RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/364773 / HA RK 25-65 Beschikking van 10 november 2025 in de zaak van de vennootschap naar buitenlands recht IPTIQ LIFE S.A., statutair gevestigd te Luxemburg en in Nederland kantoorhoudende te Hoofddorp, namens haar optredend de besloten vennootschap TAF B.V., te Eindhoven, verzoekende partij, hierna te noemen: IptiQ, advocaat: mr. J.R. Meelker, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE POLITIE, te Den Haag, verwerende partij, hierna te noemen: de politie, advocaat: mr. A.T. Bolt. De zaak in het kort In deze verzoekschriftprocedure staat de vraag centraal of de politie gehouden is om de gegevens die naar aanleiding van het overlijden van een verzekerde van IptiQ zijn opgemaakt aan IptiQ als verzekeraar beschikbaar te stellen. IptiQ stelt recht en belang te hebben bij afgifte van deze gegevens om de oorzaak van het overlijden van haar verzekerde, welke oorzaak niet vaststaat, te achterhalen. Het is volgens haar de enige manier waarop objectief kan worden vastgesteld onder welke omstandigheden haar verzekerde is overleden. Zij vordert op grond van artikel 196 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) afgifte van de door de politie opgemaakte gegevens. De politie verzet zich tegen dit verzoek. De rechtbank wijst het verzoek af omdat er gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige bewijsverrichting. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 11, - het verweerschrift zonder bijlagen. 1.2. Op 9 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn namens IptiQ, [jurist] , jurist bij TAF, bijgestaan door mr. Meelker voornoemd verschenen. Namens de politie is verschenen [stafjurist] , stafjurist bij de politie-eenheid Oost-Brabant, bijgestaan door mr. Bolt voornoemd. Op de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarbij mr. Meelker gebruik heeft gemaakt van door hem overgelegde spreekaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. 1.3. Vervolgens is beschikking bepaald. 2De feiten 2.1. IptiQ is een verzekeraar en heeft in 2022 met wijlen [R.] (hierna: [R.] ) en [D.] een overlijdensrisicoverzekering (hierna: de verzekering) afgesloten. De verzekering is via de Hypotheekshop Tilburg als intermediair gesloten via TAF als gevolmachtigd agent van verzekeraar IptiQ. Het polisblad is op 17 mei 2022 afgegeven. De polis ging in per 1 juli 2022 met een looptijd van dertig jaar. Zowel [D.] als [R.] was verzekerde op de polis en verzekeringnemer. Het verzekerde kapitaal voor beide levens bedroeg bij aanvang van de polis € 255.000,-. 2.2. Op de verzekering zijn de polisvoorwaarden IPT ORV 12-2020 van toepassing.In artikel 6.1 aanhef en sub c van deze voorwaarden is als algemene uitsluitingsclausule opgenomen dat er voor de verzekering geen recht op uitkering bestaat indien ‘het overlijden het gevolg is van zelfdoding of een poging daartoe’. Dit geldt alleen als de (poging tot) zelfdoding heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering. 2.3. [R.] is op 20 januari 2023 overleden. [D.] heeft IptiQ via TAF verzocht tot uitkering over te gaan van het verzekerd kapitaal (op dat moment € 249.000,-). 2.4. TAF heeft vervolgens de ‘vragenlijst melden van een overlijden’ naar [D.] verstuurd. Op deze lijst heeft [D.] op 17 februari 2023 het volgende ingevuld, voor zover relevant: “Dag en tijd van overlijden: 20-1-2023, 07:00 (…) 1.1 Wat was de oorzaak van het overlijden? (gelieve zo specifiek mogelijk te omschrijven) Verkeersongeval die tot de dood veroorzaakte 1.2 Wat was de toedracht/gebeurtenis die voorafgegaan is aan het overlijden? N.v.t. 1.3 Is er na het overlijden nog onderzoek gedaan naar de oorzaak/autopsie uitgevoerd? Nee 1.4 Waren er voorafgaand aan het overlijden klachten en sinds wanneer waren deze bekend? Nee (…) 3.1 Datum van het ongeval: 20-1-2023 Plaats van het ongeval: [plaats] Korte omschrijving van het ongeval: verkeersongeval, was er zelf niet aanwezig. 3.2 Werd de betrokkene als gevolg van het ongeval opgenomen in het ziekenhuis? Nee 3.3 Werd er een proces-verbaal opgemaakt? Nee Zo nee, wat was de reden dat er geen onderzoek is gedaan? Heb geen proces verbaal ontvangen, mij niet bekend (...)” 2.5. TAF heeft op 24 maart 2023 opdracht gegeven aan expertisebureau Sedgwick om een onderzoek uit te voeren naar de toedracht en een gesprek te plannen met [D.] . In dat kader is door [D.] aan Sedgwick een machtiging verstrekt om onder meer informatie op te vragen bij het Openbaar Ministerie en de politie over het ongeval van [R.] . De bevindingen van Sedgwick zijn neergelegd in een rapport van 7 april 2023. In dit rapport is vermeld dat zowel [D.] als de oom en vader van [R.] niet weten wat er op 20 januari 2023 is gebeurd. 2.6. TAF heeft vervolgens op 1 juni 2023 opdracht gegeven aan Sedgwick om aanvullend onderzoek te doen. In haar eindrapport van 29 november 2023 heeft Sedgwick vermeld dat een open bronnenonderzoek is verricht en dat meerdere malen is gesproken met [D.] en met de moeder van [R.] . Daarnaast heeft Sedgwick met behulp van de machtiging van [D.] geprobeerd informatie in te winnen bij derde partijen over de toedracht en omstandigheden van het overlijden van [R.] . Er is onder meer telefonisch contact geweest met een wijkagent van de politie [plaats] en met de Privacydesk van de politie Eenheid Oost-Brabant. Dit laatste naar aanleiding van de afwijzing van een informatieverzoek van Sedgwick over het overlijden van [R.] . De Privacydesk heeft Sedgwick op 19 september 2023 schriftelijk bericht dat er geen wettelijke grondslag is om de doodsoorzaak aan Sedgwick te verstrekken. 2.7. Sedgwick heeft in haar eindrapport de volgende samenvatting van haar bevindingen gegeven: “Samenvatting • Verzekerde is overleden door een aanrijding met een trein rond 07:00 uur op 20 januari 2023. Verzekerde was geen inzittende in een voertuig. • Dit was bij een spoorwegovergang in [plaats] . De precieze locatie waar het lichaam is gevonden is onbekend. • Precieze toedracht van het overlijden is eveneens onbekend. • Politie en Privacydesk geven aan dat volgens hen de nabestaanden op de hoogte moeten zijn van wat er precies met verzekerde is gebeurd. • Er is een (of meer) proces(sen)-verbaal opgemaakt door de politie. Volgens de politie bevat het proces-verbaal details die meer duidelijkheid geven over de toedracht van het overlijden. • Het proces-verbaal kan slechts via een rouwverzoek door een nabestaande worden ingezien. • Belanghebbende en de moeder van verzekerde hebben aangegeven niet toe te zijn aan het indienen van een rouwverzoek.” 2.8. TAF en IptiQ hebben vervolgens aan [D.] laten weten dat er geen recht is op een uitkering en dat zijn aanspraak op de verzekering daarom wordt afgewezen. Daarbij is vermeld dat IptiQ een herbeoordeling van de beslissing alleen overweegt wanneer het politierapport wordt overgelegd dat is opgesteld na het overlijden van [R.] . 2.9. [D.] heeft hiertegen op 2 februari 2024 bezwaar gemaakt. Op 6 maart 2024 heeft IptiQ haar standpunt gehandhaafd. 2.10. [D.] is vervolgens een bodemprocedure gestart bij deze rechtbank, met zaak- en rolnummer C/15/359590 HA ZA 24-672 en vordert daarin onder andere dat IptiQ wordt veroordeeld tot het verlenen van dekking onder de polis alsmede tot betaling van een bedrag van € 249.000,00. IptiQ heeft hiertegen verweer gevoerd en bij incident gevorderd dat [D.] op grond van artikel 843a (oud) Rv wordt veroordeeld tot verstrekking van een of meer opgestelde processen-verbaal over het overlijden van [R.] . 2.11. Bij vonnis in incident van 9 april 2025 heeft deze rechtbank de vordering tot verstrekking door [D.] van een door de politie opgemaakt proces-verbaal afgewezen omdat niet is vastgesteld dat een dergelijk proces-verbaal bestaat en [D.] op grond van artikel 843a Rv ook niet is gehouden een nieuw verzoek ex artikel 194 Rv bij de Politie in te dienen. In de hoofdzaak in die procedure is de laatste conclusie genomen en is een datum voor de mondelinge behandeling bepaald. 2.12. Bij brief van 14 februari 2024 heeft mevrouw [naam] van Sedgwick namens IptiQ aan de Korpschef van de politie-eenheid Oost-Brabant verzocht om verstrekking van een kopie van de processen-verbaal die over het overlijden van [R.] zijn opgemaakt. Het verzoek was gebaseerd op artikel 19 lid 1 a van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). 2.13. Dit verzoek om gegevens is bij brief van 20 februari 2024 door de politie afgewezen, omdat Sedgwick (en ook IptiQ) niet valt onder de personen en instanties aan wie volgens het gesloten verstrekkingenstelsel van de Wpg gegevens uit een politieregister mogen worden verstrekt. Wel is aan Sedgwick meegedeeld dat [R.] een niet natuurlijke dood is gestorven. 2.14. Bij brief van 13 februari 2025 heeft mr. Messchaert namens IptiQ bij de privacydesk van de politie (Eenheid Oost-Brabant) op grond van artikel 194 Rv verzocht om inzage en afschrift van de over het overlijden van [R.] opgestelde processenverbaal. Daarbij werd vermeld, dat als de politie het verzoek zou afwijzen, er een verzoek op basis van artikel 195 Rv bij de rechtbank zou worden ingediend. 2.15. De politie heeft het voornoemde verzoek bij brief van 11 maart 2025 afgewezen, omdat het gesloten verstrekkingenregime van de Wpg de verzochte verstrekking van de processen-verbaal niet toelaat en artikel 194 lid 3 Rv voor een kwestie als deze bovendien een uitzondering maakt op de verplichting om deze gegevens te verstrekken. 2.16. Het vorenstaande heeft vervolgens geleid tot deze verzoekschriftprocedure. 3Het verzoek en het verweer 3.1. IptiQ verzoekt dat de rechtbank de politie beveelt om binnen zeven dagen na betekening van de beschikking, althans een in goede justitie te bepalen termijn, afschrift te verschaffen van één of meerdere opgestelde processen-verbaal over het overlijden op 20 januari 2023 van wijlen [R.] , met veroordeling van IptiQ in de eventuele kosten voor de gegevensverstrekking. 3.2. IptiQ baseert haar vordering op artikel 196 Rv. IptiQ stelt dat aan alle vereisten van dit artikel is voldaan. Volgens IptiQ zijn er bij haar vermoedens gerezen dat [R.] is overleden ten gevolge van zelfdoding. In geval van zelfdoding is een uitsluitingsclausule van toepassing. De politie heeft destijds onderzoek gedaan naar de wijze waarop [R.] is komen te overlijden. De bevindingen zijn vastgelegd in één (of meerdere) proces(sen)-verbaal. De politie heeft meegedeeld dat de uitkomsten van het onderzoek (neergelegd in een proces-verbaal) opheldering kunnen geven over de wijze waarop [R.] is overleden. IptiQ noch [D.] weet momenteel wat er in het proces-verbaal is vermeld. IptiQ stelt recht en belang te hebben bij afgifte van dit (deze) bescheid(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.