← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:1258

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/350487 / JU RK 24-457 Datum uitspraak: 27 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een aangehouden verzoek machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 3] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , advocaat mr. J.J. Stobbe, kantoorhoudende te Utrecht, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] . 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2024 en de daarin genoemde stukken; het aanvullend verslag, met bijlagen, van de GI van 20 januari
  2. 1.
  3. Op 27 januari 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] . De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. De moeder werd bijgestaan door een tolk in de [taal] taal. 1.
  4. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn voorafgaand aan de zitting afzonderlijk door de kinderrechter gehoord. 2De beschikkingen van 8 mei 2024 en 10 oktober 2024 2.
  5. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 mei 2020 zijn [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna steeds is verlengd, voor het laatst tot 14 mei 2025 bij beschikking van deze rechtbank van 8 mei
  6. De beslissing over de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar bij netwerkpleegzorg of een zorgaanbieder jeugdhulp is bij dezelfde beschikking van 8 mei 2024 aangehouden tot 9 september
  7. 2.
  8. Bij beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij een pleeggezin of zorgaanbieder jeugdhulp verleend met ingang van 10 oktober 2024 tot 30 januari
  9. De beslissing op het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar is voor het overige pro forma aangehouden tot 10 januari
  10. De GI is verzocht de kinderrechter uiterlijk op 10 januari 2025 te informeren over de dan geldende stand van zaken met betrekking tot een geschikte en beschikbare plek voor de kinderen, over hoe het met de kinderen gaat en over de noodzaak tot (verdere) uithuisplaatsing van de kinderen. Tot slot is het verzoek tot vervanging van de GI afgewezen. 3Het verzoek 3.
  11. De GI heeft de kinderrechter bij brief van 20 januari 2025 geïnformeerd over de huidige stand van zaken. Uit deze brief blijkt het volgende: Machtiging uithuisplaatsing De betrokken jeugdbeschermer heeft een aanmelding gedaan bij het consortium van Hyperion Helpt in verband met de zorgaanbieder William Schrikker Gezinsvormen en bij het consortium van Combikracht ZIJ. De William Schrikker Gezinsvormen heeft aangegeven dat zij geen passende gezinnen (zowel gezinshuizen als pleeggezinnen) voor de kinderen hebben. Hyperion Helpt heeft verder geen zorgaanbieder binnen het consortium die woonplekken aanbiedt. Het advies van Hyperion Helpt was daarom om verder te kijken bij een ander consortium. De jeugdbeschermer heeft op 2 januari 2025 Combikracht ZIJ gemaild met de vraag of er meer bekend is over de aanmelding die gedaan is met betrekking tot het vinden van een passende plek voor de kinderen. Comikracht ZIJ heeft de vraag voor woonplekken belegd bij Wilskracht Zorg. Helaas heeft de GI tot op heden hier niks van vernomen. Op 10 januari 2025 heeft de jeugdbeschermer de moeder gesproken over het laten verblijven van de kinderen bij de oom en tante (mz) in [plaats] . De moeder gaf aan dat dat geen optie meer is omdat de tante ziek is. De jeugdbeschermer heeft met de moeder gesproken over het verhuizen naar [plaats] . De moeder geeft aan dat zij in de omgeving van [plaats] wil blijven voor de kinderen. De moeder wil, vanwege agressie in de buurt, wel een ander huis en vraagt de jeugdbeschermer hierbij te helpen. Verloop hulpverlening De jeugdbeschermer en Sensazorg zijn zowel gezamenlijk als individueel bij moeder en de kinderen op huisbezoek geweest. Het in gesprek gaan met de moeder verloopt moeizaam. Dit komt doordat de moeder altijd aan de telefoon is en, ondanks meerdere verzoeken, weigert om de telefoon uit te zetten. De jeugdbeschermer belt altijd een tolk [taal] in als zij op huisbezoek is. Doordat de moeder al aan de telefoon is, luistert zij onvoldoende naar wat er wordt gezegd. Op 3 december 2024 was er een groot MDO op de school van [de minderjarige 3] . De school meldt dat [de minderjarige 3] met een volle luier naar school is gekomen, terwijl [de minderjarige 3] op school zindelijk is. De moeder geeft tijdens dit gesprek aan dat [de minderjarige 3] alleen een luier draagt voor in de taxi en dat ze voor de rest geen luier draagt. Er is aangegeven dat het dragen van een luier niet bij de leeftijd van [de minderjarige 3] past, die ook zindelijk is. De jeugdbeschermer is op 14 januari 2025 op huisbezoek geweest. [de minderjarige 3] had op dat moment ook een luier aan. De moeder gaf aan dat zij bij [de minderjarige 3] een luier aandoet omdat zij niet wil dat [de minderjarige 3] op een vreemd toilet hoeft te zitten en dat zij veel water drinkt. De jeugdbeschermer heeft aangegeven dat een luier niet bij de leeftijd van [de minderjarige 3] past en dat de luier afgebouwd dient te worden. Dit onderwerp is een aantal keer besproken, maar lijkt niet bij de moeder te beklijven. De jeugdbeschermer maakt zich zorgen over de basale verzorging van [de minderjarige 3] . In de ochtend van 14 januari 2025 is de jeugdbeschermer door de school van [de minderjarige 3] gebeld dat [de minderjarige 3] afwezig is omdat de moeder haar ziek heeft gemeld. De jeugdbeschermer heeft [de minderjarige 3] tijdens het huisbezoek gezien en zij oogde niet ziek. De school heeft ook op 15 januari 2025 gebeld dat [de minderjarige 3] ziek was. De moeder heeft telefonisch aangegeven dat [de minderjarige 3] echt ziek was en dat ze naar de huisarts is geweest. Ook heeft de moeder gegevens van de huisarts doorgestuurd, met foto’s van de door de huisarts op 15 januari 2025 voorgeschreven medicatie. Ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft de jeugdbeschermer de indruk dat zij veel op zichzelf zijn aangewezen. De jeugdbeschermer vraagt zich af in hoeverre de moeder in staat is om emotioneel bij hen aan te sluiten en hen de zorg en ondersteuning te bieden die zij nodig hebben. Conclusie en advies De jeugdbeschermer is van mening dat de hulpverlening door de licht verstandelijke beperking van de moeder en de taalbarrière onvoldoende van de grond komt. De moeder is onvoldoende leerbaar waardoor er geen verandering plaatsvindt. Gezien de zorgen over de basale verzorging van [de minderjarige 3] , is de jeugdbeschermer van mening dat het voor haar wenselijk is als zij zo snel als mogelijk een plek krijgt bij een pleeggezin dat langdurig betrokken kan zijn. Ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is het wenselijk als er voor hen een passende plek zou zijn bij een gezinshuis in de omgeving van [plaats] waarbij zij hun school, sport en vrienden kunnen behouden. De jeugdbeschermer vindt het noodzakelijk dat er een wijziging van GI gaat plaatsvinden. Dit omdat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de WSS) de deskundigheid heeft ten aanzien van LVB problematiek en ook meer zicht heeft op en contact heeft met zorgaanbieders die passende hulp kunnen verlenen. 3.
  12. De GI heeft op de zitting aangegeven het aangehouden gedeelte van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de drie kinderen te handhaven, waarbij de GI - gelet op de duur van de ondertoezichtstelling - een machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 mei 2025 verzoekt. De GI acht voor de oudste twee kinderen een gezinshuis, waarbij zij in hun omgeving kunnen blijven wonen, passend en voor [de minderjarige 3] een pleeggezin. De GI heeft diverse aanmeldingen gedaan, maar er is nog steeds geen plek voor de kinderen gevonden. Een machtiging tot uithuisplaatsing is volgens de GI voor de oudste twee kinderen noodzakelijk omdat het de moeder niet lukt om sociaal-emotioneel bij hen aan te sluiten. Hoewel het volgens de stagebegeleiders goed met de oudste twee kinderen gaat, zou de GI het hen gunnen dat ze de warmte en liefde van een ouder – en dan in dit geval een gezinshuisouder – voelen. Voor [de minderjarige 3] is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig gelet op de grote en bestendige zorgen ten aanzien van haar basale verzorging. Er is al langere tijd sprake van luierproblematiek en de moeder is hierin, maar ook op andere vlakken, moeilijk leerbaar. De hulpverlening komt bij de moeder over de vloer, maar het lukt niet om echt met de moeder in contact te komen. In de afgelopen jaren is er enorm veel hulpverlening ingezet, maar dit heeft niet tot een afname van de zorgen geleid. Gezien wordt dat de moeder niet snapt waarom er hulp wordt ingezet en waar de zorgen uit bestaan. De GI heeft ook geen goed zicht op de thuissituatie en wijst erop dat de twee oudste kinderen ontzettend loyaal naar hun moeder zijn. Tot slot is aangegeven dat de GI nog steeds wenst dat een andere GI, te weten de WSS, als GI zal worden benoemd. Die WSS is in LVB problematiek gespecialiseerd, waardoor de hulp beter bij de moeder zal aansluiten, en heeft – doordat zij landelijk werken – meer zicht op mogelijke verblijfplekken voor de kinderen. De GI heeft hiertoe nog geen verzoek ingediend, omdat de WSS heeft aangegeven dat zij de casus alleen willen overnemen als de kinderen uit huis geplaatst zijn. 4De standpunten 4.
  13. Door en namens de moeder is op de zitting aangevoerd dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen. Het gaat goed met de kinderen, die ook zelf aangeven dat zij graag bij de moeder willen blijven wonen. De moeder wil geen opvanggezin voor haar kinderen omdat de kinderen het daar niet zo goed zullen hebben als bij haar thuis, waar ze niets te kort komen. De moeder accepteert de ingezette hulpverlening, die ook zeer regelmatig bij haar over de vloer komt, en volgens haar is het probleem dat zij de Nederlandse taal niet machtig is. Hierbij komt dat de afgelopen maanden geen plek voor de kinderen is gevonden en dat de GI ook nu niet aangeeft dat daar op korte termijn verandering in gaat komen. De moeder heeft tot slot aangegeven dat zij niet tegen de door de GI gewenste overdracht aan de WSS is. 5De mening van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] 5.
  14. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed met hen gaat. Zij hebben ook het idee dat het thuis beter gaat, dan in het verleden het geval was, en zien geen noodzaak voor een uithuisplaatsing. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] willen ook niet uit huis geplaatst worden omdat ze dan hun school en vrienden kwijt zullen raken. 6De (verdere) beoordeling 6.
  15. Ter beoordeling aan de kinderrechter ligt thans voor het nog resterende deel van het verzoek van de GI, te weten de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tot 14 mei
  16. De kinderrechter neemt daarbij het volgende in overweging. ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] 6.
  17. De kinderrechter erkent de zorgen van de GI, maar is er niet van overtuigd dat een zwaar en uiterst middel als een uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk én in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is. Een uithuisplaatsing mag alleen worden ingezet als andere oplossingen om een kind in zijn thuissituatie te houden geen uitkomst meer bieden. Nog daargelaten dat er nog steeds geen plek voor de jongens gevonden is, zodat onduidelijk is waar zij terecht zouden komen, is het naar het oordeel van de kinderrechter zeer de vraag of de risico’s van een uithuisplaatsing voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , mede gelet op hun leeftijd, niet groter zullen zijn dan die van het thuis bij de moeder blijven wonen. Daarbij komt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in hun huidige omgeving geworteld zijn en dat het in hun belang wordt geacht dat zij in die omgeving – met hun school, sport en vrienden - kunnen blijven wonen. Bij toewijzing van het verzoek vreest de kinderrechter hiernaast dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (wederom) geruime tijd in onzekerheid over hun woonplek zullen verkeren, met de nodige stress en bijbehorende nadelige gevolgen daarvan tot gevolg. Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing niet meer de geëigende oplossing, zodat het verzoek van de GI zal worden afgewezen. Het voorgaande neemt niet weg dat in het kader van de ondertoezichtstelling door de GI hulpverlening moet worden ingezet om de zorgen omtrent [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weg te nemen. ten aanzien van [de minderjarige 3] 6.
  18. Ten aanzien van [de minderjarige 3] acht de kinderrechter de (verdere) verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin wél noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Gebleken is dat de moeder, ondanks de inzet van diverse hulpverlening, niet in staat is om [de minderjarige 3] een veilige thuissituatie te bieden. Zo lukt het de moeder niet om [de minderjarige 3] de basale verzorging te bieden die zij, gelet op haar jonge leeftijd, nodig heeft en voldoende (sociaal-emotioneel) bij haar aan te sluiten. Het verzoek tot het (verder) verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin zal dan ook worden toegewezen voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 14 mei 2025). 7De beslissing De kinderrechter: 7.
  19. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 mei 2025; 7.
  20. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 7.
  21. wijst af het verzoek tot het (verder) verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]; Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025 door mr. M.C.A Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.E.J. Bruinen als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari
  22. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.