← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:1266

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360227 / JU RK 24-1903 Datum uitspraak: 24 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Haarlem, over - [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige 1] , - [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige 2] , hierna tezamen ook te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [plaats] , en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [plaats] , hierna tezamen ook te noemen: de ouders. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 13 december 2024, ingekomen bij de rechtbank op 18 december
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 januari
  4. Hierbij zijn verschenen en gehoord: de vader; de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem (hierna te noemen: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] ; de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 1.
  5. Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is moeder – zonder bericht van afwezigheid – niet ter zitting verschenen. 1.
  6. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben voorafgaand aan de zitting afzonderlijk in raadkamer hun mening over het verzoek aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. De kinderrechter heeft hun mening ter zitting samengevat voorgehouden. De belanghebbenden hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  7. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij zijn gescheiden in
  8. De kinderen woonden na de scheiding bij de moeder en hadden omgang met de vader. 2.
  9. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 november 2017 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] eerder onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling (formeel) heeft voortgeduurd tot – naar de rechtbank begrijpt – 24 augustus
  10. 2.
  11. Bij beschikking van 22 april 2021 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken laatstelijk als volgt bepaald: - de vader heeft eenmaal per twee weken omgang met de minderjarigen; - buiten dit omgangsmoment kan de vader activiteiten met de minderjarige ondernemen zoals sport, zwemles of bioscoopbezoek; - het FACT-team zal, indien het van oordeel is dat omgang niet verantwoord is in verband met de psychische gesteldheid van de vader, de moeder hiervan tijdig op de hoogte stellen, waarna de omgang wordt opgeschort totdat het FACT-team laat weten dat het wel weer verantwoord is. 2.
  12. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 oktober 2024 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, te weten tot 25 januari
  13. De kinderrechter heeft tevens een machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en het resterende verzoek om uithuisplaatsing aangehouden. Bij beschikking van 4 november 2024 zijn de spoedbeslissingen bekrachtigd en is het resterende verzoek om uithuisplaatsing ook toegewezen. Thans duren de machtigingen uithuisplaatsing nog voort tot 25 januari
  14. 2.
  15. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven op basis van de hiervoor genoemde machtigingen sinds 4 november 2024 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [de minderjarige 1] volgt kamertraining bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] (hierna: [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ) en [de minderjarige 2] verblijf op de groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . 3De verzoeken van de Raad 3.
  16. De Raad verzoekt [de minderjarige 1] onder toezicht te stellen tot haar meerderjarigheid en [de minderjarige 2] voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen, voor [de minderjarige 1] tot haar meerderjarigheid en voor [de minderjarige 2] voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft de verzoeken als volgt toegelicht in de stukken en ter zitting. 3.
  17. Het afgelopen jaar is een zwaar jaar met veel grote veranderingen geweest voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Nadat hun moeder een relatie kreeg met een nieuwe vriend (hierna: de ex-partner), moesten zij haar aandacht met de ex-partner delen. Volgens [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] lukte het de moeder tijdens de relatie met de ex-partner niet om hier een gezonde balans in te vinden. Het ontbrak hen daardoor aan een veilige plek en aandacht. Zo werd er volgens [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] stelselmatig tegen hen geschreeuwd, werden zijzelf en hun moeder gekleineerd, voelde [de minderjarige 2] zich niet prettig bij de manier waarop de ex-partner naar haar en haar zus keek en werd [de minderjarige 1] hardhandig door hem vastgepakt. Verder ontbrak het hen in die periode aan basisbehoeftes zoals een warme douche, een fiets om naar school te kunnen gaan en voldoende en gezond voedsel. Het feit dat de kinderen geen andere uitweg zagen dan te vertrekken, laat zien dat zij zeer veel last hebben gehad van de onveilige en onvoorspelbare omstandigheden in de thuissituatie bij de moeder. 3.
  18. Daarnaast zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] opgegroeid met een vader die grote psychische uitdagingen had in zijn leven en die veel structuur, ritme en stabiliteit nodig heeft om te kunnen functioneren. De vader is daar altijd open over geweest, maar heeft zijn kinderen niet tegen de zwarte kant van zijn ziekte kunnen beschermen. Ook werd de moeder door de jeugdzorginstellingen en de rechtbank belemmerd in de bescherming van hen tegen hun vader. De moeder heeft jarenlang een strijd gevoerd tegen de vader en de verwachtingen die de rechtbank en de jeugdbeschermingsketen van haar hadden in de omgang tussen de vader en de kinderen. Deze strijd heeft de loyaliteitsgevoelens van de kinderen versterkt. De boosheid, het verdriet en de stress die de moeder vanwege al deze procedures en strijd had, en de weerstand die dit bij haar heeft opgewekt tegen de jeugdzorg als geheel, hebben de kinderen ten volle meegekregen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in die jaren het gevoel gehad voor de moeder te moeten zorgen en haar tegen nog meer ellende te moeten beschermen. Dat deden zij door zich (overmatig) aan te passen en te gaan ‘pleasen’. Met name [de minderjarige 2] is bewust van die rol en dynamiek. Zij heeft hier nu last van in het aangaan van relaties met de mensen om haar heen, het kiezen voor zichzelf en voor wat goed voor haar is. De Raad ziet ook tijdens het Raadsonderzoek twee kinderen die worstelen met de loyaliteit aan de ouders, met name de moeder. Het zijn sterke en zelfstandige meiden die in de loop der jaren gewend zijn geraakt om voor zichzelf te zorgen en ook zorg te dragen voor/zorgen te hebben over de ouders. 3.
  19. Gedurende de recente betrokkenheid van Veilig Thuis, Ambulante Spoedhulp, de Raad, de GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is er op geen enkele manier en door geen enkele instantie contact verkregen met de moeder. Het is hierdoor ook niet gelukt om in samenwerking met moeder te werken aan een gezonde en veilige manier van contactherstel en –opbouw met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] of aan het bespreken van een plan voor een mogelijke terugkeer van [de minderjarige 2] naar huis, wat [de minderjarige 2] graag wil. De Raad kan zich voorstellen dat de betrokkenheid van de jeugdbeschermingsketen allerlei emoties en gedachtes bij de moeder oproept en dat dit veel van haar vraagt. Tegelijkertijd hebben [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een gezaghebbende ouder nodig die zich inzet voor hun ontwikkeling, door het geven/bieden van liefde, aandacht, voorspelbaarheid, beschikbaarheid, betrokkenheid en ondersteuning. 3.
  20. De Raad vindt het belangrijk dat de kinderen ook de komende periode worden ondersteund en dat hun belangen meer op de voorgrond komen te staan. Dit maakt dat de Raad een ondertoezichtstelling voor beide kinderen verzoekt. De Raad schat in dat er langere tijd hulp nodig is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om te zorgen dat zij de begeleiding en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben om te kunnen wonen/opgroeien op een veilige plek en om belangrijke dingen in hun leven te organiseren. 3.
  21. Tevens acht de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk. Naar de inschatting van de Raad is het voor hen op dit moment niet mogelijk om terug te keren naar de moeder. Het is tot op heden immers niet gelukt om afspraken te maken met de moeder over de mogelijkheden van een thuisplaatsing en de vader heeft niet de draagkracht om in de dagelijkse zorg en opvoeding voor de kinderen te voorzien. Bovendien is het de wens van [de minderjarige 1] om bij het [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te blijven, vanuit daar door te stromen naar begeleid wonen en later naar zelfstandig wonen. De Raad verzoekt dan ook om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen tot de meerderjarigheid ten aanzien van [de minderjarige 1] . Ten aanzien van [de minderjarige 2] schat de Raad in dat een termijn korter dan negen maanden niet realistisch en haalbaar is om tot een volledige terugkeer naar huis te komen. De Raad verzoekt daarom een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van negen maanden ten aanzien van [de minderjarige 2] en acht dit ook een aanvaardbare termijn voor haar om in onzekerheid te verkeren over haar toekomstperspectief. 4Het standpunt van de vader 4.
  22. De vader staat achter de verzoeken van de Raad. De vader maakt zich ernstige zorgen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vader is er recent achter gekomen dat de moeder niet de moederrol heeft vervuld die de vader dacht dat ze vervulde. Hij acht een terugkeer van [de minderjarige 2] naar de moeder uiterst gevaarlijk en kan hier niet achter staan. De vader heeft de kinderen voor korte duur kunnen opvangen, maar beschikt niet over de draagkracht om dit voor een langere periode te doen. De vader kampt met psychische problematiek. Hij moet de komende tijd eerst voor zichzelf zorgen. Hij heeft behoefte aan rust, wat hij zal proberen te vinden met zijn gezin in [land] . De vader vindt het erg dat hij door zijn psychische problematiek niet heeft kunnen vechten voor de kinderen. De vader zou wel graag op de achtergrond bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] betrokken willen blijven. 5De visie van de GI 5.
  23. Het is de GI tot op heden niet gelukt om met de moeder in contact te komen. Dit bleek ook een probleem ten tijde van de vorige ondertoezichtstelling. De GI maakt zich grote zorgen over de kinderen, met name over [de minderjarige 2] . De GI ziet de grote wens van [de minderjarige 2] om (fysiek) contact te hebben met de moeder. Ook de groep waar [de minderjarige 2] momenteel verblijft heeft aangegeven dat het wachten is tot zij van de groep wegloopt. De GI kan het op dit moment echter niet toestaan dat [de minderjarige 2] zich in de woning van de moeder bevindt. Er zijn nog onbeantwoorde vragen ten aanzien van de ex-vriend van de moeder, waardoor de veiligheid van [de minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder (nog) niet kan worden gewaarborgd. De GI vindt het een lastige casus, met als voornaamste vraag: ‘Welk verblijf van [de minderjarige 2] het minst schadelijk is voor haar, een verder verblijf van [de minderjarige 2] op de groep of een terugkeer naar de moeder?’ De angst van de GI is dat zij bij een thuisplaatsing van [de minderjarige 2] bij de moeder het contact met haar verliezen, omdat de moeder hier geen ingang voor zal bieden. De GI zal dan afhankelijk zijn van derden om de vraag hoe het met haar gaat, beantwoord te krijgen. 6De mening van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] 6.
  24. [de minderjarige 1] heeft aangegeven erg veel moeite te hebben met de situatie waarin zij en [de minderjarige 2] zich op dit moment bevinden. [de minderjarige 1] voelt zich er schuldig over dat zij de keuze heeft gemaakt om bij de moeder te vertrekken en dat [de minderjarige 2] haar vervolgens is gevolgd. Ook neemt zij het de vader kwalijk dat hij niet in staat is om voor haar en [de minderjarige 2] te zorgen, terwijl hij wel voor zijn nieuwe gezin kan zorgen. Hij laat het op dit moment opnieuw afweten door naar [land] te verhuizen. De moeder is volgens [de minderjarige 1] verblind geweest door liefde, maar die relatie is nu voorbij. [de minderjarige 1] heeft goed contact met de moeder en zou het liefst willen dat [de minderjarige 2] naar de moeder terugkeert. [de minderjarige 1] maakt zich er zorgen over dat dit niet zal lukken, omdat ze ervan overtuigd is dat de moeder niet mee zal werken met hulpverlening. Zelf verblijft ze het liefst bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , om vervolgens door te stromen naar een zelfstandige plek. Wel zou [de minderjarige 1] graag zien dat ze meer contact met [de minderjarige 2] kan/mag hebben. Dat wordt op dit moment beperkt door de regels van de groep waar [de minderjarige 2] verblijft. 6.
  25. [de minderjarige 2] zou graag weer bij de moeder gaan wonen. Dat is namelijk haar thuis. De plek waar ze nu verblijft voelt meer als een bedrijf. [de minderjarige 2] heeft aangegeven dat de moeder niet het probleem is geweest, maar haar ex-vriend. Er zijn destijds vervelende gebeurtenissen geweest thuis, waardoor het voor [de minderjarige 2] voelde als overleven. Op een gegeven moment kon zij het niet langer uithouden thuis, waarop zij net als [de minderjarige 1] naar de vader is gegaan. Voordat de ex-vriend in beeld kwam, waren er geen problemen thuis. [de minderjarige 2] begrijpt daarom ook niet dat zij niet terug naar huis kan keren, nu de relatie tussen de moeder en de ex-vriend voorbij is. 7De beoordeling van de kinderrechter bevoegdheid 7.
  26. Door de omstandigheid dat de vader en [de minderjarige 2] de Duitse nationaliteit hebben en de moeder en [de minderjarige 1] zowel de Duitse als de Amerikaanse nationaliteit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van de Verordening Brussel-II-ter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. 7.
  27. Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek. inhoudelijke beoordeling ondertoezichtstelling 7.
  28. Op basis van de stukken en het behandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, gelet op het volgende. 7.3.1 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn twee sterke en zelfstandige jonge meiden die zich al jarenlang in een instabiele en (emotioneel) onveilige opvoedsituatie bevinden. Sinds de echtscheiding van de ouders in 2014, hebben de kinderen bij de moeder gewoond en hadden zij geen of beperkte omgang met de vader. De kinderen zijn sindsdien belast met de ex-partnerproblematiek tussen de ouders die nooit is opgelost, ook niet na de gerechtelijke procedures en de betrokkenheid van de jeugdzorg in het kader van de ondertoezichtstelling. De ouders hebben al jarenlang geen contact met elkaar gehad en hebben dan ook niet gezamenlijk de opvoeding en de verzorging van de kinderen op zich genomen. De kinderen benoemen daartoe dat hun opvoedsituatie bij de moeder niet normaal was in vergelijking met die van andere gezinnen en dat de vader vanwege zijn psychische problematiek ook niet een stabiele en veilige factor in hun leven heeft kunnen zijn. Duidelijk is geworden dat de kinderen door hun belaste verleden en opvoedsituatie, beschadigd zijn in hun ontwikkeling. Zo laten zij signalen zien dat zij zich al langer in een loyaliteitsconflict bevinden en een zorgdragende rol (parentificatie) richting de ouders op zich hebben genomen, vooral naar de moeder toe. 7.3.2 Gedurende de relatie van de moeder met de ex-vriend in 2024 zijn de kinderen maanden blootgesteld aan onveiligheid, zowel verbaal als fysiek, en verwaarlozing van de zijde van de moeder en haar ex-vriend. De moeder is in die periode niet in staat geweest om de belangen en de behoeftes van de kinderen voorop te stellen. [de minderjarige 2] omschrijft deze periode als ‘overleven’. De kinderen zijn sterk genoeg geweest om de situatie te verlaten en naar de vader te gaan. Dat is een tijdelijk verblijf gebleken, omdat de vader hen niet een veilige en fijne opvoedomgeving kon bieden vanwege zijn beperkte belastbaarheid/psychische problematiek. Terugkeer naar de moeder was op dat moment ook geen optie omdat de moeder sinds het vertrek van de kinderen weigert in contact te komen met de jeugdbeschermers. Om die reden zijn de kinderen op verschillende plekken van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geplaatst en zij hebben het daar naar omstandigheden goed. Inmiddels is duidelijk geworden dat de vader geen grote rol zal kunnen spelen in het leven van de kinderen gelet op zijn problematiek en geplande emigratie medio 2025 naar [land] . 7.
  29. Op dit moment wordt de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen noodzakelijk is, niet geaccepteerd door de moeder (die hoofdopvoeder is). De moeder is tot op heden niet in contact met de GI en heeft daarvoor een schriftelijke aanwijzing ontvangen. Ook na het ontvangen van deze schriftelijke aanwijzing laat de moeder het na om in contact met de GI te treden. Het uitblijven van het contact met de moeder bemoeilijkt de inzet van hulpverlening, het contactherstel tussen de moeder en de kinderen en het nemen van andere gezagsbeslissingen, zoals het regelen van paspoorten of identiteitskaarten voor de kinderen. [de minderjarige 1] heeft duidelijk gemaakt dat zij geen behoefte heeft aan hulpverlening voor het verwerken van de gebeurtenissen in het verleden, omdat zij geen last ervaart daarvan. [de minderjarige 2] heeft wel behoefte aan hulpverlening. Zij is al aangemeld voor gesprekken met een psycholoog van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en bekeken wordt of verder nog hulpverlening aangeboden kan worden (bijvoorbeeld van KOPP of Villa Pinedo). 7.
  30. Gelet op de ernstige zorgen die bestaan over de opgroeiomgeving van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , acht de kinderrechter het van groot belang dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt die stevig de regie voert en de nodige hulpverlening inzet en borgt. 7.
  31. Ten aanzien van [de minderjarige 2] is de verwachting vooralsnog gerechtvaardigd dat de ouders met gezag (hoofdopvoeder moeder) binnen een gelet op haar persoon en ontwikkeling in staat zullen zijn om haar verzorging en opvoeding weer zelfstandig te dragen. Hoewel deze verwachting ten aanzien van [de minderjarige 1] , gelet op haar perspectief om vanuit het [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] verder te werken naar zelfstandigheid, feitelijk niet bestaat, wordt er in dit geval in haar belang en in het belang van het waarborgen van haar plek bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] wel van uitgegaan. 7.
  32. Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het BW. De kinderrechter zal [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] daarom onder toezicht stellen. Gelet op de zorgen die er zijn, de in te zetten hulpverlenging en de houding van de moeder, acht de kinderrechter hiertoe de duur van de ondertoezichtstelling tot meerderjarigheid ten aanzien van [de minderjarige 1] en voor de duur van één jaar ten aanzien van [de minderjarige 2] , passend en geboden. inhoudelijke beoordeling uithuisplaatsing 7.
  33. Ook is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). 7.
  34. [de minderjarige 1] verblijft op dit moment bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waar zij kamertraining volgt. [de minderjarige 1] wil niet terug naar de moeder, reden waarom er voor haar gewerkt gaat worden aan het toewerken naar zelfstandigheid (met een uiteindelijke doorstroom naar een studio of kamer). De machtiging zal dan ook worden verleend conform het verzoek, tot haar meerderjarigheid. 7.
  35. [de minderjarige 2] heeft wel een sterke wens om terug te keren naar de moeder. De mogelijkheid van terugkeer is er op dit moment (helaas) niet, nu er nog steeds geen contact is tussen de jeugdbeschermers en de moeder en de veiligheid van [de minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder daardoor niet goed kan worden ingeschat dan wel gewaarborgd. De komende periode zal geprobeerd worden om dat contact te leggen om zo snel als mogelijk te onderzoeken of de wens van [de minderjarige 2] om terug te keren naar huis mogelijk en in haar belang is. Gelet op de sterke wens van [de minderjarige 2] om terug te keren naar huis en haar kwetsbaarheid, acht de kinderrechter een extra toetsmoment over een paar maanden geboden. Het verzoek om uithuisplaatsing zal daarom toegewezen worden voor de duur van drie maanden en het resterende verzoek zal worden aangehouden tot de zitting van [datum] . Tijdens die zitting zal de doelmatigheid van het voortduren van de uithuisplaatsing besproken worden. 8De beslissing De kinderrechter: 8.
  36. stelt [de minderjarige 1] onder toezicht van De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 24 januari 2025 tot haar meerderjarigheid, te weten [datum] ; 8.
  37. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot haar meerderjarigheid, te weten [datum] ; 8.
  38. stelt [de minderjarige 2] onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 24 januari 2025 tot 24 januari 2026; 8.
  39. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] tot 25 april 2025; 8.
  40. houdt het verzoek tot verlenen van een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] voor het overige aan tot de zitting van [datum] op een nader te bepalen tijdstip; 8.
  41. bepaalt dat de griffier van deze rechtbank de Raad, de GI, de vader en de moeder zal oproepen om ter zitting te verschijnen en de minderjarige oproept voor een kindgesprek; 8.
  42. verzoekt de Raad en de GI om de rechtbank uiterlijk twee weken voorafgaand aan de zitting schriftelijk te informeren over de dan geldende stand van zaken en de gewenste verdere procesgang. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Veen als griffier, en op schrift gesteld op 7 februari
  43. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.