RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/360817 / JU RK 25-32 Datum uitspraak: 16 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] , advocaat mr. E.E. Tiebe, kantoorhoudende te Heerhugowaard, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] , advocaat mr. J.J.C. Engels, kantoorhoudende te Heerhugowaard. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad, met bijlagen, ontvangen op 9 januari
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 januari
- Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de vader met zijn advocaat; [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI. 2De feiten 2.
- [de minderjarige] is erkend door de vader. 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van zijn oma (mz). [de minderjarige] verblijft feitelijk bij zijn vader. 3Het verzoek 3.
- De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De Raad heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 3.
- De Raad vindt het zeer zorgelijk dat [de minderjarige] , als jong en afhankelijk kind, tot voor kort hoofdzakelijk is opgegroeid bij de moeder bij wie het functioneren met tussenpozen beïnvloed wordt door psychiatrische problematiek. Bekend is dat [de minderjarige] in zeer onveilige situaties heeft verbleven. Zo heeft de moeder [de minderjarige] herhaaldelijk kennelijk als gevolg van haar problematiek alleen thuis of buiten achtergelaten, loopt zij buitenshuis rond met ontbloot bovenlijf en maakt de woning schoon met bleekwater dat op de grond achterblijft en toegankelijk is voor [de minderjarige] . Ze schreeuwt en vertoont verbaal en fysiek agressief gedrag naar haar begeleiders, ook in het bijzijn van [de minderjarige] . Daarnaast heeft zij [de minderjarige] alleen gelaten bij haar voormalige partner die herhaaldelijk agressief naar de moeder is geweest. Het is gebleken dat [de minderjarige] met regelmaat te laat werd gebracht en opgehaald op de peuterspeelzaal en de moeder op deze momenten niet bereikbaar was voor de peuterspeelzaal. De moeder heeft de adviezen van de peuterspeelzaal inzake logopedie niet overgenomen en het viel op dat [de minderjarige] soms minder verzorgd was op de dagen dat hij bij de moeder verbleef. De moeder verwerpt de bevestigde zorgen en geconstateerde onveiligheid voor [de minderjarige] . Zij heeft geen probleembesef en komt niet tot inzicht in haar eigen aandeel en handelen in de ontstane onveiligheid voor [de minderjarige] . Uit informatie van de GGZ en De Ontmoeting blijkt dat de moeder al jarenlang kampt met (rand)psychotische problematiek. De moeder is sinds enkele jaren niet consistent in het aangaan van passende behandeling en inname van medicatie. De afgelopen periode lijkt er sprake te zijn van een toename van zorgmijdend gedrag. De (negatieve) beïnvloeding vanuit haar netwerk vormt naar de mening van de Raad een belemmering voor de moeder om te komen tot wat nodig is, en om haar rol en positie in het leven van [de minderjarige] te herstellen. Eveneens vormt het middelengebruik van moeder een ernstige zorg. In oktober 2024 is de moeder nog opgenomen geweest en werd door de GGZ gesteld dat er sprake was van een ‘psychose uitgelokt door drugsmisbruik’. Op momenten dat dit aan de orde is, ontstaat er een direct gevaar voor het welzijn en de veiligheid van de kwetsbare [de minderjarige] , omdat zijn moeder niet beschikbaar is voor hem. Voor [de minderjarige] is het van belang dat hij in staat wordt gesteld om zich op een gezonde en evenwichtige manier te ontwikkelen. Daar is voor nodig dat hij niet meer wordt blootgesteld aan onveiligheid en dat hij weet bij welke ouder hij mag verblijven. Voor kinderen in deze leeftijd is hechting een belangrijke voorwaarde om zich veilig en evenwichtig te kunnen ontwikkelen. Om die reden dient duidelijk te worden of, en zo ja hoe, er veilig contact kan plaatsvinden tussen de moeder en [de minderjarige] . Voorts dient duidelijk te worden welke rol de moeder nu en in de toekomst kan vervullen in zijn leven. Naarmate [de minderjarige] ouder wordt zal er naast een verzorgende taak ook meer een beroep gedaan worden op de opvoedvaardigheden van de moeder en haar vermogen om aan te kunnen sluiten bij de ontwikkelingsfases van [de minderjarige] . De Raad vindt het, ten behoeve van de ontwikkeling van [de minderjarige] , belangrijk dat [de minderjarige] aangemeld wordt bij een school. Dit geldt ook (indien nog passend) voor een aanmelding bij logopedie. Ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing 3.
- [de minderjarige] verblijft sinds 12 oktober 2024 volledig bij de vader en zijn partner. Hier komt [de minderjarige] zichtbaar tot rust, wat betekent dat hij zich hier veilig en vertrouwd voelt. Het is krachtig dat de vader en zijn partner direct de volledige zorg voor- en over [de minderjarige] op zich hebben genomen. Voor de oma (mz) geldt dat zij zich wekelijks ingezet heeft om [de minderjarige] op een veilige manier in de gelegenheid te stellen om het contact met zijn moeder op te bouwen en te onderhouden. Momenteel conformeert de moeder zich aan het huidige verblijf van [de minderjarige] bij de vader, houdt zij zich grotendeels aan de gestelde veiligheidsafspraken en stemt zij in met begeleide omgangsmomenten. In het belang van [de minderjarige] is het noodzakelijk om zijn verblijf, de omgang en de gemaakte afspraken te borgen in een gedwongen kader en de regie te beleggen bij een onafhankelijke instantie. Gelet op het huidige verblijf van [de minderjarige] bij de vader en zijn partner, maakt de Raad vooralsnog de voorzichtige inschatting dat de vader adequaat handelt wanneer er sprake is van een onveilige situatie. Een zorg is dat de vader, aangezien hij geen gezag draagt, beperkt wordt in het realiseren van dat wat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De Raad is van mening dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is, omdat en zolang [de minderjarige] niet bij zijn gezaghebbende ouder verblijft. Voorts is het van belang dat [de minderjarige] de zekerheid heeft en ervaart dat hij bij de vader en diens partner kan verblijven, zo lang als dat nodig en wenselijk wordt geacht. 3.
- Op de zitting heeft de Raad de verzoeken als volgt verder toegelicht. Bij de moeder was [de minderjarige] niet veilig en het was nodig dat zijn veiligheid geborgd werd, daarom is de vader ingesprongen en heeft de zorg voor [de minderjarige] overgenomen. De Raad beschouwt het verblijf van [de minderjarige] bij de vader als veilige en rustige omgeving. Wel vindt de Raad het van belang dat de moeder weer een grotere rol gaat spelen in het leven van [de minderjarige] . De GI kan hier volgens de Raad een sturende rol in spelen. De moeder staat op dit moment niet open voor hulpverlening, terwijl de Raad van mening is dat GGZ-hulp voor haar noodzakelijk is. Het leven van [de minderjarige] is, ondanks zijn jonge leeftijd, erg turbulent geweest. Hoewel de vader een veilige thuissituatie biedt, beschikt hij niet over het ouderlijk gezag. Daarom is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader noodzakelijk. 4De standpunten standpunt van de moeder 4.
- De moeder heeft op de zitting naar voren gebracht dat het goed met haar gaat na de crisisopname bij de GGZ in december
- Ze gebruikt nu medicatie en verblijft bij haar moeder, de oma van [de minderjarige] . Ze heeft aangegeven het eens te zijn met de ondertoezichtstelling, omdat ze begrijpt dat er zorgen zijn over [de minderjarige] . Ze herkent zich alleen niet in alle zorgen die over haar op papier zijn gezet in het rapport van de Raad. Wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader is namens de moeder aangegeven dat ze het eens is met het verzoek, omdat de vader een stabiele basis kan bieden voor [de minderjarige] , maar ze is het niet eens met de verzochte duur. Op dit moment vindt de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] wekelijks plaats, gedurende een paar uur. Deze momenten worden vaak begeleid door de oma, en soms ook door de opa. De moeder merkt dat [de minderjarige] eraan toe is om haar vaker te zien en doet ook het verzoek om de omgang op te bouwen. Uiteindelijk wil de moeder toewerken naar co-ouderschap. De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot een periode van zes maanden. Zij is van mening dat de uithuisplaatsing daarna niet langer noodzakelijk zal zijn, omdat het veel beter met haar gaat, ze inmiddels medicatie gebruikt en bezig is met een GGZ-traject. standpunt van de vader 4.
- De vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat het inmiddels goed gaat met [de minderjarige] . Toen [de minderjarige] in oktober 2024 bij de vader kwam was hij stil en bang en ook even niet niet meer zindelijk. De vader merkte in de laatste maanden voordat [de minderjarige] bij hem kwam al een verandering in zijn gedrag en heeft dat ook aangegeven bij de hulpverleners van de Ontmoeting. De vader had toen geen communicatie met de moeder. De vader en zijn partner ervaren de fulltime zorg voor [de minderjarige] niet als zwaar, maar juist als erg plezierig. De vader ziet dat het contact tussen [de minderjarige] en de moeder nu goed verloopt en dat [de minderjarige] goed reageert op de omgang met de moeder. De vader benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat er omgang is tussen de moeder en [de minderjarige] . Verder heeft de vader aangegeven dat hij voornemens is om samen met [de minderjarige] een basisschool in [plaats] te bezoeken en hem daar in te schrijven. De moeder heeft haar instemming gegeven voor deze inschrijving. 5De beoordeling Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 5.
- Op basis van de overgelegde stukken en de behandeling op zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek(BW). 5.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit de blootstelling van [de minderjarige] als jong en afhankelijk kind aan zeer onveilig en onvoorspelbaar handelen van de moeder als gevolg van psychiatrische en drugsgerelateerde problematiek. Verder is er sprake geweest van een abrupte maar noodzakelijke wijziging van zijn woonsituatie en het contact met de moeder en is op dit moment onduidelijk welke rol die moeder in de toekomst kan vervullen in het leven van [de minderjarige] . Het is gebleken dat [de minderjarige] zich momenteel in een veilige situatie bevindt bij de vader, maar deze situatie is nog pril en het is nog onduidelijk of [de minderjarige] hulpverlening nodig heeft om te verwerken wat hij heeft meegemaakt in de afgelopen periode. Hoewel het nu beter lijkt te gaan met de moeder, is er nog steeds sprake van een gebrek aan inzicht van de moeder in haar problematiek en op haar handelen en is de opvoedsituatie bij de moeder nog niet veilig genoeg voor [de minderjarige] . In de komende periode van de ondertoezichtstelling is het van belang dat de GI in ieder geval aan de volgende doelen gaat werken: - het onderzoeken of [de minderjarige] hulpverlening nodig heeft om te verwerken wat hij heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder; - het onderzoeken welke vorm en frequentie in de omgang met de moeder in het belang van [de minderjarige] is; - het bepalen van het opgroeiperspectief van [de minderjarige] ; - het bieden van ondersteuning aan de moeder in het contact met [de minderjarige] ; 5.
- Gelet op de aanwezige problematiek en zorgen zal de kinderrechter de minderjarige [de minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader 5.
- De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader noodzakelijk is in het belang van is in het belang van de verzorging en de opvoeding van [de minderjarige] (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. 5.
- Uit de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting is gebleken dat [de minderjarige] niet bij de moeder kan wonen, omdat de situatie bij de moeder nog niet veilig genoeg is. Daarbij komt dat [de minderjarige] veel heeft meegemaakt en het voor hem noodzakelijk is dat hij in een rustige en veilige opvoedsituatie verblijft. De vader is momenteel in staat een veilige opvoedsituatie voor [de minderjarige] te bieden, maar hij beschikt niet over het ouderlijk gezag. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder een GGZ-traject volgt en ook op andere vlakken aan zichzelf probeert te werken. Toch is de kinderrechter van oordeel dat de gevraagde periode van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is, gezien de ernst van de zorgen en de lange tijd dat de problematiek speelt bij de moeder. De kinderrechter overweegt dat indien het in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, de moeder al eerder uitgebreider contact met [de minderjarige] kan hebben en wellicht een deel van de opvoeding op zich kan nemen. Het is verder van groot belang om te onderzoeken wat [de minderjarige] nodig heeft en wat zijn perspectief op langere termijn is. 5.
- Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is en dat de kwestie rondom het gezag op korte termijn opgelost dient te worden. De kinderrechter spreekt op basis van het verhandelde ter zitting de hoop uit dat de ouders dit in onderling overleg kunnen regelen. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- stelt [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , onder toezicht van Stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers met ingang van 16 januari 2025 tot 16 januari 2026; 6.
- verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met ingang van 16 januari 2025 tot 16 januari 2026; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 28 januari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.