← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:12868

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknummer : 11264630 \ WM VERZ 24-1189 CJIB-nummer : ['nummer'] Uitspraakdatum : 14 februari 2025 Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratief- rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [betrokkene] woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene). De verkeersboete en het beroep Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken). Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 31 januari

  1. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Er is na de zitting uitspraak gedaan. De beoordeling Betrokkene ontkent de gedraging en twijfelt aan de waarneming van de verbalisant. In de toelichting van het zaakoverzicht verklaart de verbalisant onder andere het volgende: “…Ik, verbalisant, zag voornoemd voertuig met vier wielen over het gehele verdrijvingsvlak rijden. Ik zag dat voornoemd voertuig een vrachtwagen inhaalde ten tijde van het rijden op het verdrijvingsvlak…“. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het beroepschrift van betrokkene een aanvullend proces-verbaal laten opmaken door de verbalisant. In dit aanvullend proces-verbaal is het volgende vermeld: “…Ik, verbalisant (…), heb ter plaatse het kenteken genoteerd en kan met volledige zekerheid zeggen dat het genoemde voertuig ook het betreffende voertuig is. Ik zag dat de bestuurder mannelijk was en een geschatte leeftijd had tussen de 20 en 30 jaar oud. Ik bevond mij in privé tijd en in een privé voertuig. Ik had geen stopmiddelen bij mij en ik reed in tegenovergestelde richting. Ik kon derhalve het voertuig niet doen stilhouden. Ik beschikte niet over de mogelijkheid om een collega het voertuig te doen laten stilhouden omdat ik geen zicht meer had op het genoemde voertuig. Gezien de gevaarsetting heb ik ervoor gekozen omdat ik geen andere mogelijkheid had, om de beschikking op kenteken te schrijven….”. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld dat er geen twijfel is ontstaan aan de verklaring van de verbalisant en de boete terecht is opgelegd. De vertegenwoordiger van de officier van justitie stelt verder dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat de boete wel dient te worden gematigd met 25%. De kantonrechter oordeelt dat de boete terecht is opgelegd. In het dossier bevindt zich een verklaring van de verbalisant. Uit die verklaring blijkt voldoende dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is begaan. Betrokkene heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een boete kan worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het voertuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven, tenzij direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. Dit betekent dat als zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van die bestuurder voordoet, de boete aan de bestuurder moet worden opgelegd en niet aan de kentekenhouder. In dit geval is voldoende gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, omdat de verbalisant blijkens het aanvullend proces-verbaal niet in een als zodanig herkenbaar politievoertuig reed en er geen middelen aanwezig waren om een stopteken te geven aan de bestuurder die de gedraging had verricht. De boete is in dit geval dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder. Daarom is niet van belang of betrokkene zelf ter plaatse was ten tijde van de gedraging. De kantonrechter volgt het standpunt van de officier van justitie dat de redelijke termijn van berechting is overschreden en ziet aanleiding om de boete met 25% te matigen. Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd zal worden gewijzigd. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; ‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd gedeeltelijk gegrond en matigt de boete tot een bedrag van € 187,50 (met handhaving van de administratiekosten); ‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D.M. Hazeu, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,
  2. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending: Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2023, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2023:6369.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.