RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15-030656-25 en 15-393372-24 (ttz. gev) (P) Uitspraakdatum: 21 november 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 november 2025 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Lelystad. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd ter terechtzitting van 2 juni 2025. De in die zaken ten laste gelegde feiten zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.K. van Ravenzwaaij, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. W.F.J. Kramer, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: onder parketnummer 15-030656-25 Feit 1 hij in of omstreeks de periode van 25 november 2024 tot en met 26 november 2024 te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere malen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in/bij (de directe nabijheid van) het Rode Kruis Ziekenhuis, gelegen aan de Vondellaan 13, door een explosief bij/tegen de draaideur van de hoofdingang van het ziekenhuis te plaatsen/leggen en/of dit explosief in aanraking met vuur te brengen waardoor het explosief tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand van het Rode Kruis Ziekenhuis, gelegen aan de Vondellaan 13, en/of de goederen die zich ten tijde van de explosie in en/of in de nabijheid van dit pand bevonden en/of een of meerdere goederen die (op dat moment) toebehoorden aan [benadeelde] en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de personen die zich ten tijde van de explosie in het pand van het Rode Kruis Ziekenhuis bevonden te duchten was; onder parketnummer 15-393372-24 Feit 2 hij op of omstreeks 13 april 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten heroïne/morfine en/of amfetamine en/of tetrahydrocannabin (THC) terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 67 microgram heroïne/morfine per liter bloed en/of 33 microgram amfetamine per liter bloed en/of 2,3 microgram tetrahydrocannabin (THC) per liter bloed, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde; Feit 3 hij op of omstreeks 13 april 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,57 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 4 hij op of omstreeks 13 april 2024 te Alkmaar opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 73,87 gram hennep gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de ontploffing op 25 november 2024 heeft de officier van justitie vrijspraak verzocht voor het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’. 3.2 Standpunt van de verdediging De verdachte heeft bekend de ontploffingen op 25 en 26 november 2024 teweeg te hebben gebracht. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat hierdoor geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Daarnaast heeft de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen verweer gevoerd op deze feiten. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten: Feit 1 - de verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2025 heeft afgelegd; - een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever] namens bouwbedrijf [benadeelde] van 26 november 2024 (p. 251 tot en met 253); - een proces-verbaal sporenonderzoek van 24 februari 2025 (p. 312 tot en met 315) met fotomap (p. 316 tot en met 325); Feiten 2, 3 en 4 de verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2025 heeft afgelegd; een proces-verbaal rijden onder invloed van 17 november 2024 (p. 7 tot en met 11); een schriftelijk bescheid, inhoudende een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, aanhef, onder 4°, Sv, te weten een rapport van Eurofins van 3 juni 2024 (p. 56 tot en met 58); een proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2024 (p. 14 tot en met 17); een kennisgeving van inbeslagneming (p. 34 en 35); een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 13 november 2024 (p. 67 en 68); een schriftelijk bescheid, inhoudende een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, aanhef, onder 4°, Sv, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 26 november 2024 (p. 69); een kennisgeving van inbeslagneming (p. 36 en 37); een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 18 oktober 2024 (p. 65 en 66). 3.3.2 Nadere bewijsoverweging Met betrekking tot het element ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’ overweegt de rechtbank het volgende. Om te kunnen vaststellen dat sprake was van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, als bedoeld in artikel 157 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat zulk gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653). De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor personen die zich ten tijde van de explosie in het pand van het Rode Kruis Ziekenhuis bevonden.. Uit het sporenonderzoek blijkt dat de hoofdingang in aanbouw was en nog niet in gebruik was. In het nieuwe bouwdeel en de aangrenzende hoofdingang vonden ten tijde van de incidenten nog volop bouwwerkzaamheden plaats. De feitelijke situatie in het ziekenhuis is niet onderzocht. Daardoor kan niet worden vastgesteld of er personen in het ziekenhuis aanwezig waren en, als zij aanwezig waren, of zij zich ten tijde van de explosies in de nabijheid van die explosies bevonden. Op basis van het dossier kan ook niet worden vastgesteld dat voorzienbaar was dat er brand zou kunnen ontstaan, als gevolg waarvan er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Hoewel uit het sporenonderzoek blijkt dat bij de tweede explosie op 26 november 2024 benzine is gebruikt en niet uitgesloten kan worden dat benzine als gevolg van de explosiekracht in het gebouw terecht had kunnen komen en daar tot ontbranding had kunnen komen, waarbij het aanwezige bouwmateriaal en de vloerbedekking van kantonmateriaal mogelijk hadden kunnen bijdragen tot een snelle brandontwikkeling, geldt ook in dit verband dat op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat er in de nabijheid van dit gedeelte van het pand in aanbouw, personen aanwezig waren. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat door het teweegbrengen van de ontploffingen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor personen die zich ten tijde van de explosie in het pand van het Rode Kruis Ziekenhuis bevonden. De rechtbank spreekt de verdachte daarom partieel vrij van het tenlastegelegde te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het tenlastegelegde te duchten gevaar voor goederen – dat zich ook heeft verwezenlijkt – wel wettig en overtuigend bewezen. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 hij op 25 november 2024 en 26 november 2024 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij het Rode Kruis Ziekenhuis, gelegen aan de Vondellaan 13, door een explosief bij de draaideur van de hoofdingang van het ziekenhuis te plaatsen en dit explosief in aanraking met vuur te brengen waardoor het explosief tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand van het Rode Kruis Ziekenhuis, gelegen aan de Vondellaan 13, en de goederen die zich ten tijde van de explosie in en in de nabijheid van dit pand bevonden en een of meerdere goederen die op dat moment toebehoorden aan [benadeelde]; Feit 2 hij op 13 april 2024 te Alkmaar, een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten heroïne/morfine en amfetamine en tetrahydrocannabin (THC) terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 67 microgram heroïne/morfine per liter bloed en 33 microgram amfetamine per liter bloed en 2,3 microgram tetrahydrocannabin (THC) per liter bloed, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde; Feit 3 hij op 13 april 2024 te Alkmaar, opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,89 gram heroïne; Feit 4 hij op 13 april 2024 te Alkmaar opzettelijk aanwezig heeft gehad 71,90 gram hennep. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; Feit 2: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994; Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte door externe dwang, namelijk door de bedreiging van de opdrachtgever, waarbij deze een vuurwapen tegen het hoofd van de verdachte heeft gezet, is aangezet tot het teweegbrengen van de explosies. De raadsman stelt dat de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden tegen deze externe dwang. De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt, omdat er geen ondersteunend bewijs is voor de bedreiging van de verdachte. Ook zijn er contra-indicaties waaruit lijkt te volgen dat de verdachte de explosieven heeft geplaatst tegen betaling. De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht de eis wordt gesteld dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het moet daarbij gaan om een zodanige druk die op de verdachte is uitgeoefend, dat zijn wilsvrijheid is aangetast en onder die omstandigheden niet van hem kon worden gevergd dat hij daar weerstand aan kon bieden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij onder druk van de opdrachtgever heeft gehandeld, nadat deze hem in elkaar had geslagen en een vuurwapen tegen zijn hoofd had gezet. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk is geworden. De verklaring van de verdachte staat op zichzelf en vindt geen ondersteuning in het dossier. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat uit de uitgelezen telefoon van de verdachte blijkt dat hij enkele uren na de eerste explosie berichten heeft gestuurd naar [betrokkene], waarin hij aangeeft dat hij geen geld heeft en een goede klus heeft gedaan. Ook geeft hij aan dat hij de volgende klus gratis zal doen. De rechtbank ziet deze berichten als contra-indicatie voor de verklaring van de verdachte dat hij gedwongen is om de explosies teweeg te brengen. De verklaring van de verdachte dat deze berichten zagen op een andere klus die de verdachte voor [betrokkene] uitvoerde, te weten het slopen van een huis, acht de rechtbank niet aannemelijk. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom verworpen. Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 6Motivering van de sancties 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van negen maanden. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft zijn leven een positieve wending gegeven en is met zijn heroïneverslaving aan de slag gegaan. De verdachte gebruikt inmiddels geen drugs meer. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven en dat hij heeft meegewerkt aan het onderzoek. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het twee keer medeplegen van het tot ontploffing brengen van een explosief bij een ziekenhuis. Het teweegbrengen van dergelijke explosies is de laatste jaren in aantal toegenomen en heeft kennelijk tot doel personen te intimideren. Deze explosies veroorzaken grote schade en hebben niet alleen een grote impact op de direct betrokkenen, maar zorgen ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid voor anderen in de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het ontstaan van die gevoelens en heeft zich niet laten weerhouden door het voorzienbare gevaar. Door zijn handelen is immers een zeer gevaarlijke situatie ontstaan, waarbij het ziekenhuis ook forse schade heeft geleden. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat hij dit gevaar kennelijk voor lief heeft genomen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid heroïne en hennep. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de vele daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Daarnaast heeft de verdachte een personenauto bestuurd terwijl hij onder invloed was van heroïne/morfine, amfetamine en THC. Door in die toestand aan het verkeer deel te nemen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 25 april 2025 waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Verder overweegt de rechtbank dat de verdachte ter terechtzitting de feiten heeft bekend en daarbij inzicht en verantwoordelijkheid heeft getoond. Het reclasseringsadvies van 11 juni 2025 vermeldt dat er indicaties aanwezig zijn voor het inzetten van interventies, maar dat de reclassering de verdachte niet voldoende kan begeleiden in een forensisch kader. De reclassering adviseert daarom om bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Oplegging van de sancties De ernst van de feiten maakt dat de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de strafoplegging van de rechtspraak en straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken opleggen. Omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie valt de opgelegde straf lager uit dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van vierentwintig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.