beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: C/370109 / HA RK 25-148 Beslissing van 14 oktober 2025 Op het verzoek tot wraking ingediend door: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker. Het verzoek is gericht tegen: mr. K.I. de Jong, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 29 september 2025 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Kabinet RC, aanhangige zaak met als parketnummer 15.064626.19, hierna te noemen: de hoofdzaak. 1.2 De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.3 De wrakingskamer doet het verzoek op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en ander a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank buiten zitting af. 2Het standpunt van verzoeker Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft op 14 augustus 2025 de hoofdzaak verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde negen getuigen te doen horen. Verzoeker heeft vervolgens verzocht om aan hem een advocaat toe te voegen. De beslissing van de rechter om geen advocaat toe te wijzen met alleen de verwijzing naar eerdere correspondentie met verzoekers voormalige raadsman geeft blijk van vooringenomenheid. De rechter heeft hiermee ook blijk gegeven van de schijn dat verzoeker geen eerlijk proces wordt gegund. 3Het standpunt van de rechter De rechter heeft aangegeven dat zij het betreurt dat bij verzoeker de indruk is ontstaan dat zijn herhaalde verzoek onvoldoende onafhankelijk is beoordeeld. Achteraf bezien zou de rechter niet hebben laten verwijzen naar de inhoud van de eerdere correspondentie, maar zou zij deze hebben laten herhalen. Zij stelt zich op het standpunt dat in de (motivering van de) afwijzing van het herhaalde verzoek geen aanwijzing kan worden gevonden voor (de schijn van) vooringenomenheid. 4De beoordeling 4.1 De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten: Op 22 april 2024 heeft de rechter-commissaris het verzoek van de voormalige raadsman van verzoeker tot het horen van zeven getuigen toegewezen. Op 24 april 2024 heeft de voormalige raadsman namens verzoeker verzocht om op grond van art. 187a Sv een last tot aanwijzing af te geven, zodat hij door de Raad van Rechtsbijstand aan verzoeker zal kunnen worden toegevoegd om hem bijstand te blijven verlenen. Bij dat verzoek is meegedeeld dat verzoeker — in verband met zijn inkomens- en vermogenssituatie — niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, dat de voormalige raadsman daarom genoodzaakt is zijn rechtsbijstand neer te leggen en dat verzoeker aldus zonder last tot aanwijzing geen raadsman heeft. Bij beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 Sv van 6 augustus 2024 heeft de rechtbank nog eens twee getuigen toegewezen. Bij e-mail van 27 augustus 2024 van de griffier is aan de voormalige raadsman meegedeeld dat de rechter-commissaris afwijzend heeft beslist op het verzoek een last tot aanwijzing af te geven. Daarbij is meegedeeld dat op landelijk niveau tussen de kabinetten rechter-commissaris overleg is geweest over kwesties als deze, dat dit overleg tot de conclusie heeft geleid dat er in dergelijke gevallen geen last zal worden afgegeven en dat er geen aanleiding wordt gezien om van deze lijn af te wijken. Bij regiezitting van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst en bepaald dat de stukken in handen van de rechter-commissaris worden gesteld om de reeds toegewezen negen getuigen te horen. Bij e-mail van 23 september 2025 heeft verzoeker aangegeven dat hij geen raadsman heeft. Hij heeft bij deze e-mail wederom verzocht op grond van art. 187a Sv een last tot aanwijzing af te geven. De griffier van de rechter heeft bij e-mail van 26 september 2025 onder verwijzing naar de inhoud van de eerdere e-mailcorrespondentie aan verzoeker meegedeeld dat de rechter geen last tot aanwijzing op grond van artikel 187a Sv zal afgeven. Dit omdat de situatie ten tijde van het herhaalde verzoek van 23 september 2025 niet anders is dan de situatie ten tijde van de beslissing d.d. 27 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.