematuur was; de vierde factuur zou op grond van het overeengekomen betalingsschema pas ‘na volledige oplevering’ worden uitgebracht en dat was nog niet aan de orde. Met de factuur werden ook posten in rekening gebracht die nog niet waren afgerond en dat was niet de afspraak. De enkele stelling van AMS dat de factuur grotendeels meerwerk betreft is onvoldoende voor de conclusie dat de factuur op dat moment al opeisbaar was. AMS heeft namelijk niet gesteld dat er tussen partijen andere betalingsafspraken voor meerwerk golden. Bovendien, zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat [eisers] ten onrechte de hier bedoelde factuur niet hebben betaald, dan heeft die wanbetaling op zich kennelijk niet verhinderd dat AMS haar werk voortzette en is er wat dat betreft geen sprake van schuldeisersverzuim. 4.25. AMS heeft ook gesteld dat het haar vrij stond haar werkzaamheden op te schorten, omdat [eisers] weigerden te betalen. Ook daarom is zij niet in verzuim, aldus AMS. Dit verweer gaat al niet op, omdat zoals hiervoor overwogen niet is komen vast te staan dat [eisers] in verzuim waren ten aanzien van de vierde factuur. 4.26. Dat sprake is van schuldeisersverzuim, omdat [eisers] het werk (ten onrechte) tijdelijk hebben stilgelegd en tijdens de bouwstop geen enkele werkzaamheden meer hebben toegestaan, volgt de rechtbank ook niet. AMS heeft de conclusie van [bedrijf 2] dat de eerste staalconstructie van AMS ‘onveilig’ was en de conclusie van DBI dat ‘de gehele staalconstructie opnieuw zal moeten worden aangebracht’, niet weersproken. De rechtbank volgt [eisers] er daarom in dat zij (in verband met de veiligheid) alle verdere werkzaamheden in de woning kon stilleggen, totdat deze constructie met een essentiële draagfunctie was aangepast. [eisers] waren daartoe op grond van artikel 17 van de Covo2010 ook uitdrukkelijk gerechtigd. De oorzaak van het stilleggen van het werk komt voor rekening van AMS. Er is dus ook op deze grond geen sprake van schuldeisersverzuim. Conclusie verzuim en ontbinding 4.27. Uit het voorgaande volgt dat als niet (voldoende) betwist vaststaat dat
- i)1 juni 2022 een fatale termijn was,
- ii)op 3 mei 2022 duidelijk was dat AMS die termijn niet meer zou kunnen halen en iii) geen sprake is van verzuim aan de kant van [eisers] Dat betekent dat op dat moment de bevoegdheid van [eisers] om de aanneemovereenkomst te ontbinden (op voorhand) was ingetreden. [eisers] hebben de aanneemovereenkomst op 3 mei 2022 dan ook rechtsgeldig ontbonden. De rechtbank zal de onder 3. gevorderde verklaring voor recht dan ook toewijzen. Gelet daarop valt niet in te zien dat bij toewijzing van de onder 1. gevorderde verklaring voor recht (nog) een belang bestaat. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. III. Gevolgen ontbinding aanneemovereenkomst 4.28. De rechtbank komt vervolgens toe aan de gevolgen van de ontbinding. [eisers] vordert een vergoeding - exclusief de uitloopvergoeding en deskundigenkosten - van in totaal € 59.201,00. 4.29. Volgens AMS is het niet duidelijk op welke rechtsgrond [eisers] de gevorderde schadevergoeding baseren. [eisers] hanteren niet de juiste berekeningswijze. AMS heeft daardoor in het duister moeten tasten naar het standpunt van [eisers] en dat is, zo begrijpt de rechtbank AMS, in strijd met de goede procesorde. De vordering moet volgens AMS reeds daarom worden afgewezen. 4.30. Het is juist dat [eisers] niet (met zoveel woorden) is ingegaan op de met de ontbinding verbonden ongedaanmakingsverbintenissen over en weer en de schadevergoeding bij ontbinding op grond van artikelen 6:271-272 en 6:277 BW. Dat leidt niet tot de conclusie dat sprake is van strijd met de goede procesorde en dat de vordering reeds daarom moet worden afgewezen. [eisers] hebben in hun Overzicht schadeposten opgenomen in randnummer 3.21 van de conclusie van 2 oktober 2024, en meer uitgebreid in productie 84 onder de kolom ‘daadwekelijke kosten’, een splitsing gemaakt tussen ‘kosten herstel fouten’ en ‘meerkosten afronden werk door derde partij’. Naar oordeel van de rechtbank geeft het overzicht op zichzelf voldoende duidelijkheid over de kosten die [eisers] vergoed willen zien. AMS zelf heeft in haar conclusie van antwoord rekening gehouden met afrekening op grond van ongedaanmakingsverbintenissen en kon daarbij ingaan op de door [eisers] gevorderde kosten. De rechtbank ziet dan ook geen strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal de vorderingen strekkend tot vergoeding van [eisers] dus inhoudelijk beoordelen in het kader van, de rechtsgronden aanvullend, de artikelen 6:271-272 en 6:277 BW. - wederzijdse ongedaanmakingsverbintenissen 4.31. Artikel 6:271 BW regelt dat vanwege de ontbinding [eisers] niet meer zijn gehouden om de rest van de aanneemsom te betalen, AMS de werkzaamheden niet hoeft af te maken en voor beide partijen ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan voor de door hen ontvangen prestaties. Tussen partijen is niet in geschil dat de totale aanneemsom € 104.526,00 bedraagt waarvan [eisers] € 77.620,05 hebben betaald. Dit betekent dat (in beginsel) op AMS een verbintenis rust tot ongedaanmaking van de door [eisers] verrichte prestatie, te weten de betaling van het bedrag van € 77.620,05. Maar AMS heeft ook prestaties geleverd; zij heeft werkzaamheden verricht aan de woning van [eisers] Deze kunnen naar hun aard niet ongedaan worden gemaakt. Dit brengt mee dat [eisers] geen recht hebben op onverkorte terugbetaling van de door hen betaalde aanneemsom, maar dat hierop een door hen aan AMS verschuldigde waardevergoeding in mindering moet worden gebracht. 4.32. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen nauwelijks van mening verschillen voor welk bedrag AMS tot 3 mei 2022 werk heeft verricht; volgens AMS voor € 94.508,00 (€ 104.526,00 - € 10.018,00) en volgens [eisers] voor € 92.136,05 (€ 77.620,05 + € 14.516,00 aan wel verrichte werkzaamheden en nog verschuldigd, aldus [eisers]-). Volgens [eisers] vertegenwoordigen die bedragen echter niet de waarde van het werk, omdat de geleverde prestatie gebrekkig was. Zij verwijzen daarbij naar de rapporten van [bedrijf 2] en DBI. AMS heeft de inhoud van deze rapporten niet betwist. 4.33. In geval van niet (volledig) uitgevoerd en/of gebrekkig uitgevoerd werk wordt de waardevergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger werkelijk heeft gehad. De rechtbank neemt het gemiddelde van € 93.322,25 als uitgangspunt voor het verrichtte werk. De door [eisers] opgevoerde kosten om tekortkomingen in het werk van AMS te herstellen bedragen € 48.177 inclusief de post elektra. [eisers] hebben dit onderbouwd met een uitgebreid Excel-overzicht met onderliggende gespecificeerde offerte en facturen van [bedrijf 3] en betalingsbewijzen. Daarbij hebben zij vermeld dat bij de post elektra (€ 26.525) niet echt onderscheid is te maken tussen herstelkosten en meerkosten afronden door een derde partij. Uit de onderliggende overzichten blijkt echter dat de kosten voor vervangen omvormer van € 131 en kosten voor het opmaken van de vloer ten behoeve van elektra en herstellen 1e etage van € 575 (enkel) als herstelkosten zijn opgevoerd. AMS heeft betwist aansprakelijk te zijn voor de herstelkosten voor de omvormer. De rechtbank zal deze post als onvoldoende onderbouwd niet betrekken bij de berekening van de waardevergoeding. De rechtbank acht gelet op het rapport van DBI wel aannemelijk dat (meer) herstelkosten zijn gemaakt zijn op het gebied van elektra. De onderliggende producties bij het overzicht geven de rechtbank evenwel geen enkel handvat hoe het (resterende) gevorderde bedrag toe te schrijven aan herstelkosten. De rechtbank zal daartoe aansluiting zoeken bij het rapport van DBI. DBI heeft aan herstelkosten voor elektra- en loodgieterswerkzaamheden tezamen € 14.000 begroot. AMS heeft het rapport van DBI, als gezegd, niet betwist. [eisers] hebben € 3.674 opgevoerd als herstelkosten loodgieterswerk. Dat betekent dat - naast de toe te wijzen € 575 - aan de hand van het rapport dan een bedrag van € 9.620 resteert als aan herstel van elektra toe te wijzen kosten. De rechtbank zal daarom € 10.195 betrekken bij de berekening van de waardevergoeding voor het werk. Voor het overige kan deze post als onvoldoende onderbouwd niet worden meegenomen in de berekening. 4.34. Daarnaast hebben [eisers] een bedrag van € 8.079,- meegerekend aan herstelkosten van de doorbraak. AMS heeft - als nader overeengekomen - op instructie van [eisers] de staalconstructie naar ontwerp van constructeur [bedrijf 2] en onder zijn begeleiding op eigen kosten aangepast en opgeleverd. In die overeenkomst is onder meer opgenomen dat AMS de stempels verwijdert en zorgt voor herstel schade stempels en afwerking constructie en dat AMS de kosten voor de werkzaamheden voor haar rekening neemt. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet goed in te zien dat AMS op dit onderdeel nog een vergoeding is verschuldigd. Dat de teken-, reken- en begeleidingskosten voor rekening van AMS komen is namelijk niet afgesproken en dat AMS - ondanks dat dit onderdeel is opgeleverd - ten onrechte verder schadeherstel heeft verricht, is niet onderbouwd. Deze gestelde kosten zal de rechtbank dan ook niet meenemen bij de berekening van de waardevergoeding. 4.35. Voor het overige heeft AMS de posten niet concreet betwist. AMS stelt wel dat de opgevoerde bedragen voor de (meer)kosten die de derde partij gemaakt heeft niet in verhouding staan tot de betalingen die zij voor haar werk heeft ontvangen. Voor zover zij daarmee betoogt dat de opgevoerde (herstel)kosten onredelijk zijn, had het op haar weg gelegen dat nader te onderbouwen. Dat heeft AMS niet gedaan. De rechtbank ziet in het gestelde dus geen aanleiding de opgevoerde herstelkosten als onredelijk aan te merken. Dit leidt ertoe dat de rechtbank zal uitgaan van een totaalbedrag aan herstelkosten van € 23.768 . De waarde van de door [eisers] te vergoeden prestatie komt daarmee op € 69.554,03 (€ 93.322,03 - € 23.768,-). Dit betekent dat na verrekening met de betaalde termijnbedragen [eisers] aan AMS een bedrag van € 8.066,02 meer hebben betaald dan waartoe zij op grond van de ongedaanmakingsverplichtingen waren verplicht. Dat bedrag moet AMS aan [eisers] terugbetalen. Hiermee wordt de waarde van het verrichte werk afgerekend, zodat voor nog een betaling voor de verrichte werkzaamheden van € 14.516 geen grond bestaat. - schadevergoeding bij ontbinding 4.36. Daarnaast moet AMS aan [eisers] de schade vergoeden die zij lijden doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Voor de bepaling van de omvang van die schade dient de vermogenssituatie die zou resulteren uit een ontbinding na afwikkeling van de ongedaanmakingsverbintenissen en zonder schadevergoeding te worden vergeleken met die welke zou zijn voortgevloeid uit een onberispelijke nakoming van de overeenkomst. 4.37. [eisers] maken aanspraak op vergoeding van de (meer)kosten die zijn gemaakt om het werk door [bedrijf 3] te laten afmaken, namelijk een totaalbedrag van € 47.549 inclusief de post elektra, uitgezonderd de specifiek aan herstel toegeschreven kosten voor vervangen omvormer en opmaken van de vloer. Ter onderbouwing van deze schade verwijzen zij naar het hiervoor genoemde kostenoverzicht. Dit is het bedrag dat zij meer kwijt zijn aan (onderaannemers van) [bedrijf 3] doordat AMS het werk niet heeft afgemaakt, zo stellen [eisers] 4.38. AMS heeft aangevoerd dat [eisers] onder de noemer meerkosten alle kosten van het afmaken van het werk vordert. Daarmee vorderen [eisers] vervangende schadevergoeding naast ontbinding en dat is niet mogelijk, aldus AMS. [eisers] hebben op zitting het standpunt ingenomen dat de ‘meerkosten afronden werk door derde’ alleen betreffen meerkosten van de derde ten opzichte van het overeengekomen bedrag met AMS. 4.39. De rechtbank kan met de ter onderbouwing van het standpunt van [eisers] overgelegde stukken niet vaststellen dat de gevorderde meerkosten enkel zien op meerkosten ten opzichte van de door AMS gehanteerde prijzen. In de offerte van [bedrijf 3] van mei 2022 ‘calculatie overnemen werkzaamheden’ is een bedrag van € 60.787,40 geoffreerd. Dat komt nagenoeg overeen met de door [eisers] gevorderde herstel- en meerkosten ten bedrage van € 59.201 (overzicht randnr. 3.21 conclusie van [eisers]). De offerte van [bedrijf 3] aan [eisers] ziet zowel op herstelwerkzaamheden als afmaken afgesproken werkzaamheden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het gevorderde bedrag aan meerkosten alleen de meerkosten ten opzichte van de met AMS overeengekomen kosten voor werkzaamheden betreft. Dat betekent dat de rechtbank AMS volgt in haar betoog dat [eisers] met de meerkosten geen aanvullende schadevergoeding vragen, maar vervangende schadevergoeding. Daarvoor is naast ontbinding geen plaats. De gevorderde meerkosten worden daarom afgewezen. Verrekeningsverweer 4.40. AMS heeft, zo begrijpt de rechtbank, uiterst subsidiair een beroep op verrekening gedaan met € 46.080,00, of anders met € 32.983,55, zijnde de hoogte van de factuur van 15 november 2021, aldus AMS. AMS heeft deze bedragen gebaseerd op een afrekening tussen partijen na opzegging. 4.41. Omdat sprake is van een rechtsgeldige ontbinding, en dus geen sprake is van opzegging, kan AMS geen aanspraak maken op betaling van de volledige aanneemsom minus besparingen, zoals AMS doet. Dit staat aan de gevorderde verrekening in de weg. Voorts heeft de rechtbank de beoordeling van een tegenvordering van AMS voor verrichte werkzaamheden al betrokken bij de berekening van de te vergoeden prestatie (zie alinea 4.32). Voor een verdere betaling door [eisers] bestaat geen grond. Dat betekent dat voor (verdere) verrekening geen plaats is. Ten aanzien van de factuur van 15 november 2021 merkt de rechtbank nog op dat deze factuur € 27.083,17 bedraagt, de reeds betaalde factuur van 18 oktober 2021 bedraagt € 32.983,55. Uitloopvergoeding 4.42. [eisers] hebben ook betaling van € 16.200 gevorderd op grond van de overeengekomen uitloopvergoeding over de periode vanaf 4 oktober 2021 tot en met juni 2022, uitgezonderd de maand november 2021. Deze vergoeding zal als onbetwist worden toegewezen. Deskundigenkosten 4.43. Voor de kosten voor het rapport van DBI van € 3.872 is AMS aansprakelijk. Het gaat hier immers om redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Volgens AMS waren de kosten niet noodzakelijk ten behoeve van de vaststelling van de aansprakelijkheid, omdat partijen nog gewoon in overleg waren en AMS nog werkzaamheden wenste te verrichten en zou verder niet zijn gebleken dat [eisers] de factuur voldaan hebben. Anders dan AMS betogen heeft het rapport, zoals uit het bovenstaande blijkt, wel bijgedragen aan de onderbouwing van de aansprakelijkheid en geleden schade. [eiser 1] hebben door overlegging van betalingsbewijzen ook aangetoond dat zij deze kosten hebben betaald. Conclusie 4.44. De conclusie is dat AMS in hoofdsom (inclusief deskundigenkosten en uitloopvergoeding) een bedrag van € 28.138,02 (€ 8066,02 + € 16.200 + € 3.872) aan [eisers] moet betalen. Tot dat bedrag zal de rechtbank de primaire vordering onder 5. toewijzen. Daarmee komt het belang aan de onder 2. en 4. gevorderde verklaringen voor recht te ontvallen. Wettelijke rente 4.45. [eisers] vorderen een vergoeding van wettelijke rente over de hoofdsom. Primair vorderen zij de rente vanaf 4 oktober 2021, maar zoals hiervoor overwogen is van verzuim vanaf 4 oktober 2021 geen sprake. De rechtbank zal wat betreft de kosten voor het deskundigenrapport de wettelijke rente toekennen vanaf de data van betaling daarvan door [eisers], zijnde vanaf 28 december 2021 over € 928,80 en vanaf 9 maart 2022 over € 2.943. Voor wat betreft de terugbetaling en de uitloopvergoeding overweegt de rechtbank dat [eisers] pas op 7 juli 2023 AMS hebben aangesproken op betaling van de hoofdsom met een termijn van veertien dagen. De rechtbank zal de wettelijke rente over deze posten toewijzen vanaf 22 juli 2023. Gedeeltelijke vergoeding van buitengerechtelijke kosten 4.46. [eisers] vorderen daarnaast op grond van Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een vergoeding van € 2.775,00 voor kosten die zij hebben gemaakt voor de voorbereiding van het (korte) overleg van 13 mei 2022 en de sommatiebrief van 7 juli 2023. 4.47. De rechtbank overweegt dat alleen de vordering tot betaling van de overeengekomen uitloopvergoeding onder het toepassingsbereik van dat besluit valt. De rechtbank zal op grond van het besluit wat betreft de uitloopvergoeding een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toekennen van € 937. 4.48. De rechtbank zal de vraag of voor wat betreft de betaling op grond van de ongedaanmakingsverbintenis en de vergoeding deskundigenrapport buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd, toetsen aan de eisen van het Rapport BGK-integraal. [eisers] hebben niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eisers] vergoeding vorderen, moeten voor deze posten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. Bewijsaanbod 4.49. Aan het bewijsaanbod van [eisers] gaat de rechtbank voorbij, omdat [eisers] enkel bewijs hebben aangeboden van hun stelling dat AMS tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst. Aan het bewijsaanbod van AMS gaat de rechtbank voorbij, omdat zij geen feiten heeft gesteld, die indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Uitvoerbaar bij voorraad 4.50. [eisers] hebben gevorderd dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, maar AMS heeft daartegen verzet. 4.51. Uit vaste rechtspraak volgt dat het uitgangspunt is dat een veroordeling, tijdens een hoger beroep procedure uitvoerbaar moet zijn. De rechtbank kan van dit uitgangspunt afwijken als het belang van AMS bij behoud van de huidige toestand groter is dan het belang van [eisers] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad. [eisers] hebben een duidelijk belang bij de uitvoerbaarverklaring, aangezien het vonnis ziet op betaling van een geldsom. AMS heeft daar tegenover aangevoerd dat een veroordeling voor haar een ‘total loss’ zou betekenen en dat zij niet over het geld beschikt om de gevorderde bedragen te betalen. De rechtbank begrijpt het verzoek van AMS zo dat bij een veroordeling zij failliet dreigt te gaan, maar een dreigend faillissement is door haar op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dat geen reden kan zijn voor afwijzing van de verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad. Om die reden zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Proceskosten 4.52. AMS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat een aanzienlijk deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, wordt het liquidatietarief gehanteerd dat past bij het uiteindelijk toe te wijzen bedrag. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 139,42 - griffierecht € 1.325,00 - salaris advocaat € 1.572,00 (2 punten × € 786) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.175,42 4.53. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.54. De vordering van AMS in reconventie is, als toegelicht, gegrond op opzegging van de overeenkomst door [eisers] en zo ook berekend, maar zoals in conventie is geoordeeld is de overeenkomst niet opgezegd maar ontbonden met ongedaanmakingsverplichtingen tot gevolg. De vordering onder b. betreffende ‘meerwerk en nacalculatie stelpost' die ziet op betaling van een restant van de aanneemsom kan om die reden niet worden toegewezen. 4.55. Ook de vordering onder a. voor betaling van de factuur van 15 november 2021 van € 27.083,17 voor verrichte werkzaamheden – aldus AMS - zal niet worden toegewezen. Zoals volgt uit de beoordeling in conventie zijn verrichte werkzaamheden reeds betrokken bij de beoordeling van de waarde van de door AMS geleverde prestatie. Voor betaling van een factuur daarnaast bestaat, als gezegd, geen grondslag. 4.56. De vorderingen onder a. en b. zullen worden afgewezen. Dit betekent dat ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. 4.57. AMS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.567,00 4.58. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. verklaart voor recht dat de aanneemovereenkomst tussen [eisers] en AMS is ontbonden, 5.2. veroordeelt AMS om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 28.138,02, 5.3. veroordeelt AMS om aan [eisers] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over: € 928,80 vanaf 28 december 2021 en over € 2.943,33 vanaf 9 maart 2022, € 23.822,02 vanaf 22 juli 2023, tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt AMS om aan [eisers] te betalen van de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 937,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.5. veroordeelt AMS in de proceskosten van € 3.175,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 5.6. wijst de vorderingen van AMS af, 5.7. veroordeelt AMS in de proceskosten van € 2.567,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en in reconventie 5.8. veroordeelt AMS tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als AMS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.9. veroordeelt AMS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald tot de dag van volledige betaling, 5.10. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 t/m 5.5 en 5.7 t/m 5.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025. 1680 www.ser.nl/-/media/ser/downloads/algemene-voorwaarden/verbouwingen-2015.pdf Artikel 6:265, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Artikel 6:265, tweede lid, BW Artikel 6:83, aanhef en onder a, BW artikel 6:83, aanhef en onder a, BW artikel 6:81 BW, slot artikel 6:272 lid 2 BW som van € 26.525 + € 3.574 + € 8.079 + € 4.045 + € 2.541 + € 1.271 + € 1.208 + € 504 + € 430 productie 84 bij conclusie vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie € 14.000 – € 3.674 – € 131 – 575.- = € 9.620 € 48.177 – (€ 26.525 – € 10.195 =) € 16.330 – € 8.079 = € 23.768 € 69.554,03 - € 77.620,05 = - € 8.066,02 artikel 6:277 lid 1 BW Vergelijk arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026