RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/363554 / JU RK 25/432 Datum uitspraak: 30 april 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd in Haarlem, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige] , advocaat: mr. D.E. Post, kantoorhoudende in Heerhugowaard. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , en de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Haarlem, hierna te noemen: de GI. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de Raad van 27 maart 2025, ontvangen op dezelfde datum; het gewijzigde verzoekschrift van de Raad van 15 april 2025, ontvangen op dezelfde datum; het definitieve rapport van de Raad met bijlagen van 15 april 2025, ontvangen op 17 april 2025; de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 18 april 2025, ontvangen op 22 april 2025 en 23 april
- 1.
- Als advocaat is mr. D.E. Post aan [de minderjarige] toegevoegd. 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april
- Hierbij waren aanwezig: - de advocaat van [de minderjarige] ; - de moeder; - [vertegenwoordiger van de raad] , als vertegenwoordiger van de Raad; - [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordiger van de GI. 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek. Voorafgaand aan de zitting heeft [de minderjarige] , in het fysieke bijzijn van zijn advocaat, via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding zijn mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. Ook heeft [de minderjarige] aangegeven niet tijdens de behandeling van het verzoek (online) aanwezig te willen zijn. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft op de gesloten groep [groep] van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] in [plaats] . 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 februari 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 mei
- Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] voor de duur van vier weken uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. 2.
- Bij beschikking van 17 februari 2025 heeft de kinderrechter de Raad gemachtigd om [de minderjarige] tot 7 mei 2025 uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. 3Het verzoek van de Raad 3.
- De Raad heeft de kinderrechter bij gewijzigd verzoek van 15 april 2025 verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, een machtiging te verlenen om [de minderjarige] voor de duur van zes maanden uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. 3.
- [de minderjarige] heeft in zijn leven al veel meegemaakt. Hij is op eenjarige leeftijd geadopteerd en daarna door zijn adoptieouders opgevoed in Nederland. In juli 2023 is de adoptievader door suïcide overleden. [de minderjarige] en zijn moeder hebben hem gevonden. De Raad maakt zich zorgen dat deze gebeurtenissen voor [de minderjarige] traumatisch zijn geweest en invloed hebben op zijn huidige functioneren. [de minderjarige] heeft toen hij nog thuis woonde behandeling gehad bij het Kinder-& Jeugdtraumacentrum (KJTC) voor gedragsproblemen in de vorm van langdurige driftbuien, liegen, ondefinieerbare angst en paniek en impulsdoorbraken met agressie. De hulpverlening lijkt echter niet te helpen en/of [de minderjarige] staat hier onvoldoende voor open, waardoor er blijvende zorgen zijn over zijn emotieregulatie. [de minderjarige] laat vanuit een chronische posttraumatische stress-stoornis, impuls-doorbraken, angstbepalend gedrag en motorische onrust zien. Daar komt bij dat bij [de minderjarige] sprake is van achterstanden in de ontwikkeling. 3.
- De pogingen tot behandeling van [de minderjarige] in een open setting zijn ontoereikend gebleken. [de minderjarige] is nu op een gesloten groep geplaatst, die voorziet in duidelijkheid, bescherming, begeleiding en nabijheid. Omdat [de minderjarige] zich minder kan onttrekken aan deze plaatsing, is de verwachting dat de hulpverlening (beter) van de grond komt. Hoewel [de minderjarige] kleine vooruitgang laat zien, blijft hij weglopen tijdens de verlofmomenten en agressief gedrag vertonen. Om toe te komen aan behandeling is het noodzakelijk dat [de minderjarige] plaatsing in de geslotenheid wordt gecontinueerd. Hij is nog niet in staat om met eigen vrijheden om te gaan en om zijn emoties voldoende te reguleren. De vecht- en vluchtreactie is nog onvoldoende doorbroken. [de minderjarige] leert nu met regels, privileges en vrijheden omgaan. De structuur die de gesloten groep biedt, helpt [de minderjarige] om snel weer te zakken in zijn woede en geeft hem voorspelbaarheid en houvast. Uiteindelijk is het doel om toe te werken naar een open setting, maar de Raad is van mening dat op dit moment een open setting niet passend is voor [de minderjarige] . De Raad is bezorgd dat [de minderjarige] opnieuw weg zal lopen en/of agressief wordt, waardoor hulp onvoldoende van de grond komt en [de minderjarige] in een vicieuze cirkel terechtkomt. De Raad onderschrijft dan ook de visie van de gedragswetenschapper. 3.
- In reactie op hetgeen de GI over de wijziging van de gecertificeerde instelling naar voren heeft gebracht, heeft de Raad aangegeven zich hier op dit moment niet in te kunnen vinden. Het ligt voor de hand dat de GI de casus overdraagt, zodat de nieuwe gezinsvoogd niet bij nul begint. 4De standpunten van de belanghebbenden [de minderjarige] 4.
- heeft de kinderrechter verteld dat hij positief tegenover het verzoek van de Raad staat. Hij vindt het prima op de groep en wil graag hulp krijgen om alles een plekje te geven, niet meer zo boos te worden en ondersteund te worden in zijn emotieregulatie. De advocaat van [de minderjarige] 4.
- Ter zitting heeft mr. Post aangegeven zich namens [de minderjarige] niet te verzetten tegen het verzoek van de Raad. [de minderjarige] heeft immers duidelijk aangegeven dat hij achter het verzoek van de GI staat. De vraag moet wel gesteld worden of [de minderjarige] , gelet op zijn persoon en ontwikkeling, op zijn plek is op de huidige groep en of de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de WSS) als gecertificeerde instelling niet passender is. De moeder 4.
- Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht zich te kunnen vinden in het verzoek van de Raad. De moeder maakt zich enorm zorgen over [de minderjarige] , zijn veiligheid en de structuur en dagindeling op de groep. De groep lijkt nog niet helemaal de vinger op [de minderjarige] te kunnen leggen; hij is sinds de plaatsing in [plaats] drie keer weggelopen en een keer in een cel geplaatst. In het belang van de ontwikkeling van [de minderjarige] is het nu echt noodzakelijk dat hij geholpen wordt. De GI 4.
- Ook de GI kan zich vinden in het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. De begeleiders op de groep hebben hun handen vol aan [de minderjarige] . Hij brengt zichzelf blijvend in gevaar door bij wildvreemden in de auto te stappen en loopt wekelijks weg. [de minderjarige] heeft grote moeite met het omgaan met vrijheden, maar gaat (letterlijk) door roeien en ruiten om zijn vrijheid te krijgen. Of, en zo ja, in hoeverre de groep in staat is aan te sluiten bij de persoon, ontwikkeling en het verstandelijk vermogen (IQ van 61 tot 73) van [de minderjarige] , is de GI gelet op het verloop van de afgelopen maanden onduidelijk. Wat de GI betreft is, anders dan eerder, wel duidelijk dat de WSS beter in staat is [de minderjarige] te ondersteunen, gelet op de resultaten uit het persoonlijkheidsonderzoek van 8 januari
- 5De beoordeling 5.
- De kinderrechter zal het verzoek van de Raad toewijzen. Uit de overgelegde stukken en wat ter zitting is besproken, blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de ondertoezichtstelling, genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek, en de wettelijke vereisten voor het verlenen van een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, genoemd in artikel 6.1.2 van de Jeugdwet. Dat betekent concreet dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zal uitspreken voor de duur van één jaar en de Raad zal machtigen [de minderjarige] voor de duur van zes maanden uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. De beslissing over de ondertoezichtstelling zal de kinderrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter overweegt als volgt. 5.
- Duidelijk is geworden dat de zorgen, zoals deze naar voren komen in de beschikkingen van de kinderrechter van 7 februari 2025 en 17 februari 2025, nog onverminderd aanwezig zijn. Bij [de minderjarige] is sprake van ernstige gedragsproblematiek, die zich kenmerkt door ongecontroleerde boosheid en (fysieke) agressie naar mensen en spullen. Ook nu [de minderjarige] op de gesloten groep [groep] verblijft, blijft hij zich onttrekken aan het toezicht op de groep. [de minderjarige] loopt weg van de groep, waarbij er dan geen zicht is op waar hij is, wat hij doet of met wie hij is. [de minderjarige] komt blijvend in onveilige situaties terecht. Deze problemen vormen een ernstige belemmering voor [de minderjarige] ontwikkeling naar volwassenheid. In het belang van de ontwikkeling van [de minderjarige] is het dan ook noodzakelijk dat hij op korte termijn de behandeling, begeleiding en duidelijkheid krijgt die hij nodig heeft. De pogingen in het vrijwillig kader en in een open setting om de ontwikkeling van [de minderjarige] positief te beïnvloeden, hebben onvoldoende resultaat opgeleverd. De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] nu zelf aangeeft hulp te willen hebben bij het verwerken van zijn verleden en het reguleren van zijn emoties. De kinderrechter hoopt dan ook dat [de minderjarige] zich zal houden aan de regels op de groep en zich open zal stellen voor de noodzakelijke begeleiding en behandeling. 5.
- Gelet op de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] , heeft de kinderrechter afgezien van de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. 5.
- Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- stelt [de minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, met ingang van 30 april 2025 tot 30 april 2026; 6.
- verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 7 mei 2025 tot 7 november 2025; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025 door mr. M.C.A Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd en ondertekend op 14 mei
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.