RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/368946 / JU RK 25-1195 Datum uitspraak: 3 oktober 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Velserbroek, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, in de Basisregistratie Personen geregistreerd als Registratie Niet Ingezetenen, feitelijk verblijvende te [plaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 augustus 2025; de toetsting voorgenomen besluit beëindiging ondertoezichtstelling van 16 augustus 2024, ter zitting overgelegd door de GI. 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Daarbij waren op het eerste tijdstip aanwezig: de vader; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . Op het tweede tijdstip waren aanwezig: - de moeder; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] . 1.
- In verband met afwezigheid van een tolk voor de vader heeft het horen van de vader - met instemming van de aanwezigen - in de Engelse taal plaatsgevonden. 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- [de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren. Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden. 2.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 november 2019 is het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd. Sindsdien komt het gezag over [de minderjarige] eenhoofdig aan de moeder toe. Voornoemde beslissing is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 juni
- 2.
- [de minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 oktober 2020 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 5 oktober
- 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. [de minderjarige] heeft zijn vader bijna zeven jaar niet gezien en is volledig door de moeder opgevoed. Vanuit de rechtbank is in april 2024 verzocht om te onderzoeken of een omgangsregeling haalbaar is. In het afgelopen half jaar is met beide ouders gewerkt aan het opstarten van contact tussen [de minderjarige] en de vader. Op 13 maart 2025 is de begeleide omgang gestart, maar deze komt moeilijk op gang. Er heeft slechts één contactmoment plaatsgevonden met een begeleider van Sensa Zorg. De daaropvolgende omgang heeft slechts vijf minuten geduurd omdat [de minderjarige] de omgang stopte en niet terug wilde naar de vader. Twee andere afspraken zijn door de moeder afgezegd. Wanneer de GI niet actief regie voert, worden afspraken niet nagekomen. Het contact met de vader blijkt voor de moeder belastend en belemmerend. Zij ervaart nog veel angstgevoelens als gevolg van de gebeurtenissen uit het verleden. Mogelijk heeft de moeder aanvullende behandeling en/of begeleiding nodig. Het is de bedoeling dat de begeleide omgang het komend half jaar verder vorm gegeven wordt. Wanneer de begeleide omgang goed verloopt kan deze overgedragen worden naar het vrijwillig kader. 3.
- De jeugdzorgwerker heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat een overdracht naar het vrijwillig kader nu nog niet mogelijk is; zij verwacht dat er dan geen voortgang meer zal zijn. De jeugdzorgwerker ziet een vader die geïnteresseerd is, maar toch niet lukt om uitgebreider contact met [de minderjarige] te bewerkstelligen. Anderzijds kan van de moeder niet gezegd worden dat zij contactmijdend is omdat zij een terugtrekkende beweging laat zien; gelet op de voorgeschiedenis heeft de moeder last van spanningen en stress door de situatie. De afspraken die al zijn gemaakt, moeten “afgestoft” worden en weer worden nagekomen, door zowel de vader als de moeder. De jeugdzorgwerker verwacht dat het haalbaar is om eens per maand een (begeleid) omgangsmoment af te spreken. Daarnaast zou het goed zijn als [de minderjarige] zelf hulpverlening krijgt waar hij kan bespreken hoe hij het contact met de vader ervaart. 4Het standpunt van de moeder De moeder heeft ter zitting aangevoerd dat zij in de afgelopen jaren al veel heeft gedaan om haar leven en dat van [de minderjarige] weer op de rit te krijgen. Zij heeft inmiddels voor zichzelf en [de minderjarige] een stabiel leven opgebouwd. Hoewel de moeder vindt dat omgang tussen [de minderjarige] en de vader moet komen, zou zij daarmee graag wachten totdat [de minderjarige] wat ouder is. De moeder wil de (begeleide) omgang niet zelf organiseren, omdat zij de vader niet wil en kan spreken. De moeder heeft toegelicht dat zij vorig jaar was begonnen met traumabehandeling, maar die behandeling is gestopt omdat het trauma zo vastzit in haar lichaam, dat zij besloten heeft eerst antidepressiva te gebruiken. Daarnaast heeft zij hulp van MeerZorg waar zij haar zorgen kan uiten. De moeder is met de zorg coördinator van school en de leerplicht in gesprek om te kijken of een coach voor [de minderjarige] ingezet kan worden. Hoewel de moeder destijds zelf om een ondertoezichtstelling heeft verzocht, vindt zij het gezien de wisselingen bij de GI lastig om aan te geven of de ondertoezichtstelling nut heeft en verlengd zou moeten worden. 5De mening van de vader De vader heeft aangegeven dat hij heel erg blij was om [de minderjarige] na zeven jaar weer te zien. De omgang vond echter plaats in een kleine ruimte, wat de vader niet passend vindt. De vader zou graag zien dat hij [de minderjarige] in een andere setting kan ontmoeten, bijvoorbeeld een park. Verder heeft hij toegelicht dat hij wel graag actief wil zijn in het contact met [de minderjarige] , maar hij weet niet goed hoe hij dat aan moet pakken. Dit is in de afgelopen twee maanden wel verbeterd sinds de huidige jeugdzorgwerker betrokken is. De vader zou graag zien dat de omgang weer op gang komt zodat het contact met [de minderjarige] hersteld wordt. 6De mening van de minderjarige [de minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat zijn vader eigenlijk een vreemde voor hem is en hij hem daarom niet meer wil zien. 7De beoordeling 7.
- De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 7.
- De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat (structureel) contact met de vader nog steeds ontbreekt. [de minderjarige] heeft zijn vader al bijna zeven jaar niet gezien. In het afgelopen half jaar hebben slechts twee omgangsmomenten plaatsgevonden, waarbij [de minderjarige] bij de laatste keer na vijf minuten is weggegaan en niet terug wilde naar zijn vader. Andere afspraken zijn niet doorgegaan of niet tot stand gekomen, waardoor inmiddels een geruime tijd is verstreken waarin wederom geen omgang heeft plaatsgevonden. Bij de laatste verlengingen van de ondertoezichtstelling heeft de kinderrechter overwogen dat zij van de GI een actievere rol verwacht. De kinderrechter stelt wederom vast dat dat onvoldoende is gebeurd. Er moet duidelijke regie komen en regie gevoerd worden om wezenlijke stappen te kunnen zetten in het contactherstel. De kinderrechter ziet dat bij de vader zijn culturele achtergrond wellicht een andere aanpak vergt. Het is aan de GI om dat te onderkennen en daarmee in dit gezin aan de slag te gaan. Anderzijds, volgt uit het dossier dat de vader een afwachtende houding heeft en weinig initiatief toont ten aanzien van de omgang met [de minderjarige] . De ondertoezichtstelling is in 2020, dat is vijf jaar geleden, voor het eerst uitgesproken en sindsdien is de omgang nauwelijks op gang gebracht. De kinderrechter acht dat zorgelijk. Gebleken is dat de GI in augustus 2024 een toetsingsverzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) heeft ingediend met de vraag of de ondertoezichtstelling kon worden afgesloten. De Raad heeft dat verzoek afgewezen. Ook de kinderrechter heeft zich echter afgevraagd of nog een verlenging van de ondertoezichtstelling wel passend is; de ondertoezichtstelling is tot op heden immers nauwelijks effectief gebleken. 7.
- Inmiddels is een nieuwe jeugdzorgwerker betrokken en het lijkt erop dat zij weet hoe te handelen om de omgang voor [de minderjarige] weer veilig te herstellen. Op de zitting is duidelijk geworden dat de vader een goede klik voelt met de nieuwe jeugdzorgwerker en de vader heeft toegezegd zich actiever in te zetten voor het contactherstel met [de minderjarige] . De kinderrechter zal, gelet op wat de vader ter zitting naar voren heeft gebracht, hem het voordeel van de twijfel geven en er vanuit gaan dat hij inderdaad niet goed wist wat van hem werd verwacht ten aanzien van de omgang en dat dat nu anders is met de komst van de nieuwe jeugdzorgwerker. De omgangsafspraken liggen er en daar dient men gevolg aan te geven. Dat betekent dat in de komende periode doelen vastgesteld moeten worden, de omgangsafspraken weer op gang gebracht moeten worden en er moet gekeken worden naar ondersteuning voor de moeder en [de minderjarige] . De moeder doet ontzettend haar best en dat is prijzenswaardig, gelet op de geschiedenis tussen deze twee ouders, maar het lijkt haar onvoldoende te lukken om [de minderjarige] te ondersteunen in het contactherstel met de vader omdat zij nog altijd kampt met angstgevoelens richting hem. 7.
- De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders (nog) niet lukt om zelfstandig afspraken te maken rondom de omgang/contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader. De moeder wil op geen enkele wijze direct contact met de vader. Er is al gedurende langere tijd geen communicatie tussen hen. Als de GI niet actief regie voert, zal de omgang niet op gang komen. 7.
- De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van zes maanden. 7.
- De kinderrechter benadrukt dat het komende half jaar gebruikt moet worden om de omgangsafspraken structureel doorgang te laten vinden, waarbij de veiligheid van [de minderjarige] uiteraard voorop staat. Het ligt op de weg van de GI om nu wel voortvarend aan de vastgestelde en nog vast te stellen doelen te werken zodat [de minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld zijn vader te leren kennen en zelf een beeld van hem te vormen. Daarnaast dient bekeken te worden op welke manier de omgang kan worden voortgezet na afloop van de ondertoezichtstelling zodat een borgingsplan met concrete afspraken opgemaakt kan worden. 7.
- De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 8De beslissing De kinderrechter: 8.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 5 april 2026; 8.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025 door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW.