← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:13224

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/353289 / JU RK 24-843 Datum uitspraak: 23 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , wonende in [plaats] , hierna te noemen de moeder, [de vader] , wonende in [plaats] , hierna te noemen de vader, 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 17 juli
  2. 1.
  3. Op 23 januari 2025 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van 17 juli 2024 voortgezet. Op de zitting waren aanwezig: - de vader; - de moeder; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI. 1.
  4. [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. 2De feiten 2.
  5. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  6. De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juli 2021 [de minderjarige] voor het eerst onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 juli 2024, tot 28 juli
  7. 2.
  8. De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij voornoemde beschikking van 28 juli 2021 eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend tot 29 september
  9. Ook deze uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 juli 2024, tot 28 januari 2025, waarbij het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de onderhavige zitting. 2.
  10. [de minderjarige] verblijft op basis van laatstgenoemde machtiging bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . 3Het verzoek 3.
  11. De GI verzoekt het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder uit te spreken en de uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarheid bij voorraad. De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. 3.
  12. Zoals eerder aangegeven is [de minderjarige] niet meer op zijn plek bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Er hebben de afgelopen periode op de leefgroep van [de minderjarige] veel wisselingen plaatsgevonden, zowel met betrekking tot groepsgenoten als bij de groepsleiding. Er zijn ook escalaties geweest op de groep waardoor [de minderjarige] zijn gevoel van veiligheid is verslechterd. De wens voor [de minderjarige] is dat hij op een plek kan wonen waar meer rust is. Vast staat dat [de minderjarige] niet meer bij één van de ouders kan gaan wonen. De afgelopen zes maanden is er samen met de ouders, [de minderjarige] en de jeugdbeschermer gekeken naar de opties voor het perspectief van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft eind 2024 de wens uitgesproken om rond zijn zeventiende verjaardag begeleid te gaan wonen. Onlangs gaf hij aan eigenlijk al eerder dan komende zomer overgeplaatst te willen worden. Er is met [de minderjarige] besproken wat hiervoor nodig is. Hij is samen met zijn ambulante coach vanuit Family Supporters, bezig om aan zijn zelfstandigheid te werken. Daarnaast biedt [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] hem de ruimte om meer zelfstandig taken op te pakken, zoals bijvoorbeeld koken, wassen en zijn kamer netjes houden. Helaas blijven de signalen van onrustige en onveilige situaties op de groep zich voordoen. Deze staan volledig los van [de minderjarige] , maar hebben wel een negatief effect op hem. [de minderjarige] slaapt slecht, valt daardoor in slaap in de klas en in de auto bij de ambulant begeleider, en voelt zich onveilig. Dit maakt de zoektocht naar een vervolgplek urgenter. De GI heeft verschillende mogelijkheden onderzocht. [de minderjarige] kan doorstromen naar begeleid wonen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] locatie [locatie] , maar de GI heeft hier inhoudelijk bezwaar tegen aangezien de inspectie heeft geconcludeerd dat de kwaliteit van de zorg daar momenteel niet voldoende gewaarborgd wordt. [de minderjarige] zou ook begeleid zelfstandig kunnen wonen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] Locatie [locatie] , hier woont ook de oudere broer van [de minderjarige] . Daarnaast is er nog de mogelijkheid dat [de minderjarige] begeleid gaat wonen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , locatie [plaats] . Hier is kennis van ASS problematiek, wat een voordeel kan zijn voor de begeleiding van [de minderjarige] . De locatie is ook dicht bij de ouders en vooral bij de vader. [de minderjarige] gaat met enige regelmaat bij de vader langs om de rust op te zoeken en om bij de hond te zijn. De GI zal in gesprek gaan met de ouders en hun begeleiders om de mogelijkheden te bespreken. De GI heeft met [de minderjarige] afgesproken dat hij zowel bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] als bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] gaat kijken om een goed beeld te krijgen. Op dit moment is dus nog niet duidelijk voor welke aanbieder gekozen gaat worden. Wel is duidelijk dat beide plekken op korte termijn een eventuele plek hebben voor [de minderjarige] . De GI neemt de mening van [de minderjarige] en ouders mee in de besluitvorming. Daarnaast is de GI van mening dat [de minderjarige] verdere hulpverlening nodig heeft om de gebeurtenissen uit het verleden een plekje te geven. [de minderjarige] stond daar eerder nog niet geheel positief tegenover. Dit had ook te maken met de verplichte uitwisseling van informatie over [de minderjarige] met zijn ouders, waarvan nu duidelijk is geworden voor [de minderjarige] dat dit niet meer verplicht is na zijn zestiende levensjaar. [de minderjarige] heeft nu recent bij zijn ambulante begeleider aangegeven open te staan voor gesprekken met een therapeut van Family Supporters en heeft daar een afspraak gemaakt. 3.
  13. Op de zitting heeft de GI het verzoek als volgt verder toegelicht. Er heeft onlangs een gesprek plaatsgevonden met [de minderjarige] en de ouders en iedereen is het erover eens dat een vervolgplek bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geen optie is. De keuze is nu beperkt tot [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hoewel het de ambulante begeleider van [de minderjarige] wel gelukt is om [de minderjarige] een afspraak bij een therapeut te laten maken, is er onlangs frictie ontstaan tussen [de minderjarige] en zijn ambulante begeleider. Binnenkort vindt er een gezamenlijk gesprek plaats om dit op te lossen. [de minderjarige] en zijn begeleider staan ervoor open om de draad weer op te pakken. De GI heeft verder naar voren gebracht dat [de minderjarige] gegroeid is in zijn zelfstandigheid. Hij kookt inmiddels voor zichzelf en houdt zijn kamer op orde. De GI is van mening dat zelfstandig wonen nog niet aan de orde is, maar dat [de minderjarige] op een 24-uurs voorziening op zijn plaats is en dat het van belang is dat er spoedig een passende plek wordt gevonden. 4De standpunten mening [de minderjarige] 4.
  14. heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij het eens is met het verzoek, maar niet meer op zijn plek zit bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Het liefste wil [de minderjarige] naar een plek waar hij begeleid kan wonen. Er wordt momenteel naar twee plekken gekeken, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . [de minderjarige] is daar nog niet geweest en hij weet nog niet waar hij liever zou willen verblijven. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is dichter bij zijn vader en de hond en bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] verblijft zijn broer. [de minderjarige] weet niet of het een voordeel of nadeel zal zijn om samen met zijn broer op één plek te wonen. [de minderjarige] is van mening dat hij eerst op allebei de plekken moet gaan kijken voordat hij kan beslissen welke plek voor hem het prettigste is. standpunt van de moeder 4.
  15. De moeder is het eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] omdat zij inziet dat dit beter voor hem is. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] zelf kan aanvoelen wat het beste voor hem is en wat hij nodig heeft. Het liefste wil zij dat [de minderjarige] vaker bij haar thuis komt, maar ze begrijpt dat [de minderjarige] zich daar momenteel niet goed bij voelt. Ze benadrukt dat [de minderjarige] altijd welkom is bij haar, maar wil hem niets verplichten, omdat ze begrijpt dat [de minderjarige] hier te veel druk van ervaart. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat ze niet zeker weet of het positief is wanneer [de minderjarige] samen met zijn broer bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] verblijft. De broers hebben wel goed contact met elkaar en zoeken elkaar ook af en toe op. standpunt van de vader 4.
  16. De vader is het eens met het verzoek. Op de zitting heeft de vader naar voren gebracht dat [de minderjarige] bij hem langskomt wanneer [de minderjarige] dat wil. De vader heeft geen idee hoe het bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zou kunnen zijn voor [de minderjarige] , omdat hij niet bekend is met [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De vader heeft een iets beter idee van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , omdat de broer van [de minderjarige] daar verblijft. 5De beoordeling 5.
  17. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. 5.
  18. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Duidelijk is dat [de minderjarige] niet bij een van de ouders kan wonen. Het is de kinderrechter verder gebleken dat [de minderjarige] niet langer op zijn plek is bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en dat de zowel de GI, als [de minderjarige] , als de ouders het hierover eens zijn. De kinderrechter acht het van belang dat er met spoed een passende vervolgplek komt voor [de minderjarige] . Het is belangrijk dat dit een plek is waar [de minderjarige] zich goed voelt en daarom is het een goed idee dat [de minderjarige] samen met de jeugdbeschermer gaat kijken op beide door de GI aangezochte plekken en zich zo zelf een oordeel kan vormen welke plek het beste bij hem past. Uit hetgeen op de zitting naar voren is gekomen blijkt dat [de minderjarige] zelfstandig genoeg is om de stap naar een begeleid zelfstandig wonen te maken, zoals ook beaamd door de GI. Het is positief dat [de minderjarige] in gesprek is met een therapeut en dat hij hard heeft gewerkt aan zijn zelfstandigheid. 5.
  19. De kinderrechter is aldus van oordeel dat het noodzakelijk is om het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toe te wijzen. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [de minderjarige] samen met de jeugdbeschermer op korte termijn een keuze kan maken en dat [de minderjarige] dan ook bij de gewenste locatie terecht kan. 5.
  20. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek toewijzen en de machtiging van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 28 juli
  21. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  22. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 28 juli 2025; 6.
  23. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari
  24. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.