RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/359392 / JU RK 24-1764 Datum uitspraak: 23 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en (aansluitend) een machtiging uithuisplaatsing in een (open) accommodatie jeugdhulp in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Noord-Holland, Haarlem, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] , advocaat mr. R. Polderman, kantoorhoudende te Alkmaar. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] , de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI. 1Het verdere verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 27 december 2024; het gewijzigde verzoek van de Raad van 14 januari 2025, ingekomen op 15 januari 2025; de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 17 januari 2025 ontvangen op 22 januari
- 1.
- Op 19 december 2024 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - [de minderjarige] bijgestaan door zijn advocaat mr. R. Polderman; -de ouders van [de minderjarige] , bijgestaan door hun ambulante begeleider; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI; - [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad; - [gedragswetenschapper] gedragswetenschapper bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] . 1.
- [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van zijn advocaat mr. R. Polderman, ook apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. 2De feiten 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- Op 21 juni 2024 is door de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [de minderjarige] afgegeven en het verzoek voor het overige, in afwachting van een mondelinge behandeling op de zitting, aangehouden tot de zitting van 4 juli
- Op de zitting van 4 juli 2024 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging bekrachtigd maar verzoek om een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden afgewezen. De verleende spoedmachtiging eindigde op 19 juli
- 2.
- Op 23 september 2024 heeft de kinderrechter een nieuwe spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [de minderjarige] afgegeven en het verzoek van de GI voor het overige, in afwachting van een mondelinge behandeling op de zitting, aangehouden tot 3 oktober
- Op de zitting van 3 oktober 2024 heeft de kinderrechter de op 23 september 2024 verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp van [de minderjarige] opgeheven met ingang van 3 oktober 2024 en het resterende deel van het verzoek afgewezen. 2.
- Bij beschikking van 8 oktober 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, te weten de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, voor de duur van drie maanden, te weten tot 8 januari 2025 en weer een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging bekrachtigd en de verzochte machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 8 januari
- 2.
- Bij beschikking van 27 december 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 27 december 2025 en een machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, voor de duur van 4 weken, waarbij het meer verzochte is aangehouden tot de onderhavige zitting. 2.
- Op basis van laatst genoemde machtiging verblijft [de minderjarige] momenteel bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] , in [plaats] . 3Het verzoek 3.
- De Raad verzoekt een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. De Raad heeft het eerdere verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing gewijzigd, in die zin dat er in aansluiting op de reeds verleende machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken, een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdhulp wordt verzocht voor een periode van drie maanden, in plaats van de nog resterende twee weken. De Raad handhaaft het verzoek om de GI te machtigen om [de minderjarige] , in aansluiting op die (gewijzigde) periode van drie maanden, voor de duur van zes maanden uit huis te plaatsen in een accommodatie van een aanbieder van jeugdhulp 24-uurs. De Raad heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. 3.
- Op de zitting van 27 december 2024 is door de GI aangegeven dat [de minderjarige] , sinds zijn verblijf op een andere groep ( [groep] ) binnen [locatie] rustiger was geworden. De positieve ontwikkeling was pril, maar sinds [de minderjarige] een maatje had gevonden op de groep, is er goed contact met de groepsleiding en is [de minderjarige] niet meer weggelopen. Om die reden werden er mogelijkheden gezien om [de minderjarige] , die nog altijd graag terug naar huis wil, te laten doorstromen naar een open groep binnen [locatie] , te weten [groep] , van waaruit er toegewerkt zou kunnen worden naar een terugkeer naar huis. De GI en de Raad waren het er daarom over eens dat er, vanwege het belang van stabiliteit voor [de minderjarige] , een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdhulp nodig was voor een langere periode dan er op 27 december werd verzocht. 3.
- Naar aanleiding van hetgeen op de zitting van 27 december 2024 was besproken en besloten, heeft de Raad nader onderzoek verricht Hieruit is gebleken dat [de minderjarige] goed functioneert op [groep] en in weekenden en tijdens de vakanties naar huis gaat. Een toekomstige overplaatsing naar [groep] wordt overwogen als tussenstap naar volledig thuis wonen, maar er is nog geen plek beschikbaar. Er bestaat anderzijds ook onzekerheid over het effect van een overplaatsing op [de minderjarige] zijn gedrag, waardoor langer verblijf op [groep] misschien wel beter is. [de minderjarige] is in de kerstvakantie twee weken thuis geweest en dat is goed gegaan. [de minderjarige] kwam veel rustiger over dan voorheen, kwam op tijd en volgens afspraak thuis en keek rustiger uit zijn ogen. De ouders merkten wel dat het voor hen ook weer wennen is om [de minderjarige] thuis te hebben. Het vertrouwen moet weer groeien en de rust moet terugkeren. Het hele gezin wil heel graag dat [de minderjarige] weer thuis komt wonen en ouders doen daar erg hun best voor en zij zien dat [de minderjarige] dat ook doet. Vanaf nu zal [de minderjarige] regelmatig in de weekenden naar huis komen en zal er van daaruit opgebouwd gaan worden. De Raad vindt het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat er zoveel mogelijk continuïteit in zijn traject zit. Nu er eindelijk een positieve ontwikkeling is ingezet, is het zaak dat deze ontwikkeling kan worden vastgehouden zodat niet alleen [de minderjarige] , maar ook zijn ouders kunnen gaan profiteren van de hulp die hen geboden wordt. 4De standpunten standpunt van [de minderjarige] 4.
- [de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed met hem gaat. Tot een incident gisteren waarbij [de minderjarige] door een jongen van een andere groep is beschuldigd van het stelen van zijn sigaretten en door deze jongen is geschopt en geslagen, wilde [de minderjarige] op [groep] blijven. Nu twijfelt [de minderjarige] hier een beetje aan omdat hij de betreffende jongen steeds tegenkomt. [de minderjarige] probeert de jongen te ontlopen. Over ongeveer twee weken gaat de jongen weg bij [locatie] en hoeft [de minderjarige] hem niet meer tegen te komen. [de minderjarige] staat er voor open om de komende tijd op verschillende open groepen te gaan kijken om mee te denken over een passende vervolgplek. Mr. Polderman heeft namens [de minderjarige] naar voren gebracht dat [de minderjarige] het eens is met het verzoek en het belangrijk is voor [de minderjarige] dat hij niet steeds naar een andere plek hoeft te verhuizen. standpunt van de ouders 4.
- De ouders vinden een langer verblijf op [groep] nodig om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] uiteindelijk, eventueel met een tussenstap op [groep] , weer thuis kan komen wonen. De tijd die [de minderjarige] tot nu toe thuis heeft doorgebracht is goed verlopen. De ouders zijn zich ervan bewust dat zowel [de minderjarige] als de ouders nog veel moeten leren, voordat [de minderjarige] definitief naar huis kan komen. De ambulante begeleider van de ouders heeft benadrukt dat het van belang is dat er psycho-educatie voor [de minderjarige] wordt gestart. standpunt van de GI 4.
- De GI ziet dat het beter gaat met [de minderjarige] en dat hij het ondanks de recente ruzie naar zijn zin heeft op [groep] . Wanneer [de minderjarige] nu naar een andere groep moet verhuizen doet dat afbraak aan zijn vertrouwen en dit is niet wenselijk. De gezinsvoogd gunt [de minderjarige] wel dat hij gaat kijken naar open groepen in de buurt en gaat ondervinden hoe dat is. Het is de bedoeling dat [de minderjarige] in de weekenden naar zijn ouders blijft gaan. Verder moet er wordt gekeken naar de dagbesteding van [de minderjarige] . standpunt van de gedragswetenschapper van [locatie] 4.
- De gedragswetenschapper, heeft aangegeven dat [de minderjarige] zich veilig lijkt te voelen op [groep] en dat het beter klikt tussen [de minderjarige] en de jongeren die daar verblijven. [de minderjarige] gaat naar school en heeft verlof opgebouwd. In de kerstvakantie is hij bij zijn ouders geweest, wat heel goed is gegaan. Er is met de ouders besproken dat [de minderjarige] nu nog niet naar huis kan. [de minderjarige] heeft nog geen dagbesteding en het is voor nu ook nog te veel is voor de ouders. Er wordt [de minderjarige] een periode buiten de gesloten setting gegund, op een plek die goed aansluit bij hem De gedragswetenschapper ervaart dit wel als een dilemma, omdat [de minderjarige] heeft aangegeven niet te willen verhuizen. 5De beoordeling 5.
- De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. (artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw)). 5.
- De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Duidelijk is dat het nu goed gaat met [de minderjarige] en dat hij in de afgelopen periode mooie stappen heeft gezet. [de minderjarige] lijkt, ondanks de ruzie met een medebewoner zijn plek gevonden te hebben op [groep] . Positief is ook dat het verlof bij de ouders in de afgelopen periode goed verlopen. Dit maakt dat op zichzelf een gesloten plaatsing niet direct noodzakelijk lijkt om de veiligheid van [de minderjarige] te borgen. Hiertegenover staat dat [de minderjarige] eindelijk een plek gevonden lijkt te hebben waar hij zich thuis voelt. [de minderjarige] heeft zelf aangegeven liever wat langer op deze plek te willen blijven en van daaruit terug te gaan naar huis dan tussendoor weer naar een andere (open) plek te moeten verhuizen. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat het belang van [de minderjarige] bij stabiliteit gaat boven de voordelen van een open plek. De kinderrechter heeft hierbij de uitdrukkelijke wens van [de minderjarige] en zijn ouders tot voortduring van zijn verblijf bij [groep] meegewogen. Vast staat verder dat een volledige terugkeer van [de minderjarige] naar huis voor nu nog te snel is. Eerst moet nog gewerkt moet worden aan de ondersteuning voor de ouders en gezocht worden naar een passende dagbesteding voor [de minderjarige] . De kinderrechter acht het van belang dat er op korte termijn samen met [de minderjarige] wordt gekeken of er toch nog een vervolgplek moet komen en zo ja welke plek dan passend is, mogelijk [groep] . Vanzelfsprekend behoeft de onderhavige machtiging niet in de weg te staan aan een mogelijke overplaatsing indien er met instemming van [de minderjarige] een meer passende plek voor hem beschikbaar is. 5.
- Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen, voor de verzochte duur van drie maanden. Daarnaast verleent de kinderrechter in aansluiting op de machtiging gesloten jeugdhulp, een machtiging om [de minderjarige] voor de duur van zes maanden uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verleent een machtiging om [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, te weten tot 5 mei 2025; 6.
- verleent aansluitend op de machtiging gesloten jeugdhulp, een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsten in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden; 6.
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.