RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknummer : 11273437 \ WM VERZ 24-1241 CJIB-nummer : ['nummer'] Uitspraakdatum : 17 januari 2025 Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratief- rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [betrokkene] woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene). De verkeersboete en het beroep Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 17 januari
- Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Er is op de zitting uitspraak gedaan. De beoordeling De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken. Betrokkene voert in het beroepschrift – kort weergegeven- aan dat hij in Den Helder op de linker rijbaan stond te wachten voor de verkeerslichten. Rechts van hem stond een vrachtwagen met een oplegger. Niemand wilde betrokkene ertussen laten om achter de vrachtwagen plaats te kunnen nemen. Bij het optrekken minderde de vrachtwagen vaart om betrokkene voor te laten gaan, daarbij was het niet te voorkomen om klein stukje over het verdrijvingsvlak te rijden. Daarbij is niemand in gevaar gebracht, aldus betrokkene. In de toelichting van het zaakoverzicht verklaart de verbalisant onder andere het volgende: “Ik, verbalisant, zag dat betrokkene [betrokkene] met zijn voertuig reedt over de kruising van de Provincialeweg N99 en de Karel Doormanweg (N250) te Den Helder. Betrokkene [betrokkene] reed in de richting van Den Helder en kwam uit de richting van Schagen. Ik zag dat betrokkene Oomes na deze voornoemde kruising niet tijdig invoegde. Ik zag dat betrokkene [betrokkene] voldoende tijd en ruimte had om in te voegen, echter gaf hij nog extra gas om een voor hem rijdend voertuig in te halen. Hierbij reed betrokkene [betrokkene] met zijn voertuig volledig over het verdrijvingsvlak. (…) Verklaring betrokkene: Ik heb er geen verklaring hoor.” De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt met betrekking tot de opgelegde boete te handhaven. Daarnaast stelt de vertegenwoordiger van de officier van justitie dat de betrokkene had moeten worden gehoord en dat dit niet is gebeurd en dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat de boete twee maal dient te worden gematigd met 25%. De kantonrechter oordeelt dat de boete terecht is opgelegd. Betrokkene ontkent de gedraging dan ook niet, maar doet een beroep op de omstandigheden van het geval. Betrokkene heeft gesteld dat hij genoodzaakt was om het verdrijvingsvlak te gebruiken, omdat door het overige verkeer geen ruimte werd gegeven om eerder in te voegen. Deze omstandigheid komt voor rekening van betrokkene nu dit niet meebrengt dat betrokkene geen andere mogelijkheid had dan het verdrijvingsvlak gebruiken. Het is aan betrokkene als bestuurder om tijdig de anticiperen op verkeerssituaties. De kantonrechter volgt het standpunt van de officier van justitie dat de hoorplicht is geschonden en dat de redelijke termijn van berechting is overschreden en ziet, met verwijzing naar de genoemde uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, aanleiding om de boete tweemaal met 25% te matigen. Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd zal worden gewijzigd. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; ‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd gedeeltelijk gegrond en wijzigt die beschikking, in die zin dat de boete wordt gematigd tot een bedrag van € 140,63 (met handhaving van de administratiekosten); ‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.J. Lourens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,
- Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending: Vgl. de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2022 en 28 juli 2023, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2022:9934 en ECLI:NL:GHARL:2023:6369.