RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/102521-25 en 15/107440-22 (tul) (P) Uitspraakdatum: 11 november 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 oktober 2025 en 4 november 2025 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboorteplaats en -datum], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. van der Himst, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 22 december 2024 te Den Helder, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op korte afstand van een portiekdeur, behorende bij de woning gelegen aan de [adres 2], zwaar vuurwerk (Cobra) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde portiekdeur te duchten was. 2Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit bekend, hij heeft nadien niet anders verklaard en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen: een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op 3 april 2025 (dossierpagina’s 118 e.v.); een proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2024 (dossierpagina’s 64 e.v.); een proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2024 (dossierpagina’s 68 e.v.); een schriftelijk bescheid, zijnde een aanvraag extern forensisch onderzoek van 24 maart 2025 (dossierpagina’s 88 e.v.); een schriftelijk bescheid, zijnde een NFI-rapport van 1 mei 2025 (dossierpagina’s 82 e.v.). De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 22 december 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op korte afstand van een portiekdeur, behorende bij de woning gelegen aan de [adres 2], zwaar vuurwerk (Cobra) tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn proceshouding. Een gevangenisstraf zou de basis onder het bestaan van de verdachte wegslaan. Gelet daarop heeft hij verzocht te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 240 uren. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. Hij heeft op korte afstand van de portiekdeur van een woning een stuk zwaar knalvuurwerk (Cobra) dat was vastgeplakt aan een bus purschuim ontstoken. Hij heeft zich daarmee ten behoeve van zijn mededader willen mengen in een conflict over een geldlening tussen de mededader en een bewoner van de betreffende woning. Naar algemene ervaringsregels brengt het afsteken van zwaar knalvuurwerk, zoals een Cobra, gemeen gevaar voor goederen met zich mee. Door zo te handelen hebben de verdachte en de mededader gevoelens van angst, onrust en onveiligheid bij bewoners en direct omwonenden van de woning veroorzaakt. Het teweegbrengen van ontploffingen met zwaar knalvuurwerk, kennelijk om personen te intimideren, neemt schrikbarend toe en zorgt voor grote maatschappelijke onrust. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de proceshouding van de verdachte. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 2 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit. Meer in het bijzonder houdt de rechtbank, gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), rekening met het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 september 2025, waarbij de verdachte is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 28 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.