Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/6520 uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de inspecteur van de Douane, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over de verschuldigdheid van invoerrechten en omzetbelasting voor het meenemen van gouden sieraden door het groene kanaal op Schiphol. Verweerder heeft met dagtekening 29 april 2024 aan eiser een uitnodiging tot betaling (de utb) uitgereikt van € 8.247,61, bestaande uit € 858,23 aan invoerrechten en€ 7.389,38 aan omzetbelasting. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft eiser een formulier proceskosten ingediend. De rechtbank heeft een kopie daarvan aan verweerder gestuurd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [naam 3] tot bijstand vergezeld van [naam 4] (douaneambtenaar fysiek toezicht). Overwegingen Feiten 1. Eiser, woonachtig in Nederland, is op 2 april 2024 vanuit de Verenigde Arabische Emiraten op Schiphol aangekomen. Eiser verliet de aankomsthal via het zogenaamde groene kanaal “niets aan te geven”. Tijdens een controle zijn 20 sieraden in de (hand)bagage aangetroffen waaronder de volgende 15 sieraden: - 1 AERCE0000520 Polki Diamond, ear ring default d-1.700ct/168, - 1 AERCN 0000478 Polki Diamond Necklace, Default D-8.380CT/602, - 1 NPK087284 Polki Diamond bangle, Default D-6.340CT/1, - 1 NPK087285 Polki Diamond bangle, Default D-6.380CT/1, - 1 NPK087282 Polki Diamond bangle, Default D-6.070CT/1, - 1 NPK087283 Polki Diamond bangle, Default D-5.980CT/1, - 1 NPK088712 Polki Diamond Necklace default, D-15.340CT/1569.OT, - 1 A11000013261 STUD_22K, - 1 A14000001440 NECKLACE_22K, - 1 AE1200018057 Chain_22K, - 1 AE1300006115 Bangle_22K, - 1 AE1300006119 Bangle_22K, - 1 U121391619 Chain_22K, - 1 U131693204 Bangle_22K en - 1 U170552080 Bracelet_22K. Voor vijf andere sieraden is vrijstelling aan eiser en zijn medereizigers verleend. 2. In verband met het in het vrije verkeer brengen van voornoemde sieraden is de utb uitgereikt. De douanewaarde van deze goederen is aan de hand van de door eiser overgelegde facturen vastgesteld op € 34.329,30. 3.1. Tot de stukken van het geding behoort een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal Fiscaal van 10 april 2024, 2024 65 0103244. In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “Plaats/reisgegevens (…) Locatie (werkpunt) √ Aankomsthal 3 (…) Groene/rode kanaal √ groen (…) Fiscale strafbeschikking niet uitgereikt: De verdacht heeft aangegeven de Fiscale strafbeschikking niet te betalen. Derhalve is er geen Fiscale strafbeschikking uitgereikt. (…) Verleende vrijstelling t. b.v. reizigersverkeer: 1 stuk “Anklet 18 karaat”, 1 stuk “Stud 22 karaat’, 1 stuk “Ring 22 karaat”, 1 stuk “Diamond nosepin 22 karaat”, 1 stuk “Diamond nosepin 22 karaat” In totaal 5 goederen met een totale waarde van €1135,04 verdeeld over -5- medereizigers. De overige goederen hadden een waarde boven €430,-” Als bijlagen bij het proces-verbaal zijn onder meer drie facturen, foto’s van de sieraden en het onder 3.2 genoemde proces-verbaal van verhoor gevoegd. 3.2. Verder behoort tot de stukken van het geding een proces-verbaal van verhoor van eiser van 2 april 2024, nummer 2024 65 0103244. In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “ Vraag : Waar komt uw vlucht vandaan? Antwoord: uit Dubai. Vraag: Hoe komt u aan de sieraden? Antwoord: Wij hebben oude gouden sieraden meegenomen uit Nederland, die hebben wij daar laten omsmelten tot deze nieuwe sieraden voor de bruiloft van mijn dochter. Vraag: Voor wie zijn de sieraden bestemd? Antwoord: Voor mijn dochter. Vraag: Waarom heeft u de sieraden niet aangegeven bij de douane? Antwoord: Wij dachten dat omdat we daar al belasting betaald hadden wij niet hier nog eens belasting hoefde te betalen, bovendien hadden wij over de oude sieraden al eens belasting betaald (…) √ Ik heb de verdachte medegedeeld dat deze als gevolg van dit proces-verbaal, naast de te betalen belastingen, ook een boete (FSB) op het woonadres kan ontvangen.” 4. Verweerder heeft met dagtekening 29 april 2024 aan eiser de utb uitgereikt. 5. Tot de stukken van het geding behoren onder meer twee door eiser overgelegde facturen van de aankoop van sieraden van 26 maart 2024, een purchase receipt van inruil van sieraden van 26 maart 2024 en creditcardafschriften van 26 maart 2024 en 2 april 2024. Tevens behoren tot de stukken van het geding door verweerder overgelegde foto’s van sieraden met labels met nummers die corresponderen met nummers de onder 1 beschreven sieraden. Die foto’s zijn gemaakt tijdens de controle. Geschil 6. In geschil is of de utb terecht aan eiser is uitgereikt, hetgeen eiser ontkent en verweerder bevestigt. 7. Eiser stelt dat er sprake is van terugkerende goederen. In dat kader licht eiser toe dat hij sieraden heeft meegenomen naar Dubai om deze om te ruilen voor andere sieraden. De meegenomen sieraden zijn Uniegoederen. Eiser stelt dat de functionaliteit van de sieraden niet is gewijzigd. Het gaat in beide gevallen om gouden sieraden voor vrouwen. De waarde van de ingeruilde sieraden is nagenoeg dezelfde als die van de in Dubai daarvoor geruilde sieraden. Eiser betoogt dat artikel 203, vijfde lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) is opgenomen in het DWU om misbruik te voorkomen en dat van misbruik in casu geen sprake is. Daarnaast stelt eiser dat hij aanvullend op de ruil een aantal sieraden heeft gekocht en dat enkel over de aankoopwaarde van deze sieraden (€ 11.030) - en niet over de waarde van de omgeruilde sieraden - invoerrechten en omzetbelasting betaald hoeft te worden. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat deze economische realiteit in ogenschouw moet worden genomen. Ook heeft hij een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. De belastingheffing moet in verhouding staan tot de situatie en het is niet zo dat voor € 35.000 aan sieraden is gekocht, zodat de belastingheffing onevenredig is. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de utb. Verder verzoekt eiser dat verweerder in de proceskosten wordt veroordeeld. 8. Verweerder voert aan dat de sieraden - waarvoor de utb is uitgereikt - geen Uniegoederen zijn. Voor zover sprake is van omsmelten van oude sieraden, zijn nieuwe sieraden ontstaan. De sieraden zijn niet teruggekeerd in dezelfde staat waarin zij werden uitgevoerd (artikel 203, vijfde lid van het DWU). Voor zover eiser nieuwe sieraden heeft gekocht in Dubai met inruil van oude sieraden, gaat het ook om nieuwe sieraden. Het is daarbij niet van belang hoe en of met wat er is betaald voor deze nieuwe sieraden, dus of er oude sieraden zijn ingeruild. Voorts voert verweerder aan dat eiser geen beroep kan doen op de vrijstelling van de rechten bij invoer voor persoonlijke bezittingen van reizigers omdat de sieraden niet vrijgesteld zijn van omzetbelasting. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de sieraden heeft binnengebracht vanuit de Verenigde Arabische Emiraten in Nederland via de luchthaven Schiphol. Ook is niet in geschil dat hij bij aankomst op Schiphol is gelopen door het groene kanaal “niets aan te geven” met de sieraden in de handbagage. Wettelijk kader 10. Op grond van artikel 79, eerste lid, van het DWU ontstaat een douaneschuld bij invoer als verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie niet worden nagekomen. 11. Op grond van artikel 201, eerste lid, van het DWU worden niet-Uniegoederen die bestemd zijn om op de markt van de Unie te worden gebracht of bestemd zijn voor particulier gebruik of consumptie binnen het douanegebied van de Unie, geplaatst onder de regeling in het vrije verkeer brengen. 12. Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder a, van het DWU ontstaat een douaneschuld bij invoer indien aan invoerrechten onderworpen niet-Uniegoederen onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen” worden gebracht. 13. Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) wordt omzetbelasting geheven ter zake van invoer van goederen. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet OB wordt voor de heffing van omzetbelasting onder invoer verstaan het brengen in Nederland van goederen die zich niet in het vrije verkeer van de Europese Unie bevinden. 14. Op grond van artikel 141 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (GvO) wordt voor goederen zoals bedoeld in artikel 138
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.