Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2025:13222
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/5782 en HAA 25/839 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. van Hoof), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (het college), verweerder (gemachtigde: mr. A.B. Holtjer).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de besluiten tot beëindiging, intrekking en terugvordering van de uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van eiser. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking en terugvordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door hier geen melding van te maken. De uitkering is over deze periode ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het college het recht op bijstand van eiser beëindigd en vanaf 1 januari 2013 ingetrokken.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2024 is het bezwaar gegrond verklaard. Het primaire besluit is herroepen, de uitkering is per 29 februari 2024 beëindigd en per 25 mei 2019 ingetrokken (HAA 24/5782).
3.1.
Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 is het bezwaar gegrond verklaard. De terugvordering is gematigd naar een bedrag groot € 64.912,10 (HAA 25/839).
Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van de bestreden besluiten 6. Eiser ontving vanaf 1 september 2007 een uitkering op grond van de Pw naar de norm voor een alleenstaande.
8.1.
In het bestreden besluit van 15 augustus 2024 is het primaire besluit herroepen, de uitkering per 29 februari 2024 beëindigd en per 25 mei 2019 ingetrokken. In het advies van de commissie bezwaarschriften sociale kamer (de commissie) is vermeld dat de onderzoeksresultaten in de periode 1 januari 2013 tot en met 24 mei 2019 onvoldoende zijn om het recht op bestand in te trekken. Dit is volgens de commissie anders voor de periode vanaf 25 mei 2019. Uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker vanaf 25 mei 2019 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht voor [bedrijf 1] én zelfstandig als schilder. Dat rechtvaardigt de veronderstelling dat verzoeker op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. In die periode zijn ook onverklaarbare stortingen gedaan. Omdat eiser geen duidelijkheid heeft kunnen geven over zijn werkzaamheden en zijn financiële situatie en ook niets heeft willen verklaren over de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid, is het voor het college niet mogelijk schattenderwijs eisers inkomsten vast te stellen, ook niet vanaf 29 februari 2024. Eiser heeft zijn inlichtingenplicht geschonden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel recht zou hebben gehad op bijstand hetgeen hij niet heeft gedaan.
9.1.
De commissie heeft geadviseerd de terugvordering te matigen, omdat de bijstand onnodig lang is verstrekt door na overdracht voor het strafrechtelijk onderzoek de bijstand niet te beëindigen. Het college heeft de vordering gematigd naar € 64.912,10, door de periode vanaf 1 september 2022 (binnenkomen van de anonieme tip op 13 september 2022) tot 30 juni 2023 (start strafrechtelijk onderzoek op 22 juni 2023) niet mee te nemen in de terugvordering.
Bevoegdheid van de toezichthouder 10. Eiser stelt dat het onderzoek is verricht door een onbevoegd persoon, waardoor de onderzoeksbevindingen niet ten grondslag gelegd kunnen worden aan de besluitvorming. Het college heeft dit in de bezwaarfase gerepareerd door de toezichthouder met terugwerkende kracht te benoemen. Eiser stelt dat daarmee nog steeds sprake is van door een onbevoegd persoon verrichte onderzoekshandelingen. Het bewijs dat uit deze onderzoekshandelingen voortvloeit is volgens eiser dus onrechtmatig verkregen en kan niet worden meegenomen in het onderzoek. Door eiser wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Schending inlichtingenplicht 13. Eiser stelt dat in het bestreden besluit van 15 augustus 2024 ten onrechte wordt vermeld dat hij erkend heeft dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Deze erkenning geldt volgens eiser alleen voor de observaties in 2023, niet voor de gehele periode. Ook wordt in de beslissing op bezwaar verwezen naar een verklaring van een werknemer van [bedrijf 2] . Het gaat om een anonieme getuige die daarom niet kan worden meegenomen, omdat de verklaring niet kan worden geverifieerd. Verwezen wordt naar uitspraken van de Raad.
Het recht op bijstand kan volgens eiser wel worden bepaald. Ten aanzien van de stortingen vermeldt eiser dat hij heeft verklaard muntgeld op te sparen totdat de spaarbus vol is. Uit de bankafschriften blijkt ook dat kosten voor muntgeldstortingen in rekening worden gebracht. Het is niet aannemelijk dat eiser in kleingeld is uitbetaald. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Raad van 3 mei 2016.Ook is het recht ten onrechte pas ingetrokken per besluit van 29 februari 2024, dat is geruime tijd na het afronden van het onderzoek door het college.
Periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 15. De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door hier geen melding van te maken. De onderzoeksbevindingen die aan deze periode ten grondslag zijn gelegd, zijn hiervoor onvoldoende. Het college baseert zich grotendeels op de muntgeldstortingen en de volgens het college wisselende verklaringen van eiser over het sparen van het muntgeld. De hoogte van de bedragen in deze periode is naar het oordeel van de rechtbank echter niet dusdanig dat deze de conclusie van het college kunnen rechtvaardigen, te minder nu de verklaring van eiser dat hij zijn wisselgeld spaarde in een bus en op gezette tijden stortte op de bank (wat ook blijkt uit de omschrijvingen op de bankafschriften) op voorhand niet onaannemelijk is.
Periode vanaf 26 september 2022 18. Dit is anders voor de periode vanaf 26 september 2022. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voor de periode vanaf 26 september 2022 aannemelijk gemaakt dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door daar geen melding van te maken. Eiser is vanaf deze periode tijdens de waarnemingen en observaties met regelmaat aan het werk gezien. De aanwezigheid van een betrokkene op een werkplek tijdens gebruikelijke arbeidsuren rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Het is dan aan de betrokkene, in dit geval eiser, om aannemelijk te maken dat dat niet zo was. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft hier enkel tegen over gezet dat hij “vaak bij de jongens” hangt en zeven á acht dagen in 2023 vrijwilligerswerk heeft gedaan.
Periode van inactiviteit?
Tussenconclusie 20. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijstand over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 ten onrechte ingetrokken. Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen de intrekking van de uitkering voor wat betreft deze periode slaagt. Het besluit van 15 augustus 2024 wordt vernietigd.
Terugvordering 21. Volgens eiser is het terug te vorderen bedrag ten onrechte niet gematigd vanaf 1 juli 2023 (start strafrechtelijk onderzoek) tot 1 maart 2024. Volgens eiser gelden de argumenten van de commissie om te matigen ook voor die periode.
21.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het standpunt van eiser over de intrekking vindt geen steun in de jurisprudentie en de wet- en regelgeving. Ook het advies van de commissie over de matiging kan rechtbank niet goed volgen. Zoals hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer te stellen dat het recht op bijstand al bij de overgang naar het strafrechtelijk onderzoek beëindigd dan wel ingetrokken had kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitkering niet onredelijk lang heeft doorgelopen.
Conclusie en gevolgen 22. De rechtbank komt tot de conclusie dat beide beroepen gegrond zijn. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 15 augustus 2024, voor zover het gaat om de intrekking van de uitkering over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022. De rechtbank vernietigt ook het bestreden besluit van 24 januari 2025, voor zover het gaat om terugvordering van de uitkering over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022.
22.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
22.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,00 omdat de gemachtigde van eiser twee beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. H.H. Riemeijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 17 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7040.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8756, CRvB 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2863 en 9 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2013:956.
Hoge Raad van 1 juli 1992 (BNB 1992, 306), en de uitspraken van de Raad van 13 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7462 en 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9361.
Uitspraken van de Raad van 16 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1242, van 28 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6119 en van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1982.
ECLI:NL:CRVB:2016:1707.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:80.