RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11066945 \ CV EXPL 24-2545 Uitspraakdatum: 23 juli 2025 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiseres] als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] , voorheen genaamd [bedrijfsnaam 2] , rechtsopvolgster onder algemene titel van Drive On B.V. te [plaats] de eisende partij gemachtigde: H.G. Zeiger (gerechtsdeurwaarder) tegen de besloten vennootschap BIS Diensten B.V. in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene], wonende te [woonplaats] , te [plaats]de gedaagde partij niet verschenen 1De procedure 1.
- De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, kamer voor kantonzaken. De kantonrechter te Amsterdam heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar deze rechtbank. De gedaagde partij is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. 2De beoordeling 2.
- De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 337,20 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten. Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten 2.
- De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten. Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden 2.
- De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak). 2.
- Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: Algemene Voorwaarden Verhuur- en Deelautobedrijven BOVAG van 1 februari 2021 (hierna: de algemene voorwaarden). 2.
- Artikel 14 van de algemene voorwaarden luidt als volgt: “
- Voor rekening van huurder zijn alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband met het ter beschikking hebben of gebruiken van het voertuig van overheidswege worden opgelegd, tenzij deze verband houden met een defect dat bij aanvang van de huur reeds aanwezig was of de sancties verband houden met omstandigheden die in de risicosfeer van verhuurder liggen.
- Krijgt verhuurder zo’n sanctie of maatregel opgelegd, dan moet huurder op verzoek van de verhuurder meteen de schade vergoeden. Ook moet huurder de administratiekosten met een minimum van € 25,- betalen. Verhuurder dient die kosten zoveel mogelijk te beperken. Indien verhuurder in verband met enige gedraging of nalaten van huurder, zoals een verkeersovertreding, informatie aan autoriteiten verstrekt, is huurder gehouden de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden, met een minimum van € 10,-.” (…) 2.
- De voorwaarde dat (kort gezegd) eventuele bekeuringen voor rekening voor huurder komen is op zichzelf niet oneerlijk, omdat het redelijk is dat de huurder zelf betaalt voor de verkeersovertredingen die met het gehuurde voertuig worden begaan. Ten aanzien van de administratieve kosten is het beding echter wel oneerlijk omdat het de eisende partij de mogelijkheid biedt om eenzijdig kosten te bepalen en door te belasten. Dat in het beding is opgenomen dat de kosten “zoveel mogelijk” dienen te worden beperkt, neemt niet weg dat er geen objectief maximum aan de hoogte van de kosten is vastgesteld. Dit maakt het beding onevenredig nadelig voor de huurder. Dat beding wordt daarom vernietigd. 2.
- Het andere beding dat verband houdt met de vordering, te weten artikel 8 lid 7, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. 2.
- Daarnaast zijn in de huurovereenkomst bepalingen opgenomen die kwalificeren als een algemene voorwaarde. Voor zover deze bepalingen verband houden met de vordering, zijn zij door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. Wat is toewijsbaar? 2.
- Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 304,53 (€ 337,20 minus de administratiekosten van in totaal € 32,67). 2.
- De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 45,
- 2.
- De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding. Conclusie en proceskosten 2.
- De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen. 2.
- De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeel 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 350,21 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 304,53 vanaf 2 februari 2024 tot aan de dag van de gehele betaling; 3.
- veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 113,54 griffierecht € 87,00 salaris gemachtigde € 82,00 ; 3.
- verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:
- HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).