RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/5907 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit Zaandam, eiser (gemachtigde: mr. U.E.M. Pinas), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college (gemachtigde: mr. C.J. Loggen – ten Hoopen). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Zaanstad. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kapvergunning voor 35 bomen op de hoek Weiteveen/ Houtveldweg in Zaandam. 1.
- Het college heeft de kapvergunning met het besluit van 20 februari 2023 verleend. Met het besluit van 14 juni 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college daarbij gebleven. Acht bomen waren geveld door storm Poly, waardoor de kapvergunning nog ziet op 27 bomen. 1.
- Het college heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, samen met [naam 1] en drs. [naam 2] . Namens het college waren ook ing. [naam 3] en [naam 4] aanwezig. Totstandkoming van het besluit 2.
- Eiser woont op de [adres] in de wijk Westerwatering, in Zaandam. Hij woont boven de sportschool die hij exploiteert. Op de hoek van de Weiteveen en de Houtveldweg in Zaandam is nieuwbouw gepland: een kinderdagverblijf en de sportschool Personal Fitness Center (PFC). Voor de bouw dienden in eerste instantie volgens het college 35 bomen te worden gekapt. 2.
- Op 27 januari 2023 heeft de gemeente Zaanstad een aanvraag ingediend voor ‘kap bomen t.b.v. nieuwbouw sportcomplex Weiteveen’. De aanvraag ziet op de activiteit ‘het (te doen) vellen van de houtopstand’ uit artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 2.
- Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 26 juli 2023 is de voorlopige voorziening toegewezen, waarmee de werking van de kapvergunning werd geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar (HAA 23/4207). 2.
- In het bestreden besluit heeft het college (overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie van 14 augustus 2023) de motivering van de kapvergunning aangevuld ten aanzien van de waarden ‘minimaal’ en ‘verhoogd’, de Wilg, de Els en de Iep. Het college verbindt niet het door eiser gewenste voorschrift aan de kapvergunning dat de inwerkingtreding daarvan verbonden is aan de onherroepelijkheid van de toekomstige omgevingsvergunning voor de bouw van de sportschool. Conform het advies van de commissie geeft het college ook op dit punt een aanvullende motivering. Tegen het bestreden besluit heeft zijn gemachtigde namens eiser beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht (HAA 23/5906). Op 24 oktober 2023 zijn de beroepsgronden aangevuld. 2.
- Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd en een voorschrift toegevoegd. Het voorschrift luidt: “Van deze omgevingsvergunning mag pas gebruik worden gemaakt als de daarmee samenhangende omgevingsvergunning voor het bouwen van de sportschool is verleend en de beroepstermijn van de samenhangende vergunning is verstreken zonder dat de samenhangende vergunning is geschorst.” Hierop heeft eiser de voorlopige voorziening-procedure ingetrokken. Het door eiser ingestelde beroep tegen het bestreden besluit heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het wijzigingsbesluit Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt de kapvergunning voor 27 bomen op de hoek Weiteveen en Houtveldweg in Zaandam. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.
- De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Overgangsrecht Omgevingswet
- Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag voor de kapvergunning in 2023 is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht in artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Procesbelang
- Tussen partijen is niet in geschil dat eiser belanghebbende is bij de kapvergunning. Eiser kijkt vanuit zijn woning op de te kappen bomen. Het college heeft aangevoerd dat eiser geen procesbelang heeft bij een uitspraak over de kapvergunning. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. In het licht van de aangevoerde beroepsgronden en wat eiser op de zitting heeft toegelicht, is zijn doel (ook) gelegen in het behouden van de bomen vanwege hun natuur- en landschappelijke waarde voor de wijk en het Natura2000-gebied. Eiser kijkt vanuit zijn woning recht uit op de bomen en wil dat ze blijven staan. Toetsingskader 7.
- Op de zitting is vastgesteld dat het toetsingskader voor de kapvergunning is opgenomen in de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving Zaanstad’ (VFL) en het ‘Bomenbeleidsplan 2020-2050 – Bomen, de longen van Zaanstad’ (Bomenbeleidsplan). De Beleidsregels Bomenbeleidsplan 2023 zijn vastgesteld op een datum van na het bestreden besluit, en dus niet van toepassing. 7.
- In artikel 5.83 van de VFL is bepaald dat het college de kapvergunning kan weigeren op grond van a. de natuurwaarde van de boom, b. de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom, c. de recreatieve waarde van de boom, d. de cultuurhistorische waarde van de boom, of e. de klimaatwaarde van de boom. Uit de aanhef van dit artikel volgt dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft bij de beoordeling van de weigeringsgronden. Het college heeft daarbij beleidsruimte, wat hij heeft ingevuld met het Bomenbeleidsplan. In hoofdstuk 2 en paragraaf 4.5 van het Bomenbeleidsplan wordt een verdere invulling gegeven aan de waarden genoemd in de weigeringsgronden. De bestuursrechter toetst aan de hand van de beroepsgronden of het college bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de kapvergunning heeft kunnen besluiten. Is het bestreden besluit bevoegd genomen? 8.
- Eiser stelt dat het bestreden besluit niet krachtens een geldend mandaat is genomen en ondertekend en daarom niet in stand kan blijven. De beslissing op bezwaar is genomen door de ondergemandateerde Afdelingshoofd Juridische Zaken. Volgens artikel 3, onder a, van het Ondermandaatbesluit Dienstverlening en Bedrijfsvoering 2023 (Ondermandaatbesluit), is het niet toegestaan dat gebruik wordt gemaakt van een ondermandaat als sprake is van zaken die politiek of bestuurlijk gevoelig liggen. De beoordeling of daar sprake van is, ligt volgens eiser bij de ondergemandateerde. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het in strijd is met de rechtszekerheid indien in een mandaatregeling het aan de gemandateerde wordt overgelaten om te beoordelen of een zaak bestuurlijk gevoelig is. Het Ondermandaatbesluit is daarom in strijd met de rechtszekerheid en daarom op dit punt onverbindend. Daarnaast staat artikel 3, onder c, van het Ondermandaatbesluit het niet toe dat gebruik wordt gemaakt van een ondermandaat als er sprake is van een zaak die een beslissing vergt die zou afwijken van een advies waarvan het inwinnen volgens een wettelijk voorschrift dan wel een gemeentelijke richtlijn verplicht is. Volgens eiser wordt het aan de gemandateerde overgelaten om te beoordelen of een beslissing afwijking van een advies vergt, waardoor ook deze bepaling in strijd is met de rechtszekerheid. Indien dit laatste artikelonderdeel wel rechtsgeldig is, heeft het Afdelingshoofd Juridische Zaken onbevoegd een besluit genomen waarin wordt afgeweken van het advies van de 14 augustus
- 8.
- Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit bevoegd genomen. Artikel 3, aanhef en onder a en c, van het Ondermandaatbesluit is niet in strijd met de vereiste rechtszekerheid. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan het standpunt van het college dat de door eiser geschetste geschilpunten zijn ondervangen in artikel 12, aanhef en onder a en c, samen met artikel 13 van het Organisatiebesluit Zaanstad 2012 (Organisatiebesluit). In laatstgenoemd artikel is bepaald: “In de gevallen dat een of een aantal van de uitzonderingen genoemd in artikel 12 van toepassing is, dan wel indien de gemandateerde twijfelt of zulks het geval is, wordt het besluit of de afdoening van de zaak aan het college of aan het lid van het college tot wiens portefeuille het onderwerp logischerwijs behoort, voorgelegd.” In artikel 12, aanhef en onder a en c, van het Organisatiebesluit is bepaald dat het (onder)mandaat niet van toepassing is in zaken die politiek of bestuurlijk gevoelig liggen en in zaken die een beslissing vergen waarbij wordt afgeweken van een verplicht advies. De rechtbank vindt het standpunt van het college dat geen sprake is van een zaak die bestuurlijk of politie gevoelig ligt, en dat het advies van de bezwarencommissie op grond van artikel 2, derde lid, van de Verordening op de behandeling van bezwaarschriften Zaanstad niet zo’n verplicht advies is als bedoeld in artikel 3, onder c, van het Ondermandaatbesluit, draagkrachtig gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet. Is het wijzigingsbesluit in strijd met het Bomenbeleidsplan? 9.
- Eiser voert aan dat het college ten onrechte, en in strijd met de vereiste zorgvuldigheid en motivering, niet het voorschrift heeft verbonden aan de kapvergunning dat de omgevingsvergunning pas in werking treedt op het moment dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de sportschool onherroepelijk is geworden. Eiser verwijst naar hoofdstuk 6 van het Bomenbeleidsplan, onder ‘Bijzondere vergunningsvoorschriften’. Daar is het volgende opgenomen. Een van de meest voorkomende voorschriften bij een kapvergunning vanwege bouwwerkzaamheden is dat de vergunning pas van kracht wordt als de bouwvergunning onherroepelijk is verleend. Het college is door dit voorschrift niet op te nemen ten onrechte afgeweken van de beleidsregel en het advies van de bezwarencommissie. Er is daarbij geen sprake van bijzondere omstandigheden. Bovendien is het volgens eiser nog onduidelijk wanneer de omgevingsvergunning zal worden verleend, zodat het kappen op dit moment prematuur is. 9.
- De rechtbank overweegt dat het college met het wijzigingsbesluit van 12 oktober 2023 een voorschrift aan de kapvergunning heeft verbonden. Het opgenomen voorschrift wijkt af van het voorschrift zoals genoemd in het Bomenbeleidsplan en door eiser geciteerd. Uit het Bomenbeleidsplan volgt echter niet dat het college verplicht is dat voorschrift een op een over te nemen bij iedere kapvergunning vanwege geplande bouwwerkzaamheden. Het staat het college vanuit zijn discretionaire bevoegdheid vrij een ander voorschrift op te nemen. Voor de rechtbank is duidelijk geworden dat eiser bovenal vreest dat de bomen (prematuur) gekapt zullen worden, terwijl het bouwrijp maken van de grond en de bouw van de sportschool misschien (gedurende lange tijd nog) geen doorgang zullen vinden. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het voorschrift uit het wijzigingsbesluit voor nu voldoende waarborg dat de bomen niet prematuur zullen worden gekapt. Op de zitting heeft het college aangegeven dat het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning half maart 2025 ter inzage zal liggen. Door het voorschrift uit het wijzigingsbesluit mag de kapvergunning pas gebruikt worden als de inwerkingtreding van die verleende omgevingsvergunning niet door de voorzieningenrechter wordt geschorst. Dit houdt tegen die tijd desgewenst een geëigende inschatting en beoordeling door de voorzieningenrechter in. De beroepsgrond slaagt niet. Welke waarde hebben de te kappen bomen?
- De rechtbank overweegt dat bij de aanvraag om de kapvergunning onder meer een ‘Bomeninventarisatie Nieuwbouwproject Sporthal Weiteveen’ van de gemeentelijke bomendeskundige [naam 5] (Bomeninventarisatie), een ‘Kaplijst Weiteveen Aangepast’ (Kaplijst) en een herplantplan is ingediend. Het college heeft deze documenten ten grondslag gelegd aan de motivering in het bestreden besluit dat de kapvergunning verleend kon worden omdat de bomen slechts een ‘verhoogde recreatieve waarde’ hebben door hun locatie nabij een speelplek en een pannakooi. Aan de ‘mits’-voorwaarden uit het Bomenbeleidsplan bij een verhoogde recreatieve waarde is volgens het college voldaan. 10.
- Uit de Bomeninventarisatie volgt de volgende waardering van de bomen: De Grauwe Wilgen (in vak 4 en 5 op de Kaplijst) maken deel uit van de bestaande speelplek waardoor die op grond van het Bomenbeleidsplan een verhoogde recreatieve waarde hebben. De stelregel hiervoor is ‘nee, mits’. De bomen zijn niet verplantbaar omdat ze als bosschage te dicht op elkaar staan en de wortels daardoor met elkaar vergroeid zijn. De twee Elzen en de Wilg (in vak 5 en nr. 1 en 2 op de Kaplijst) hebben ook een verhoogde recreatieve waarde door hun locatie bij de speelplek. De bomen zijn niet verplantbaar omdat de kosten en het beoogde resultaat niet in verhouding staan tot elkaar. Een oude Schietwilg (nr. 7 op de Kaplijst) heeft een minimale stedelijke en landschappelijke waarde, minimale natuurwaarde en een minimale klimaatwaarde (door de omvang van de boom). De stelregel hiervoor is ‘ja, mits’. De Schietwilg is niet verplantbaar doordat de boom bestaat uit meerdere stammen en die uit elkaar aan het scheuren zijn. De Kronkelwilg (nr. 6 op de Kaplijst) heeft dezelfde waarde als de oude Schietwilg. De boom is daarbij niet verplantbaar door sterke scheefstand. De Iep langs de Weiteveen (nr. 3 op de Kaplijst) heeft een minimale stedelijke en landschappelijke waarde, minimale natuurwaarde en minimale klimaatwaarde (door de omvang van de boom). De boom is mogelijk verplantbaar maar daarvoor is het nodig het wortelgestel in beeld te brengen door onderzoek. 10.
- De beoordeling van [naam 5] is omgezet in een tabel als Kaplijst. De rechtbank leidt uit de Bomeninventarisatie af dat op de Kaplijst bij bomen nr. 1 en 2, en vak 4 en 5 moet worden gelezen dat die een ‘verhoogde recreatieve waarde’ met het ‘nee, mits’-regime hebben. Het college heeft op de zitting aangegeven dat de foutieve vermelding in de tabel als ‘recreatieve waarde’ met het ‘nee, tenzij’-regime is hersteld in een gewijzigde Kaplijst, waar de rechtbank niet over beschikt. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college gelet op de Kaplijst wel aan een of meer bomen een ‘bijzondere recreatieve waarde’ met het ‘nee, tenzij’-regime heeft toegekend, volgt de rechtbank dit niet. De beroepsgrond slaagt dus niet. 10.3.
- Eiser voert verder aan dat het college ten onrechte aan de bomen slechts een ‘verhoogde recreatieve waarde’ heeft toegekend. Daarbij stelt eiser dat de Bomeninventarisatie zodanige gebreken bevat, dat die niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd. Voor eiser is namelijk onduidelijk wie het heeft opgesteld en hoe diegene tot zijn oordeel is gekomen. Ook is onduidelijk waar en wanneer het onderzoek heeft plaatsgevonden, en met welke methoden. Eiser heeft hierop drie personen gevraagd ook de aanvraag te toetsen aan de waarden uit artikel 5.83 van de VFL en daarvan twee tegenadviezen ingediend. Een advies is opgenomen in het beroepsschrift en het andere advies van R. Alefs van 20 oktober 2024 is los ingebracht. Eiser stelt dat deze personen als deskundigen hebben vastgesteld dat de bomen ‘bijzondere recreatieve waarde’ en ‘bijzondere klimaatwaarde’ hebben. Aan de ‘tenzij’-bepalingen zoals genoemd onder het ‘nee, tenzij’-regime in paragraaf 4.5 van het Bomenbeleidsplan wordt niet voldaan, zodat de bomen niet gekapt mogen worden. Het college had dus met toepassing van artikel 5.83, onder e, van de VFL de omgevingsvergunning moeten weigeren. 10.3.
- De rechtbank overweegt dat het college onbetwist heeft gesteld dat de heer [naam 5] de gemeentelijke bomendeskundige is, zodat hij advies kon geven bij onderliggende aanvraag. De rechtbank overweegt verder dat hoewel het college niet gebonden is aan het advies van de bomendeskundige en de verantwoordelijkheid voor de toetsing bij het college berust, hij bij het nemen van zijn besluit op het advies mag afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. 10.3.
- Naar het oordeel van de rechtbank kon het college de Bomeninventarisatie aan zijn besluit ten grondslag leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het advies niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet of anderszins onzorgvuldig is. Eiser heeft drie personen gevraagd om een tegenadvies te geven over de waarde van de bomen, waaruit andere conclusies volgen dan uit de Bomeninventarisatie. Deze tegenadviezen voldoen zelf echter niet aan de voorwaarden uit de jurisprudentie. De conclusie dat de bomen een ‘bijzondere recreatieve waarde’ en een ‘bijzondere klimaatwaarde’ hebben zijn niet nader zijn onderbouwd aan de hand van het Bomenbeleidsplan. Er is slechts heel beperkt – en dus onvoldoende – aansluiting gezocht bij de onderscheidende elementen van en binnen categorieën waarden uit paragraaf 4.5 van het Bomenbeleidsplan. Ook is alleen gesteld maar niet aangetoond dat de door eiser gevraagde personen deskundig zijn op het gebied van bomen en de toebedeling van de waarden uit het Bomenbeleidsplan. Tot slot sluit de argumentatie in de tegenadviezen de conclusie van [naam 5] dat een deel van de bomen maximaal een ‘verhoogde recreatieve waarde’ hebben, niet uit. Op de zitting heeft het college nog toegelicht dat de bomen op deze locatie ‘opgeschoten’ zijn en niet bijvoorbeeld zijn geplant volgens een historisch plan. Het is geen bijzondere situatie. Dit heeft eiser betwist door te stellen dat het van oudsher typisch moerassig gebied is en volgens het Bomenbeleidsplan en de klankboomgroep de daarbij behorende inheemse moerasbomen terug moeten komen. Echter heeft eiser zijn standpunt over deze vermeende bijzondere waarde niet met stukken of anderszins onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet. Belangenafweging 11.
- Het college stelt in het bestreden besluit, en aanvullend in het verweerschrift, dat hij een afweging heeft gemaakt tussen de belangen die gediend zijn met het behoud van de bomen en de belangen die gediend zijn met de kap van de bomen. De uitkomst van deze afweging is dat het belang van de noodzaak van de kap zwaarder weegt dan het algemeen belang en de belangen van omwonenden die gemoeid zijn met behoud van de bomen (natuur, leefbaarheid en gezondheid). In paragraaf 4.5 van het Bomenbeleidsplan is bepaald dat een boom met een verhoogde waarde in principe niet wordt gekapt. De stelregel hierbij is: niet kappen, mits er een zwaarwegende reden is om de boom te kappen en er geen mogelijkheid is om de boom duurzaam te behouden. Volgens bijlage G van het Bomenbeleidsplan is het bij de bouw van een pand in bepaalde gevallen noodzakelijk om één of meerdere bomen te kappen. Dit dient dan te worden onderzocht. 11.
- Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser is de kapvergunning geen noodzakelijk, geschikt en evenredig middel. Zwaarwegende reden om de bomen te kappen? 12.
- Eiser voert aan dat de noodzaak om te kappen uitsluitend is gelegen in het kunnen bouwen van de sportschool PFC als voorziening voor de wijk Westerwatering. Dat de sportschool op die locatie kan worden gebouwd, is volgens eiser ook nog hoogst onzeker. Daarom ontbreekt de zwaarwegende reden voor de kapvergunning. Bovendien is onduidelijk of de grond, in eigendom van de gemeente Zaanstad, in gebruik kan worden gegeven aan de exploitant van PFC. De gemeente zal hiervoor immers een openbare selectieprocedure dienen te houden. Daarnaast zullen natuurwaarden en voorzieningen verdwijnen (jongerenontmoetingsplek en speelplaats). Verder volgt uit de Kaplijst dat de bomen – met uitzondering van de Kronkelwilg en de Schietwilg – een levensverwachting van meer dan 10 jaar hebben. Dit is ook door deskundigen bevestigd. De bomen zijn dus niet in een zodanige conditie dat het kappen ervan onvermijdelijk is. Bovendien dient voor iedere boom een afzonderlijke afweging te worden gemaakt. 12.
- De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat er een zwaarwegende reden is om de bomen te kappen, door de motivering dat de bouw van sportschool PFC op de hoek van de Weiteveen/ Houtveldweg moet plaatsvinden. Aan de eerste ‘mits’-bepaling uit het Bomenbeleidsplan is dus voldaan. Het college heeft dit standpunt gemotiveerd in het B&W-voorstel en besluitnota van 8 december 2022, het primaire besluit van 20 februari 2023, het verweerschrift in bezwaar, het verweerschrift in beroep en op de zitting. PFC moest weg van zijn oude locatie door de bouw van woningen van het project Zaanse Helden. Sindsdien zit PFC op een tijdelijke locatie in Zaandam aan de Houtveldweg ter hoogte van de Aubade. Daar moet de sportschool ook weg vanwege de bouw van een IKC. De gemeente wil de sportschool behouden voor de wijk Westerwatering. Als nieuwe, definitieve locatie is gekozen het veld op de hoek Weiteveen/ Houtveldweg, naast een andere geplande ontwikkeling, een kinderdagverblijf. Dit is volgens het college de enige geschikte én beschikbare locatie in de wijk. Voor de bouw van de sportschool moet de bouwgrond opgehoogd worden en bouwrijp gemaakt worden. Daarom kunnen de bomen niet blijven staan. Voor de nieuwe situatie heeft de gemeente een herplantplan opgesteld, waarin een duurzamere bomenbalans is gepland waarmee uiteindelijk een hogere kroonbedekking ontstaat. De impact van het kappen van de bomen wordt op deze manier zo veel mogelijk beperkt. Aan die voorwaarde uit het Bomenbeleidsplan is dus ook voldaan. Verder is de omgevingsvergunning voor de sportschool aangevraagd op 12 mei 2023, en zal het ontwerp half maart 2025 ter inzage liggen. De grond is op 3 februari 2025 aan de sportschool verkocht. Het proces is dus – anders dan eiser stelt – in beweging en actueel. Daarbij kan eiser alleen voor zijn eigen belangen opkomen, en heeft hij niet onderbouwd hoe hij in zijn belangen is geschaad. Met het opgenomen voorschrift is, zoals hiervoor overwogen, voldoende waarborg gegeven dat de bomen niet prematuur worden gekapt. De beroepsgrond slaagt niet. Mogelijkheid om de bomen duurzaam te behouden? 13.
- In het bestreden besluit motiveert het college dat de Wilg (nr. 1), de Els (nr. 2) en de Iep (nr. 3) niet verplantbaar zijn. Ze zijn respectievelijk 50 cm, 35 cm en 35 cm in diameter. Het voorbereiden van het eventueel verplanten van deze grote bomen kost zeker een à twee groeiseizoenen. Bij de voorbereiding moeten de wortels van deze bomen gecontroleerd beschadigd worden zodat de boom op zijn huidige plek nieuwe wortels gaat aanmaken. Soms is het daarbij nodig om de kroon bij te snoeien zodat de boom balans houdt. Dit alles kost veel tijd. Daarbij blijft de kans bestaan dat de boom de verplaatsing niet overleeft. De benodigde voorbereidingstijd sluit niet aan bij de tijdsdruk die rust op de planning voor het verplaatsen van de sportschool. Bij het onvoorbereid verplanten van de bomen (met een schop of kraan) zullen de bomen zeer veel wortelschade oplopen en zal meer dan 70% van de boomwortels verloren gaan. Het risico dat de verplanting dan mislukt is dan zeer groot en weegt niet op met de kosten die gemoeid zijn met het verplanten, het noodzakelijke onderhoud en het beheer na het verplanten. 13.
- Eiser voert aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het duurzaam behouden van de bomen. Het college kan bijvoorbeeld bij het ophogen van de grond beluchting bij de bomen plaatsen. Ten onrechte is het college niet ingegaan op dit alternatief, of op andere methoden die zijn opgenomen in paragraaf 5.3 van het Bomenbeleidsplan voor het handhaven van bestaande bomen. Daarnaast heeft het college in het bestreden besluit niet inzichtelijk gemaakt waarom het verplanten van de Els te duur is. Verder volgt uit de bomeninventarisatie dat de Iep gezond is. Om de verplaatsbaarheid te beoordelen dient volgens het Bomenbeleidsplan dan het wortelgestel onderzocht te worden. Uit het bestreden besluit volgt niet dat het college dit heeft gedaan. 13.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit en aanvullend in het verweerschrift draagkrachtig gemotiveerd dat er geen mogelijkheid is om de bomen duurzaam te behouden. Bijna alle bomen staan op de plek waar de sportschool en het daarbij behorende parkeerterrein gepland zijn. Daarom kunnen ze niet blijven staan. Voor de overige bomen geldt dat de grond ook daar opgehoogd moet worden om het terrein bouwrijp te maken. Hierbij is het aanbrengen van beluchting niet genoeg om de bomen te redden. Door de bouw zal de beluchting mee zakken, beschadigen of dichten. Voor wat betreft de Iep heeft het college de wortels langs de weg deskundig beoordeeld om te bepalen of de Iep verplaatst kan worden. De stamdoorsnede van 35 cm, de oppervlakkige en dunne wortels, en daarmee de asymmetrische verplantkluit leveren problemen op voor de stabiliteit na het verplanten. Het risico dat verplanting mislukt is zeer groot, en weegt niet op tegen de kosten die daarmee gemoeid zijn, net als de kosten voor het noodzakelijk onderhoud en beheer. Ook uit het de Bomeninventarisatie volgt dat de bomen niet behouden kunnen blijven. Het college mag, zoals hiervoor overwogen, in beginsel uitgaan van het advies van de bomendeskundige. Daarnaast overweegt de rechtbank ook dat eiser geen onderbouwd standpunt heeft aangevoerd tegen deze motivering van het college. Eiser vraagt zich slechts af waarom niet meer onderzoek is gedaan naar bijvoorbeeld ophoging door beluchting bij de boom te plaatsen. Hij concretiseert echt niet of en hoe een of meer van de te kappen bomen op die manier wel een kans van overleven hebben. Hetzelfde geldt voor het standpunt van eiser over de kosten voor het verplanten van de Els. De enkele stelling dat de kosten niet inzichtelijk zijn gemaakt, en in een verlengde daarvan dat de kosten in werkelijkheid niet zo hoog zouden zijn dat verplaatsing onmogelijk is, heeft eiser niet geconcretiseerd dan wel onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet. Is een natuurvergunning vereist? 14.
- Eiser voert aan dat in het plangebied beschermde vogels aanwezig zijn. De buizend, ekster en zwarte kraai hebben daarbij jaarrond beschermde nesten. Ook andere beschermde vogels zijn volgens eiser aanwezig. Op foto’s zijn onder meer spechten en vleermuizen te zien. Daarom heeft het college ten onrechte de aanvraag niet beoordeeld voor een natuurvergunning of op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo jo. artikel 2.2aa, onder b, van het Besluit omgevingsrecht. De gemeente heeft in 2019 ecologische rapporten laten opstellen ter voorbereiding van de omgevingsvergunning voor bouwen. Een van de conclusies uit die rapporten is dat er redenen zijn om aan te nemen dat er ook marterachtigen in de omgeving zijn. Op het perceel van eiser zijn inderdaad holen van marterachtigen aanwezig, zodat dit volgens eiser is vastgesteld. Hierbij is van belang dat de bomen bijvoorbeeld nestel- en schuilgelegenheid kunnen zijn voor de dieren. In de conclusie van het ecologisch rapport wordt verder aangeraden de oever aan de oostzijde van het bouwterrein beter bereikbaar en beschikbaar te maken voor kleine marterachtigen en andere diersoorten. Dit is ook een aanwijzing dat kleine marterachtigen in het gebied aanwezig zijn. Deze natuuraspecten zijn allemaal niet geborgd in de kapvergunning. 14.
- De rechtbank overweegt dat bij een kapvergunning rekening moet worden gehouden met de gevolgen die het kappen van de bomen heeft voor de natuur. Een natuurvergunning of -ontheffing op grond van de Wabo of de Wet natuurbescherming kan daarbij aan de orde zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze mogelijkheid bij de voorbereiding van de kapvergunning voldoende onderkend. Bij de aanvraag is een Inventarisatie Kleine Marterachtigen van 2 september 2019, een Quickscan Wet natuurbescherming van 15 maart 2019 en een Analyse en aanvullende ecologische Quickscan van 21 januari 2023 ingediend. Uit de analyse uit 2023 volgt dat het terrein niet geschikt is voor (de terugkeer) van kleine marterachtigen. Ook worden rugstreeppadden uitgesloten, worden geen negatieve effecten verwacht voor vleermuizen en zijn alleen twee jaarrond beschermde nesten aangetroffen op voldoende afstand van het projectgebied. Er worden geen negatieve effecten verwacht voor vogelnesten. Een natuurtoestemming is dus niet nodig. Ook in dit kader kan het college in beginsel uitgaan van de deskundig opgestelde rapporten. De rechtbank volgt het verweer van het college dat eiser zijn stelling dat jaarrond beschermde nesten en/of (sporen van) kleine marterachtigen wel aanwezig zijn, niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een ecologisch rapport. De telformulieren die eiser heeft ingediend van zijn buren, zijn niet vergelijkbaar met een deskundig rapport dat voldoet aan de zorgvuldigheidsvereisten. De rechtbank ziet verder ook geen reden om de twijfelen aan de zorgvuldigheid van de rapporten. Van belang acht de rechtbank tot slot dat de vergunninghouder ten alle tijden gebonden is aan de algemeen geldende zorgplicht rondom alle in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit betekent bijvoorbeeld dat niet in het broedseizoen mag worden gekapt. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de verleende kapvergunning in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser de griffiekosten niet terug.
- De rechtbank ziet wel aanleiding om het college te veroordelen in een proceskostenvergoeding voor eiser voor de door zijn gemachtigde verleende rechtsbijstand bij het indienen van het beroepschrift. Het college heeft namelijk nadat eiser beroep had ingesteld en om een voorlopige voorziening had verzocht, aanleiding gezien om het bestreden besluit te wijzigen en als waarborg een voorschrift toe te voegen. De rechtbank stelt de vergoeding op grond van het Besluit proceskosten vast op € 1360,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en halve punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en weging 1). Beoordeling De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt het college de proceskosten van eiser te vergoeden voor een bedrag van € 1814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wabo Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, en tweede lid:
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
- Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g:
- Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: g. houtopstand te vellen of te doen vellen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Artikel 2.18: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. Besluit omgevingsrecht Artikel 2.2aa, aanhef en onder b:Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend. Verordening Fysieke Leefomgeving Zaanstad Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden
- Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval: a. Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
- Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; b. dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; d. de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 5.80 Vellen van boom
- Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand van burgemeester en wethouders een boom te vellen, voor zover de boom: a. de boom als beschermd is aangewezen en staat op de lijst met beschermde bomen; b. de boom als beschermd is aangewezen en staat op de gebiedenkaart beschermde bomen; of c. staat op een openbare plaats.
- Het verbod geldt niet voor bomen met een stamomtrek van minder dan 31 centimeter of een stamdiameter van minder dan 10 centimeter. De stamomtrek en stamdiameter van een boom worden gemeten op een hoogte van 130 centimeter vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten.
- a. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat pas gebruik mag worden gemaakt van de vergunning indien de daarmee samenhangende vergunning is verleend en de bezwaartermijn of beroepstermijn van de samenhangende vergunning verstreken is zonder dat de samenhangende vergunning is geschorst. b. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat pas gebruik mag worden gemaakt van de vergunning indien de daarmee samenhangende vergunning is verleend en gestart wordt met de werkzaamheden.
- Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat de vergunning een beperkte geldigheidsduur heeft na het onherroepelijk worden van de vergunning.
- Het verbod is niet van toepassing op het vellen van een dode boom of het dunnen van bomen wanneer dit tenminste vier weken voor het begin ervan is gemeld bij burgemeester en wethouders.
- Het verbod is niet van toepassing als een boom moet worden geveld vanwege acuut gevaar in verband met instabiliteit of besmettelijke ziekte wanneer dit vooraf is gemeld bij burgemeester en wethouders. Artikel 5.81 Herplantplicht
- Burgemeester en wethouders kunnen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand een herplantplicht opleggen.
- Burgemeester en wethouders kunnen als voorwaarde stellen dat de herbeplanting die niet goed aanslaat moet worden vervangen.
- Wanneer niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht kunnen burgemeester en wethouders een financiële bijdrage opleggen.
- Bij overtreding van artikel 5.80, eerste lid kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar of aan een andere rechthebbende van het perceel de verplichting opleggen binnen een gestelde termijn te herbeplanten. Artikel 5.82 Specifieke indieningsvereisten Naast de reguliere indieningsvereisten worden bij een melding en bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de te vellen boom op een kaart, foto of tekening, ieder voorzien van een nummer of aanduiding; b. een onderbouwing van de noodzaak daarvan; en c. een herplantplan. Artikel 5.83 Specifieke weigeringsgronden In aanvulling op artikel 3.5 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de boom; b. de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom; c. de recreatieve waarde van de boom; d. de cultuurhistorische waarde van de boom; of e. de klimaatwaarde van de boom. BOMENBELEIDSPLAN 2020-2050 – BOMEN, DE LONGEN VAN ZAANSTAD Paragraaf 4.5, onder ‘Bijzondere waarde’ en ‘Verhoogde waarde’: Bijzondere waarde Bij bomen met een bijzondere waarde geldt het principe Nee, tenzij…. Deze bomen worden niet geveld, tenzij de boom ernstig ziek is, dood is of aantoonbaar gevaar oplevert en de levensverwachting van de boom minder dan vijf jaar is. Verhoogde waarde Wanneer er sprake is van een boom met een verhoogde waarde, wordt de boom in principe niet gekapt. De stelregel hierbij is Nee, mits…. • er een zwaarwegende reden is om de boom te kappen; • er geen mogelijkheid is om de boom duurzaam te behouden. Voorwaarden: • De boom wordt vervangen door één (of meerdere) bomen, waarbij de canopy op termijn toeneemt. • De nieuwe boom wordt voorzien van een ruime standplaatsinrichting (zowel ondergronds als bovengronds). Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:145, van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1519 en van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:
- Ibid. Eiser verwijst ook naar T.N.F. Goeting ‘In mandaat besloten’, Gst. 2015/112, paragraaf 3.5 en 3.
- Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:353, van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4219 en van de rechtbank Den Haag van 9 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:
- Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 september 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:
- Eiser heeft R. Smit (voormalig boomverzorger in de gemeente Zaanstad), T. Wölcken (boomkweker en eigenaar van tuincentrum Castricum) en R. Alefs (hovenier, landschapsarchitect en eigenaar De Saense Hoveniers) om een advies gevraagd. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:
- Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:
- In navolging van hetgeen is geoordeeld over de ondeelbaarheid van het beroep in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2208.