RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11748330 \ CV FORM 25-3777 Uitspraakdatum: 19 november 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [verzoeker 1]
- [verzoeker 2] beiden wonende te [plaats] verzoekende partijen verder te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. A.R.A. Bloem (ARAG SE) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft gevestigd te Keulen, Duitsland verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigden: mr. J. Nooij en mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij geen compensatie verschuldigd is omdat hij de passagiers heeft omgeboekt op een tijdig alternatief. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat de passagiers feitelijk geen gebruik hebben kunnen maken van het geboden alternatief. Daarom wordt het verzoek van de passagiers toegewezen. 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A); het antwoordformulier (formulier C) en de schriftelijke toelichting daarop. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 30 oktober 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Frankfurt, Duitsland, naar Mexico-Stad, Mexico, met vluchtcombinatie LH989 en LH
- 2.
- De vervoerder heeft vlucht LH989 van Amsterdam naar Frankfurt (hierna: de vlucht) geannuleerd. 2.
- De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht. 2.
- De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
- De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten en de nakosten. 3.
- De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon. 3.
- De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij de passagiers na de annulering een andere vlucht heeft aangeboden die niet eerder dan een uur voor de geplande vertrektijd vertrok en hen niet later dan twee uur na de geplande aankomsttijd op de bestemming bracht. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is, bij een annulering die minder dan zeven dagen voor geplande vertrektijd wordt medegedeeld, anders indien de vervoerder kan aantonen dat hij de passagiers een andere vlucht naar hun bestemming heeft aangeboden, die niet eerder dan één uur voor geplande vertrektijd vertrok en hen minder dan twee uur later na de geplande aankomsttijd op de eindbestemming bracht. 4.
- De vervoerder voert aan dat hij de passagiers in eerste instantie heeft omgeboekt naar een vluchtcombinatie van Amsterdam-Schiphol Airport, via Washington D.C., Verenigde Staten, naar Mexico-Stad, Mexico (met vluchtnummers UA947 en UA1566). Deze alternatieve vluchtcombinatie vertrok 10 minuten later en kwam 1 uur en 50 minuten later aan dan de oorspronkelijke vluchtcombinatie. Daarmee heeft hij hen omgeboekt op een tijdig alternatief. De passagiers zijn vervolgens echter niet akkoord gegaan met dit geboden alternatief. Zij kregen na hun aanvraag te horen dat zij geen digitaal visum konden verkrijgen voor de overstap in de Verenigde Staten. Daarop heeft de vervoerder hen omgeboekt naar een ander alternatief, waarmee zij uiteindelijk een dag later op de eindbestemming zijn aangekomen. 4.
- Het betoog van de vervoerder slaagt niet. Weliswaar heeft hij voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij de passagiers aanvankelijk een alternatieve vluchtcombinatie heeft aangeboden die tijdig vertrok en aankwam in de zin van artikel 5 lid 1 sub c onder iii van de Verordening, maar vast staat dat zij van dit alternatief feitelijk geen gebruik hebben kunnen maken en dat zij daardoor een dag later dan gepland op de eindbestemming zijn aangekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder daarmee niet aan zijn verplichtingen uit de Verordening voldaan. De aangeboden alternatieve vluchtcombinatie was voor de passagiers geen redelijke alternatieve mogelijkheid. Zij konden immers niet beschikken over het vereiste digitale visum. Zij zijn ook niet binnen de vereiste twee uur na de geplande aankomsttijd op de eindbestemming gebracht, maar zijn een dag later op de eindbestemming aangekomen, waardoor zij alsnog hinder hebben ondervonden van de annulering. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de vervoerder daarom geen geslaagd beroep doen op de uitzondering van artikel 5 lid 1 sub c onder iii van de Verordening. 4.
- Omdat de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als onweersproken eveneens toewijsbaar. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. 4.
- Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. 5De beslissingDe kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 135,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, 5.
- wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 1 sub c onder iii van de Verordening. Vgl. overweging 12 van de considerans van de Verordening. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.