RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/353965 / JU RK 24-921 Datum uitspraak: 21 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N.C. Milani, kantoorhoudende te Almere, [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende te [plaats] . 1Het verdere verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van deze rechtbank van 23 juli 2024, met de daarin genoemde stukken; de brief, met bijlagen, van de GI van 31 december 2024; de brief van de GI van 21 januari
- het e-mailbericht van de moeder, ingekomen bij de rechtbank op 20 januari
- 1.
- Op 21 januari 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder bijgestaan door haar advocaat mr. M.S. Krol, waarnemend voor mr. Pool; de pleegmoeder; [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI. 2De feiten 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder. 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft [de minderjarige] per 4 mei 2022 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Dit is vastgelegd bij beschikking van 6 mei
- Bij beschikking van 27 juli 2022 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien steeds is verlengd. Bij beschikking van 23 juli 2024 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd met de duur van zes maanden, tot 27 januari
- Het overig verzochte is aangehouden tot een zitting in januari
- Dit resterende verzoek ligt nu voor. 2.
- Ook heeft de kinderrechter op 4 mei 2022 [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin, te weten bij de pleegmoeder (tante moederszijde). Dit is vastgelegd bij beschikking van 6 mei
- De machtiging is nadien steeds verlengd. Bij beschikking van 23 juli 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing laatstelijk verlengd met de duur van zes maanden, tot 27 januari
- Het overige verzochte is aangehouden tot een zitting in januari
- Ook dit resterende verzoek ligt nu voor. 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt het aangehouden deel van haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toe te wijzen voor de resterende duur van zes maanden, en heeft dit als volgt toegelicht. 3.
- De omgang met de vader wordt nog begeleid door De Rading. Ook is inmiddels een aanmelding gedaan voor een perspectiefonderzoek (2thepoint) bij De Rading. [de minderjarige] is recent gestart met één dag in de week peuterspeelzaal. Het gedrag van [de minderjarige] richting haar vader was verbeterd ten opzichte van april
- Half november 2024 zijn bij [de minderjarige] echter zorgwekkende signalen naar voren gekomen. De omgang was tijdelijk opgeschaald en [de minderjarige] sliep in het weekend bij haar vader. Sinds de opschaling liet [de minderjarige] heftig gedrag zien. Zij schreeuwt, gilt, slaat (in de lucht) en zoekt meer veiligheid bij de pleegmoeder bij terugkomst. Een na-reactie is logisch, maar de mate ervan is mogelijk niet passend, aldus De Rading. Op basis van deze gedragsverandering, is besloten dat de pleegzorgbegeleider een observatie doet tijdens de omgang en dat de omgang voortaan bij de pleegmoeder thuis plaatsvindt. Hieruit komt naar voren dat [de minderjarige] tijdens omgangsmomenten kan bevriezen en in het luchtledige staren. Besloten is om video-interactiebegeleiding (VIB) in te gaan zetten bij zowel de pleegmoeder als de vader. Het doel is om weer toe te werken naar weekenden bij de vader. Daarnaast zijn er zorgen met betrekking tot seksualiteit. [de minderjarige] heeft in het bijzijn van de pleegmoeder en de oma moederzijde uitspraken gedaan, waarbij zij bij haar pop wijst op de vagina en zegt ‘papa pijn, papa auw’. Deze zorgen zijn met de vader gedeeld en de vader heeft aangegeven dat [de minderjarige] bij hem dezelfde uitspraken heeft gedaan. Volgens De Rading moeten de zorgen rondom het veranderende gedrag van [de minderjarige] en de meerdere schimmelinfecties in de periode dat zij nog bij de vader sliep, serieus genomen worden. De Rading heeft geadviseerd om het 2thepoint-traject te pauzeren en te onderzoeken waar deze signalen vandaan komen. De GI benadrukt dat er geen beschuldigingen zijn geuit richting betrokkenen. De komende tijd zal de GI zich op de volgende punten richten: - het monitoren van het VIB-traject tijdens de omgang met de vader; - onderzoeken of [de minderjarige] trauma heeft, naar aanleiding van de signalen, en kijken welke interventies passend zijn; - het aanmelden bij een organisatie om de begeleide omgang over te nemen; - het monitoren van de begeleide omgang in verband met de onzekerheid rondom de werktijden van de vader; - het herstarten van het 2thepoint-traject om duidelijkheid te krijgen over [de minderjarige] ’s perspectief, mits deze organisatie hiermee instemt. 3.
- Tijdens de zitting heeft de GI hier het volgende aan toegevoegd. De GI betreurt het dat er nog altijd geen concreet plan is gemaakt door het expertiseteam van De Rading over de zorgsignalen bij [de minderjarige] . Deze signalen moeten wel serieus genomen worden. Mogelijk is de oorzaak niet te achterhalen en de GI wil ook niet op voorhand conclusies trekken. Daarnaast is de intake voor VIB in december 2024 geweest en is het de bedoeling dat deze binnenkort zal starten. Ook wordt de vader tijdens de omgang gecoacht op opvoedvaardigheden. Dit geeft hem de kans om de relatie met [de minderjarige] te herstellen. De pleegmoeder zal niet aanwezig zijn bij de VIB en de omgang. Desgevraagd heeft de GI verklaard dat vanaf september 2024 aan de vader is gevraagd of de omgang verplaatst kan worden naar de donderdag, in verband met de peuterspeelzaal op vrijdag. De vader heeft hierop aanvankelijk positief gereageerd. De omgang gaat vanwege afzeggingen door de vader ook vaak niet door. De GI verwacht op deze punten meer initiatief van de vader. De GI begrijpt dat het voor de vader belangrijk is te weten wie aanwezig was bij de zorgelijke uitspraken van [de minderjarige] en dat de verslaglegging op dit punt geen duidelijkheid geeft. 4De standpunten 4.
- De vader refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter met betrekking tot de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Met betrekking tot de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de vader dit toe te wijzen voor de duur van drie maanden en het overig verzochte aan te houden. De vader wil dat daarmee de vinger aan de pols wordt gehouden en voert daartoe (samengevat) het volgende aan. De VIB is nog altijd niet gestart en dit is niet aan de vader te wijten. Ook heeft de vader in december 2024 voor de laatste keer omgang gehad met [de minderjarige] . Ondanks een eerdere toezegging, lukt het de vader niet (meer) om op zijn werk te regelen dat hij op de donderdag omgang kan hebben met [de minderjarige] . De vader is van mening dat alle partijen hierin een oplossing moeten vinden en niet alleen hij zelf. De vader wil graag dat de GI de zorgsignalen van [de minderjarige] duidt en de bron ervan aangeeft. Het is voor hem onduidelijk wie bepaalde gedragingen signaleert en wie bij de (zorgelijke) uitspraken van [de minderjarige] aanwezig waren. De vader betwist nadrukkelijk dat [de minderjarige] bij hem heeft gewezen naar de vagina van de pop. Ook de vader wil graag weten waar de gedragsverandering van [de minderjarige] vandaan komt. Hij vindt het echter onbegrijpelijk dat de omgang sindsdien drastisch is beperkt. De vader voelt zich onmachtig en ontmoedigd. Zijn vertrouwen in de pleegmoeder en in de GI neemt af. De vader wil graag duidelijkheid over de omgang. 4.
- De moeder heeft zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter met betrekking tot de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Daarnaast verzoekt ook de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing met drie maanden te verlengen en het overig verzochte aan te houden. De moeder onderschrijft het standpunt van de vader. Zij wil ook graag een onderbouwing zien van de standpunten van de GI en De Rading, met een bronvermelding. Het dossier is volgens de moeder niet volledig. De moeder is nog niet benaderd in verband met het perspectiefonderzoek. Het is voor de moeder onduidelijk waar de GI naartoe werkt en of alle gestelde doelen nog van toepassing zijn. Volgens de moeder is het van belang om in verband met de uithuisplaatsing duidelijk te hebben wat de grond van de uithuisplaatsing is en wat de doelen zijn om tot thuisplaatsing bij vader over te gaan. De moeder heeft alle vertrouwen in de vader. 4.
- De pleegmoeder heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat [de minderjarige] voorlopig alleen op de vrijdag naar de peuterspeelzaal kan. Zij staat op de wachtlijst voor een andere dag. De VIB zal over enkele dagen van start gaan. 5De beoordeling 5.
- Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog nodig is. [de minderjarige] groeit nog zodanig op dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit de zorgen zoals eerder opgenomen in de beschikking van 23 juli 2024 en daarnaast het zorgelijke gedrag dat [de minderjarige] heeft laten zien na omgang met de vader en de zorgelijke uitspraken die zij mogelijk heeft gedaan. Tot op heden is nog onduidelijk wat de aanleiding hiervan is geweest. Daarnaast bestaat er nog onduidelijkheid over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] . 5.
- Tevens blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval door de vader weliswaar voldoende wordt geaccepteerd, maar dat deze onvoldoende van de grond komt. Tussen de moeder en de GI is minimaal contact en de moeder staat niet in contact met de hulpverleners van De Rading. Er bestaat een groot wantrouwen – zo is ook tijdens de zitting gebleken – van de ouders jegens de pleegmoeder en de GI. Beide ouders zijn bang dat [de minderjarige] hun ontnomen wordt door de pleegmoeder en twijfelen aan uitlatingen die de pleegmoeder heeft gedaan over [de minderjarige] . Ook de omgang tussen [de minderjarige] en vader stagneert op dit moment. 5.
- Ondanks het feit dat nog onduidelijk is of de ouders binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, is de kinderrechter van oordeel dat nu nog wel is voldaan aan de vereisten van artikel 255 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Immers een gedegen perspectiefonderzoek ontbreekt nog. De Rading heeft geadviseerd eerst te onderzoeken waar de zorgelijke signalen die [de minderjarige] afgeeft vandaan komen, alvorens onderzoek te doen naar haar perspectief. 5.
- Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de resterende duur van zes maanden. 5.
- Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.
- [de minderjarige] is uithuisgeplaatst bij het netwerkpleeggezin van de pleegmoeder omdat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie bij de ouders. In dit pleeggezin heeft zij een positieve groei laten zien in haar ontwikkeling. Het is van belang dat deze plek geborgd wordt, totdat het opgroeiperspectief duidelijk is. In het kader van de ondertoezichtstelling wordt nog steeds toegewerkt naar een thuisplaatsing bij de vader. De opvoedvaardigheden van de vader zijn op dit moment echter nog onvoldoende duidelijk. Evenmin is duidelijk wat [de minderjarige] nodig heeft om veilig te kunnen opgroeien. De oorzaak van haar gedragsproblemen en de zorgelijke uitlatingen die zij zou hebben gedaan is nog niet bekend. Gelet op de lange duur van de uithuisplaatsing en de jonge leeftijd van [de minderjarige] is het van groot belang dat hier op korte termijn duidelijkheid over komt. Het onderzoek door het expertiseteam van De Rading moet hier meer helderheid over geven. 5.
- Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en de machtiging verlengen voor de resterende duur van zes maanden. De kinderrechter ziet onvoldoende aanleiding om de machtiging voor een kortere duur te verlengen. Het komende halfjaar zal de GI erop moeten toezien dat de omgang met de vader weer wordt opgestart, waarbij gebruik zal worden gemaakt van VIB. Daarbij zal de GI duidelijk en concreet moeten aangeven waar de vader aan kan werken en waar hij uiteindelijk aan moet voldoen om [de minderjarige] bij hem te laten opgroeien. Een eerste tussenevaluatie van de VIB zal uiterlijk eind maart 2025 moeten plaatsvinden. Indien daaruit volgt dat de omgang positief verloopt, verwacht de kinderrechter dat deze uitgebreid wordt en dat hiertoe een plan wordt opgesteld. Uiteraard zal daarbij telkens het belang en de veiligheid van [de minderjarige] voorop moeten staan. Zodra [de minderjarige] zorgelijke signalen laat zien, moet daarnaar gehandeld worden. Het is daarbij wel van belang dat wordt vastgelegd wat deze signalen zijn en wie deze heeft vastgesteld. 5.
- Omdat er veel ruis bestaat tussen betrokkenen, de visies van betrokkenen lijnrecht tegenover elkaar staan en zij een andere interpretatie hebben van gebeurtenissen, vindt de kinderrechter het van groot belang dat bij een volgende zitting sprake is van een deugdelijke verslaglegging. De kinderrechter verwacht in dat kader van de GI dat alle toekomstige afspraken met de hulpverlening (waaronder de afspraken over de VIB, de omgang en eventuele andere hulpverleningstrajecten, dagen en tijdstippen) op schrift worden vastgelegd. Van alle VIB-momenten en begeleide omgangsmomenten dient een verslag te worden gemaakt, met dagtekening en namen van alle aanwezigen. Dit verslag wordt door de betrokkenen gelezen en zo nodig ondertekend. In ieder geval moet in een evaluatieverslag eind maart 2025 worden vastgelegd waar de vader aan moet werken voor een eventuele thuisplaatsing. Mocht de omgang onverhoopt niet doorgaan, dan dient ook dit, onder vermelding van de reden, te worden vastgelegd. De kinderrechter verwacht van de vader dat hij zich tot het uiterste inspant om de omgang door te laten gaan. Mocht een omgangsmoment niet door kunnen gaan dan moet de vader dit tijdig aan de GI en aan De Rading laten weten. De vader zal zich ook actief moeten inspannen om zijn werkzaamheden aan te passen aan de omgangsmomenten. Zo nodig vraagt de vader aan de GI om hierin een bemiddelende rol te spelen. De GI zal zich op haar beurt moeten inspannen om de omgang te laten plaatsvinden op een dag dat het voor de vader, gelet op zijn werk, haalbaar is. Ook als dit betekent dat [de minderjarige] daardoor een tijdje niet naar de peuterspeelzaal kan. 5.
- De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 27 juli 2025; 6.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin tot 27 juli 2025; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025 door mr. J. van Beek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Lede-Terhaar sive Droste als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam. Artikel 1:260, eerste lid, BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.