RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/359327 / JU RK 24-1754 Datum uitspraak: 21 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, van de GI, ontvangen op 26 november
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari
- Daarbij waren aanwezig: - de moeder; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI. 1.
- De vader is – zonder afbericht – niet ter zitting verschenen. 2De feiten 2.
- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden. 2.
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- Bij beschikking van 25 januari 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 januari
- 2.
- Bij beschikking van 25 januari 2024 heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een netwerkpleegezin tot 25 juli
- Bij beschikking van 22 juli 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd in een netwerkpleegezin tot 25 augustus 2024 en aansluitend bij de gezaghebbende vader tot 25 januari
- 2.
- [de minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing bij haar vader. 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de gezaghebbende vader te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI schriftelijk het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] is in haar leven regelmatig geconfronteerd met hoogoplopende spanningen tussen de ouders en getuige geweest van huiselijk geweld. Daarnaast was er sprake van middelengebruik door de ouders. Vanwege de zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] is zij in januari 2024 onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij haar opa (mz) en zijn partner [partner] verleend. [de minderjarige] heeft zich bij haar opa en [partner] positief ontwikkeld. De opa en [partner] zijn in augustus 2024 verhuisd naar [plaats] . Omdat het niet in het belang was van [de minderjarige] om mee te verhuizen woont zij sinds augustus 2024 bij de vader. De vader heeft zijn leven gestabiliseerd en sinds de betrokkenheid van de GI zijn er geen signalen geweest dat vader onder invloed is geweest van middelen. IHUB heeft samen met de vader de ‘14 punten van goed genoeg ouderschap’ uitgewerkt waaruit ook naar voren komt dat [de minderjarige] bij haar vader kan opgroeien. De vader heeft laten zien dat hij er alles aan doet om zijn verantwoordelijkheid te nemen. [de minderjarige] is blij dat ze bij haar vader kan wonen en is sinds begin van het schooljaar gestart op haar oude school in [plaats] . In de opvoeding van [de minderjarige] is een traumasensitieve benadering noodzakelijk. De vader krijgt hiervoor hulpverlening vanuit IHUB en hij krijgt ook veel ondersteuning vanuit zijn netwerk. Het afgelopen jaar is duidelijk geworden dat het de moeder niet lukt om de zorg en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. De moeder heeft persoonlijke problematiek en is verslaafd aan alcohol en drugs. De moeder krijgt hulpverlening vanuit GGZ en DNO Doen. De moeder stelt zich wisselend op ten aanzien van de hulpverlening. De moeder realiseert zich dat [de minderjarige] een stabiele opvoeding nodig heeft en dat zij dat op dit moment niet kan bieden. De moeder heeft begeleid contact met [de minderjarige] in de weekenden dat [de minderjarige] bij haar familie verblijft. [de minderjarige] heeft behoefte aan contact met haar moeder, maar kan ook benoemen dat dit niet altijd betrouwbaar is geweest. Het is daarom duidelijk dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder ligt. 3.
- Omdat [de minderjarige] in het verleden veel heeft meegemaakt blijft de GI zorgen hebben over de ontwikkeling van [de minderjarige] . De GI acht het van belang dat de hulp voor [de minderjarige] , die is ingezet voor traumabehandeling, bij IHUB wordt voortgezet. Daarnaast acht de GI het ook van belang dat de komende periode gewerkt wordt aan het herstel van de hechtingsrelatie tussen [de minderjarige] en haar ouders. Met name de moeder moet worden aangestuurd om de hulpverlening aan te gaan. Verder is het noodzakelijk dat er toegewerkt wordt naar een regelmatige en voorspelbare omgang tussen [de minderjarige] en haar moeder. Nu de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is bepaald, en de moeder wisselend instemt met het verblijf van [de minderjarige] bij vader, is een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk. Het is daarbij noodzakelijk dat de komende periode benut wordt om toe te werken naar een permanente bepaling van het hoofdverblijf van [de minderjarige] . 3.
- In aanvulling op het voorgaande heeft de GI op de zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] en de ouders een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. De moeder is opgenomen geweest bij Triora, waardoor zij gestabiliseerd is. De vader zorgt goed voor [de minderjarige] en hij laat de hulpverlening van IHUB toe. Als de vader merkt dat de zorg voor [de minderjarige] hem te veel wordt, dan zoekt hij hulp en kan hij terugvallen op zijn netwerk. De komende periode moet nog wel gewerkt worden aan de verstandhouding en communicatie tussen de ouders met behulp van IHUB. Ook moet [de minderjarige] starten met EMDR-therapie. Omdat het nu weliswaar goed gaat maar dat de afgelopen periode niet altijd het geval is geweest, is het volgens de GI nog te vroeg voor afschaling naar het vrijwillige kader. 4De standpunten 4.
- De moeder staat achter de verzoeken van de GI. De moeder ziet een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing als een kans om te laten zien dat zij veranderd is. De moeder wil de komende periode laten zien dat zij stabiel en betrouwbaar is in de omgang met [de minderjarige] . De moeder geeft verder aan dat het contact met de vader zich op een goede manier aan het ontwikkelen is. Volgens de moeder kan de vader [de minderjarige] stabiliteit bieden en zou zij ermee instemmen als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] wordt gewijzigd naar de vader. 5De beoordeling 5.
- Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 5.
- De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] en de ouders de afgelopen periode een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. De moeder heeft zich laten behandelen bij Triora en stelt sindsdien niet meer te hebben gebruikt. Dat verdient een compliment. De vader zorgt goed voor [de minderjarige] en werkt nauw samen met de hulpverlening vanuit IHUB. Daarbij komt dat zowel de vader als de moeder een ondersteunend netwerk hebben waar zij op kunnen terugvallen. 5.
- Ondanks dat er de afgelopen periode binnen de ondertoezichtstelling positieve stappen zijn gezet, is het nog niet gelukt om de ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] helemaal weg te nemen. De GI heeft nog zorgen over de verstandhouding en de communicatie tussen de ouders. Ook moet de traumabehandeling voor [de minderjarige] nog starten. Verder dient de omgang tussen [de minderjarige] en haar moeder meer structuur te krijgen en voorspelbaar voor [de minderjarige] te worden. Ook wordt door de GI gezien dat, hoewel het goed gaat bij de vader thuis, de zorg voor [de minderjarige] soms zijn draagkracht overschrijdt. Gelet op alle stappen die nog moeten worden gezet, en op het prille karakter van de positieve ontwikkelingen, is de kinderrechter van oordeel dat het nog te vroeg is om af te schalen naar het vrijwillig kader. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. 5.
- De kinderrechter is tevens van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Voor de ontwikkeling van [de minderjarige] is het van belang dat zij op een rustige, stabiele en veilige plek verblijft waar zij structuur heeft. Deze plek heeft [de minderjarige] bij haar vader en het is belangrijk dat dit ook de komende periode gewaarborgd blijft. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is op dit moment nog bij de moeder bepaald, wat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing vooralsnog noodzakelijk maakt. De kinderrechter wijst het verzoek om verlenging van de machtiging daarom toe voor de verzochte duur van een jaar. De kinderrechter verwacht dat de ouders met ondersteuning van de GI in deze periode tot een permanente bepaling van het hoofdverblijf van [de minderjarige] komen, zodat daar duidelijkheid over is en een machtiging uithuisplaatsing in de toekomst niet meer nodig zal zijn. 5.
- De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 25 januari 2026; 6.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , bij de gezaghebbende vader, tot 25 januari 2026; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025 door mr. H.E.L. Grooten, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van der Linden als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam. Artikel 1:260, eerste lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.