← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:11704

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11298951 \ CV EXPL 24-6336 Vonnis van 19 maart 2025 in de zaak van [eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1], te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V., tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 2], te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: [gemachtigde]. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 augustus 2024; - het mondeling en schriftelijk antwoord van 25 september 2024; - het aanvullend antwoord van 16 oktober 2024; - de bij tussenvonnis van 6 november 2024 bepaalde mondelinge behandeling van 19 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. [eiser] voert een bedrijf in reparatie en onderhoud van machines voor algemeen gebruik en machineonderdelen. 2.
  4. [gedaagde] voert een bedrijf in elektrotechnische bouwinstallatie. 2.
  5. [eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden verricht. 2.
  6. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere facturen gezonden voor zijn werkzaamheden, die [gedaagde], ondanks meerdere sommaties, (deels) onbetaald heeft gelaten. 2.
  7. [gedaagde] heeft op 22 april 2024 een bedrag van € 4.945,87 aan [eiser] betaald. 3Het geschil 3.
  8. [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 975,57, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 26 maart 2024 dan wel vanaf datum dagvaarding, € 671,07 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten. 3.
  9. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten mondelinge overeenkomsten door een deel van zijn facturen onbetaald te laten. 3.
  10. [gedaagde] voert tot verweer dat [eiser] teveel uren in rekening heeft gebracht en concludeert tot betaling van € 242,
  11. 3.
  12. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  13. Deze zaak gaat over de vraag in hoeverre [eiser] recht heeft op betaling van het restant van de openstaande facturen. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] een bedrag van € 242,15 aan [eiser] moet betalen en overweegt daartoe als volgt. 4.
  14. Op grond van artikel 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet de rechter feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist als vaststaand beschouwen. Op grond van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten. Dat betekent dat [eiser] moet bewijzen dat hij een vordering heeft op [gedaagde] voor zover deze dat betwist. 4.
  15. Tussen partijen is niet in geschil dat zij mondelinge overeenkomsten hebben gesloten op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde]. Partijen zijn het alleen niet eens over de gewerkte uren die [eiser] daarvoor bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Volgens [eiser] staat er nog een bedrag van € 975,57 aan onbetaalde facturen open. [gedaagde] betwist dit en stelt dat het aantal gewerkte uren minder is dan door [eiser] is berekend in zijn facturen. [gedaagde] heeft [eiser] meermalen verzocht zijn facturen te specificeren of referenties op te geven voor de door hem berekende uren, wat [eiser] niet heeft gedaan. 4.
  16. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de door hem gewerkte uren niet nader kan onderbouwen. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij heeft uitgezocht en berekend dat hij, naast het reeds door hem betaalde bedrag van € 4.945,87, nog een bedrag van € 242,15 aan [eiser] dient te betalen. Omdat [eiser] niet kan aantonen dat de door hem gewerkte uren hoger liggen, wijst de kantonrechter de vordering van [eiser] toe tot het door [gedaagde] erkende bedrag van € 242,
  17. De wettelijke handelsrente 4.
  18. [eiser] vordert wettelijke handelsrente. [gedaagde] is deze wettelijke handelsrente verschuldigd omdat hij de facturen niet heeft betaald binnen de daarvoor gegeven betalingstermijnen. Omdat onduidelijk is gebleven op welke facturen het door [gedaagde] erkende bedrag ziet en ook niet is gesteld vanaf welk moment [gedaagde] dit bedrag verschuldigd is, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Buitengerechtelijke incassokosten 4.
  19. [gedaagde] betwist het door [eiser] gevorderde bedrag van € 671,07 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn. Volgens [gedaagde] is hem door een medewerker van Juristu op 8 april 2024 toegezegd, dat [gedaagde] deze kosten niet hoefde te betalen, omdat hij te kennen had gegeven dat hij van plan was om de openstaande schuld te voldoen. [eiser] betwist dat Juristu deze toezegging heeft gedaan. Omdat [gedaagde] zijn betoog niet nader kan onderbouwen, zal de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten toewijzen tot het bedrag dat overeenkomt met de bedragen die [gedaagde] na afloop van de betalingstermijn heeft betaald en in deze procedure heeft erkend, te weten € 5.188,02 (€ 4.945,87 plus € 242,15). Het over dit bedrag aan hoofdsom verschuldigde bedrag aan buitengerechtelijke kosten berekent de kantonrechter op € 634,
  20. 4.
  21. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 116,79 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 270,00 (2 punten × € 135,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 702,29 5De beslissing De kantonrechter 5.
  22. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 876,55, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 242,15, met ingang van 28 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.
  23. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 702,29, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  24. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  25. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 19 maart
  26. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.