← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:13678

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 22/2467 en HAA 22/2468 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaken tussen 1. [eiser 1]eiser 1 2. [eiser 2]eiser 2 tezamen: eisers gemachtigde: mr. C. [naam] , en de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer gemachtigde: mr. M.T.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem. Procesverloop Bij last onder bestuursdwang van 22 september 2021 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet eiser 2 gelast een lokaal aan de [adres] in [plaats] met ingang van 1 oktober 2021 te sluiten voor de duur van 3 maanden. Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester met schrapping van een kwalificatie het primaire besluit in stand gelaten. In het bestreden besluit heeft de burgemeester verwezen naar een advies van de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 28 maart 2022. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld. De burgemeester heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De burgemeester heeft op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en daarbij voor een gedeelte van één van die stukken verzocht toepassing te geven aan artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat alleen de rechtbank daarvan kennis mocht nemen. De rechtbank heeft, in andere samenstelling, bij beslissing van 3 april 2025 bepaald dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Omdat een van de eisers geen toestemming aan de rechtbank heeft gegeven om van dat gehele stuk kennis te nemen, heeft de rechtbank in de huidige samenstelling het stuk in zoverre niet ingezien. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2025. Eiser 1 is verschenen, alsmede de gemachtigde van eisers. De burgemeester is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is een getuige gehoord. Beoordeling door de rechtbank Kern van de beslissing van de rechtbank 1. De rechtbank komt tot de conclusie dat de burgemeester gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het lokaal voor drie maanden te sluiten. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen. Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit 2.1 Eisers zijn vader en zoon. Eiser 2 is eigenaar van het perceel [adres] in [plaats] (hierna: het perceel). Op het perceel staan twee panden: een bedrijfspand en een pand waarvan het grootste deel van het dak verdwenen is. Eiser 1 stelt een huurovereenkomst te hebben gesloten met eiser 2 voor ‘het gebruik van de woning en het beheer van het perceel en bijgebouwen aan de [adres] te [plaats] ’. Hij stelt een deel van het bedrijfspand te gebruiken voor zijn fietsenlease bedrijf. Hij stelt dat een familielid het andere deel gebruikt voor (zijn) computers(bedrijf). 2.2 Politie Noord-Holland, team Haarlemmermeer (de politie) heeft in de periode 27 juni 2021 tot en met 7 juli 2021 een onderzoek ingesteld naar (activiteiten

  1. op)het perceel en daarvan op 8 juli 2021 een bestuurlijke rapportage (een brief gericht aan verweerder) opgemaakt. Aanleiding daarvoor was een melding van een volgens de politie verdachte situatie. Bij een container op het perceel trof de politie op 27 juni 2021 een doos met stapels plastic zakken aan met daarop de naam van een bedrijf met als vestigingsadres de [adres] , terwijl volgens diverse registers vestiging van een bedrijf op dat adres niet bekend is. De politie beschikte voorts over informatie inhoudende dat het pand eigendom is van een lid van de familie [naam] en dat van leden van de familie [naam] antecedenten van overtreding van de Opiumwet bekend zijn. De politie heeft het perceel geobserveerd en daar bij de aankomst en het vertrek van meerdere voertuigen bij het bedrijfspand waargenomen, die te relateren waren aan leden van de [naam] -familie. Op 6 juli 2021 zag de politie aanleiding tot het betreden van het pand ter inbeslagneming en vervolgens een doorzoeking te houden. In de bestuurlijke rapportage beschrijft de politie de indeling van het pand en de aanwezigheid van computers en grafische kaarten, die volgens de politie gebruikt worden om cryptovaluta te “minen”. In een van de vertrekken rook de politie naar hun zeggen een sterke henneplucht. In die ruimte heeft de politie het volgende aangetroffen – die bevindingen vormen volgens de politie aanwijzingen voor “hennep voorbereidingen”: - een doorzichtige blauwe Tupperware doos van 1 meter lang en 50 centimeter hoog, met daarin honderden plastic sealbags en dopjes bestemd voor het afsluiten van buisjes waarin joints worden geplaatst; - een kartonnen doos met ongeveer dezelfde afmetingen met daarin meerdere zwarte plastic zakken en big shoppers. De politie trof daarin hennepresten aan die aan de zakken kleefden. De zakken kunnen volgens de politie vacuüm getrokken worden en gebruikt om (grote) hoeveelheden hennep te vervoeren; de politie rook dat uit deze doos een sterke henneplucht kwam; - meerdere kartonnen doosjes en plastic bakjes met in een van deze bakjes, die groen was uitgeslagen, hennepresten, waar een hennepgeur vanaf kwam; - in een kast een zwarte sporttas met daarin grote dozen van karton en plastic. Uit de kast nam de politie een hennepgeur waar; - een sealmachine voor het afdichten van plastic zakken door middel van hitte; - in de zwarte sporttas kartonnen hoesjes voor joints, met de tekst ‘ [tekst] ’, zijnde een coffeeshop in Leeuwarden; - duizenden plastic sealbags; - grote dozen tabak die volgens de politie bestemd waren voor de aanmaak van joints; - nog tientallen zwarte vacuümzakken als eerder genoemd; - een machine om meerdere joints tegelijkertijd te maken, met daarop restanten van hennep; - een grote weegschaal en een aluminium bak met hennepresten. 2.3 Op 13 augustus 2021 heeft de burgemeester aan eiser 2 het voornemen uitgebracht tot oplegging van de last onder bestuursdwang omdat volgens de burgemeester in het lokaal op het perceel een groot aantal voorwerpen en stoffen voorhanden waren voor het in de uitoefening van een beroep of bedrijf of in grote hoeveelheden bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en vervoeren van softdrugs. Ten behoeve van de huurder/gebruiker van het pand heeft de burgemeester een afschrift van het voornemen naar het pand gezonden. 2.4 Eiser 2 heeft op 18 augustus 2021 zijn zienswijze ingediend en is telefonisch gehoord. Eiser 1 heeft op 5 september 2021 zijn zienswijze schriftelijk ingediend. 2.5 Met het primaire besluit heeft de burgemeester de last onder bestuursdwang opgelegd. Uit het besluit volgt dat de last ziet op het bedrijfspand waar de politie de onder 2.2 genoemde voorwerpen heeft aangetroffen. Dat pand duidt de burgemeester aan als het lokaal. 2.6 Eisers en een ander hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit. Eén van de bezwaarmakers (die geen deelnemer is aan deze procedure) heeft een voorlopige voorziening gevraagd, waarop de tenuitvoerlegging van de last in afwachting van de beoordeling op een zitting tijdelijk is opgeschort. Bij uitspraak van 2 december 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot schorsing vervolgens afgewezen. Het lokaal is gesloten geweest tot 16 maart 2022, althans tot april 2022. De sluiting is sedertdien niet verlengd. 2.7 De bezwaaradviescommissie heeft eisers uitgenodigd voor een hoorzitting op 3 februari 2022. Eisers zijn daar niet verschenen. Op 28 maart 2022 heeft de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften advies uitgebracht. 2.8 De burgemeester heeft de adviezen overgenomen en de last onder bestuursdwang in stand gelaten in het bestreden besluit van 6 april 2022. Juridisch kader 2.9 De volgende wetsartikelen betrekt de rechtbank in de beoordeling: Artikel 3 OpiumwetHet is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:A. (…)B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; C. aanwezig te hebben;D. te vervaardigen. Artikel 11 Opiumwet(…)2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.(…)5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel. Artikel 11a OpiumwetHij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie. Artikel 13b Opiumwet1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:a. (…);b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.(…) Procesbelang 3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eisers nog voldoende procesbelang hebben bij het voeren van de onderhavige beroepsprocedure. De periode waarop de sluiting ziet, is immers geheel gelegen in het verleden en de sluiting is reeds lang geëindigd. Ten aanzien van een reeds beëindigde sluiting kan procesbelang zijn gelegen in de omstandigheid dat de betrokkene(
  2. n)stelt door de sluiting in zijn eer en goede naam te zijn geschaad. Een andere omstandigheid kan de stelling zijn dat (immateriële) schade is geleden. 3.1 Eisers voeren aan dat zij de last onder dwangsom als een punitieve sanctie hebben ervaren, omdat hen is tegengeworpen dat zij eerder strafrechtelijk zijn vervolgd. Met dit besluit worden eisers opnieuw negatief bejegend. Zij voeren verder aan dat zij als gevolg van de sluiting immateriële schade hebben geleden, te weten een inbreuk op hun eer en goede naam. 3.2 Op voorhand is niet uitgesloten, dat, als sprake is van een onrechtmatige sluiting, eisers imago- of reputatieschade hebben geleden als gevolg van de sluiting. De sluiting die is gerelateerd aan criminele drugsactiviteiten kan als een publieke afwijzing van het gedrag van eisers worden opgevat. Indien het besluit onrechtmatig blijkt, kan dan sprake zijn van aantasting van hun eer en goede naam. Aanspraak op schadevergoeding is bij onrechtmatigheid van het besluit dan niet op voorhand afwezig. Gelet hierop is er voor eisers voldoende procesbelang. De rechtbank komt derhalve toe aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden en bespreking of het besluit al dan niet rechtmatig is. Bespreking van de beroepsgronden Is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, Opiumwet, die bevoegdheid schept om het lokaal met een last onder bestuursdwang te sluiten? 4. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet in samenhang gelezen met artikel 11a, artikel 11, tweede en vijfde lid, en artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd, voor zover van belang, tot oplegging van een last onder bestuursdwang (tot sluiting van een lokaal) indien in een lokaal voorwerpen voorhanden zijn bestemd voor het bedrijfsmatig of in grote hoeveelheden verwerken van softdrugs (hennep en hashiesj). Dat voorwerpen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maakt dat niet anders indien de betrokkene weet of ernstige redenen moet hebben om te vermoeden dat die voorwerpen bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf of in grote hoeveelheden opzettelijk in strijd met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet te handelen, zoals het verwerken van hennep en hasjiesj tot joints en het verwerken van grotere hoeveelheden soft drugs tot kleinere, in plastic zakjes verpakte hoeveelheden. 5.1 Eisers betwisten niet dat de onder 2.2 opgesomde voorwerpen in hun bedrijfsruimte aanwezig waren en zij die voorwerpen dus voorhanden hadden, maar zij betwisten dat de aangetroffen voorwerpen bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf of in grote hoeveelheid opzettelijk in strijd met de Opiumwet te handelen. De vorige gebruiker van het pand, een creatief bedrijf, had de voorwerpen, aldus eisers, daar achtergelaten. Er is of was geen hennepkwekerij in het bedrijfspand. Er is of was geen sprake van een lokaal voor het verwerken/verpakken van verdovende middelen en er waren ook geen aanwijzingen dat zo’n lokaal zou worden opgericht. Zij betwisten dat de bevindingen van de politie juist zijn en dat er hennepresten (kunnen) zijn aangetroffen. 5.2 De vraag die beantwoordt moet worden is dus of eisers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of in grote hoeveelheden verwerken van verdovende middelen (soft drugs). 5.3 Eisers betwisten niet dat in het bedrijfspand verschillende goederen zijn aangetroffen zoals opgenomen onder 2.2. Volgens eisers zijn deze voorwerpen door de vorige gebruiker in het pand achtergelaten. Indien al juist, kan dat argument er niet aan afdoen dat eisers die voorwerpen zelf voorhanden hadden. Mede gelet op de overige bevindingen van de politie in de bestuurlijke rapportage van 8 juli 2021, moeten eisers geweten hebben, althans ernstige redenen hebben gehad om te vermoeden dat de in het pand voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig althans in grote hoeveelheden kunnen verwerken van verdovende middelen door die middelen te verpakken in kleinere verpakkingen voor de verdere verhandeling of daar joints van de maken. Er is immers een machine aangetroffen voor de productie van joints en vele “sealbags” en een sealmachine om soft drugs in kleinere omvang te verpakken. Aangezien familieleden bij de politie bekend zijn met drugsgerelateerde delicten en de politie een henneplucht rook en zwarte zakken aantrof, geschikt voor de aanvoer van grotere hoeveelheden hennep, met ook een hennepgeur, hadden eisers zich moeten beseffen dat de aangetroffen voorwerpen bestemd waren voor het verwerken van (soft)drugs. De rechtbank twijfelt niet aan de kennelijk op ervaring van de politie gestoelde waarneming van de politie van henneplucht. Anders dan eisers aanvoeren, was voor die constatering geen nader onderzoek vereist. Eisers hebben de juistheid van die bevinding ook niet weten te ontzenuwen. Dat sprake is van bedrijfsmatige verwerking van softdrugs of verwerking in grote hoeveelheden, volgt met name uit de aard, de hoeveelheden en de combinatie van de verschillende voorwerpen. De rechtbank concludeert dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de voorwaarden is voldaan om de bevoegdheid tot sluiting uit te oefenen. De beroepsgrond slaagt niet. Hoorplicht 6.1 Eisers voeren voorts aan dat de hoorplicht in het kader van de voornemen- en zienswijzeprocedure en in bezwaar is geschonden. 6.2 De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van schending van de artikelen 4:7 en 4:9 en 7:2, eerste lid van de Awb. De beroepsgrond mist feitelijke grondslag. Eisers hebben de gelegenheid gekregen om schriftelijk of mondeling (c.q. telefonisch) hun zienswijze op het voornemen tot het opleggen van de last te geven en om in bezwaar gehoord te worden. Eiser 2 is ook telefonisch gehoord. Verweerder was niet verplicht mondeling horen op het voornemen nader te faciliteren. Dat eisers uiteindelijk niet van de geboden gelegenheid in bezwaar mondeling te worden gehoord, gebruik hebben gemaakt, ligt in hun eigen risicosfeer. Dat betekent dat eisers voorafgaand aan zowel het primaire besluit als het bestreden besluit wel degelijk in de gelegenheid zijn gesteld om het een en ander te bespreken, uit te leggen en toe te lichten. Punitieve sanctie 7.1 Eisers voeren aan dat de herstelsanctie wordt ingezet als een punitieve sanctie, terwijl er geen drugs in het pand zijn aangetroffen. Eisers verwijzen naar een publicatie waaruit blijkt dat er behoefte is om tekortkomingen in het strafrecht met bestuurlijke maatregelen te compenseren. 7.2 De beroepsgrond slaagt niet. De burgemeester heeft toegelicht dat de toepassing van bestuursdwang in dit geval is gericht op het doen beëindigen en beëindigd houden van de illegale situatie en het herstel van de rechtmatige situatie. Van een punitieve sanctie met een opzettelijk leed-toevoegend karakter is daarom geen sprake. Niet is gebleken dat in dit geval bedoeld is de herstelmaatregel desondanks bij wijze van straf toe te passen. Dat eisers met video-opnames hebben laten zien, dat de politie op hun perceel enige malen (gewelds)middelen heeft ingezet om onveilige situaties te beëindigen, maakt nog niet dat de last onder bestuursdwang een punitief karakter heeft gekregen. De maatregel tot tijdelijke sluiting strekte er slechts toe overtredingen van de Opiumwet, als hier aan de orde, te beëindigen en verder te voorkomen. De enkele omstandigheid dat de sluiting drie maanden duurde, maakt de herstelsanctie ook niet punitief. Die duur was bedoeld om het wederom gaan gebruiken van het bedrijfspand voor de verwerking van softdrugs te doen voorkomen. Publicatie Damoclesbeleid 8.1 Eisers voeren aan dat de burgemeester zijn besluit onvoldoende gemotiveerd heeft. Bovendien is het Damoclesbeleid volgens hen niet op de juiste wijze gepubliceerd. 8.2 Deze grond kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Vaststaat dat de burgemeester ten tijde van het bestreden besluit geen beleid had vastgesteld met betrekking tot het verrichten van strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder b en artikel 11a van de Opiumwet. De grief over het onjuist publiceren van het Damoclesbeleid, wat daar ook van zij, kan daarom onbesproken blijven. Indien de burgemeester geen beleidsregels heeft gesteld voor de uitoefening van zijn een van zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b Opiumwet, gelden er wel zwaardere eisen voor de motiveringsverplichting van de burgemeester bij toepassing van die bevoegdheid. De burgemeester heeft in zijn motivering mede verwezen naar het Damoclesbeleid dat hij heeft vastgesteld voor overtreding van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. De burgemeester heeft ter onderbouwing van de gekozen termijn in redelijkheid wel naar analogie aan kunnen sluiten bij dat Damoclesbeleid. Gelet op hetgeen in het pand is aangetroffen en gelet op het feit dat het een eerste overtreding betreft ,valt aansluiting bij de laagste sluitingsduur in dat beleid te billijken. De burgemeester heeft overigens voldoende gemotiveerd hoe hij tot de sluiting en de duur daarvan in het besluit is gekomen. Daarbij weegt mee, dat geen zeer bijzondere omstandigheden aan de zijde van eisers zijn aangevoerd, die mee konden brengen, dat sluiting geheel achterwege moest blijven of een kortere sluitingsduur voldoende effectief zou zijn. Dat een van de eisers een fietsenleasebedrijf in het bedrijfspand zou hebben gedreven, is voor een ander oordeel niet voldoende. Formele gronden 9.1 Eisers voeren in het beroepschrift voorts een aantal gronden van formele aard aan, te weten allereerst: - dat een machtiging voor de gemachtigde van de burgemeester zou ontbreken; - dat de gemachtigde van verweerder in bezwaar kennelijk niet namens de burgemeester optrad maar voor een college. In het verslag van de hoorzitting staat namelijk vermeld dat zij daar “namens het college” was verschenen. Het college is helemaal geen procespartij, zo voeren eisers aan. 9.2 De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op artikel 8:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan van de advocaat-gemachtigde geen schriftelijke machtiging worden verlangd om haar vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen. Dat in het verkorte verslag van de hoorzitting bij de advocaat ‘namens het college’ is vermeld, betreft een kennelijke verschrijving waaraan geen gevolgen kunnen worden verbonden. In elk geval kan dat niet meebrengen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Bezwaarschriftencommissie 10.1 Eiser 2 voert tot slot nog aan dat de burgemeester eraan voorbijgaat dat de bezwaarcommissie niet op de juiste wijze zou zijn ingesteld. Eiser is met een besluit tot instelling niet bekend. Er zou daarom geen wettelijke grondslag voor de advisering in bezwaar zijn, zo begrijpt de rechtbank dat betoog. 10.2 Dit betoog, wat daar overigens ook van zij, mist ook feitelijke grondslag. De bezwaarschriftencommissie is rechtmatig ingesteld. De burgemeester stelt in het verweerschrift terecht dat het instellen en de handelswijze van de bezwaarschriftencommissie geregeld is in de Verordening adviescommissie bezwaarschriften. Het besluit tot vaststelling van die Verordening is bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2019, 26939. De Verordening is mede vastgesteld door de burgemeester, zo blijkt uit de ondertekening en dus ook van toepassing op door hem te behandelen bezwaren. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is dan ook bepaald dat er een adviescommissie bezwaarschriften is ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar tegen besluiten van zowel de gemeenteraad, het college van b&w als de burgemeester. De Verordening omschrijft de taak van de commissie, de procedure en de samenstelling van de commissie. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 11. Het bestreden besluit is dus op de door eisers aangevoerde gronden niet in strijd met het recht. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het besluit tot sluiting in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In die lijst staan onder meer hennep en hasjiesj. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617. Met Damoclesbeleid worden beleidsregels van burgemeester aangeduid voor toepassing van hun bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.