RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11794522 \ CV FORM 25-4633 Uitspraakdatum: 19 november 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [verzoeker 1], wonende te [plaats 1]
- [verzoeker 2]
- [verzoeker 3] beiden wonende te [plaats 2]
- [verzoeker 4]
- [verzoeker 5] beiden wonende te [plaats 3] verzoekende partij verder te noemen: de passagiers gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim) tegen de vennootschap naar buitenlands recht Société Air France gevestigd te Roissy (Frankrijk) verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD) 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A); het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen moest vervoeren van Juan Santamaría International Airport (San José, Costa Rica) via Charles de Gaulle Airport (Parijs, Frankrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 6 en 7 augustus 2023, met de vluchtcombinatie AF431 en AF
- 2.
- De vervoerder heeft vlucht AF431 van San José naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming. 2.
- De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht. 2.
- De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
- De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 4.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 545,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
- De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Passagiers sub 2 en sub 3 stellen dat zij het vorderingsrecht van hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan zichzelf hebben gecedeerd. Daarnaast stellen de passagiers dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 4.200,
- 3.
- De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- De vervoerder betwist dat de passagiers onder sub 2 en sub 3 het vermeende vorderingsrecht van hun twee minderjarige kinderen geldig aan zichzelf hebben overgedragen. Dit verweer van de vervoerder slaagt echter niet. Hiertoe wordt als volgt overwogen. 4.
- Voor een geldige overdracht (cessie) zijn twee vereisten: een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de schuldenaar. De passagiers hebben bij het formulier A allebei een akte van cessie overgelegd.Aan het mededelingsvereiste is voldaan doordat de cessie in ieder geval in deze procedure aan de vervoerder is medegedeeld. Zij hebben het vermeende vorderingsrecht van hun minderjarige kinderen dan ook rechtsgeldig aan zichzelf overgedragen. Dat één van de twee akten in dit geval geen effect kan sorteren, maakt dit niet anders. Er wordt slechts éénmaal compensatie verzocht en aangenomen mag worden dat bij toewijzing van het verzoek de vergoeding ten goede komt aan het gehele gezin van [verzoeker 2]. 4.
- Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. 4.
- De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop, voldoende heeft onderbouwd dat de vlucht vertraagd is uitgevoerd als gevolg van de weersomstandigheden te San José. Het toestel kon niet opstijgen met voldoende brandstof aan boord. Hierdoor was een extra tankstop noodzakelijk. Dit was sneller dan wachten op een (niet voorspelde) verbetering van het weer. Het moeten bijtanken van een toestel als zodanig is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en deze heeft daar ook geen invloed op. De conclusie is dat het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt. 4.
- Bovendien oordeelt de kantonrechter dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen. De vertraging is namelijk zo beperkt mogelijk gebleven. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. Het verzoek van de passagiers zal daarom worden afgewezen. 4.
- De passagiers worden, gelet op het doel en het karakter van de EPGV-procedure, niet meer in de gelegenheid gesteld om op het verweer van de vervoerder te reageren. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- wijst het verzochte af; 5.
- veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde;en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 135,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking; 5.
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Artikel 7 van de Verordening. Artikel 3:94 BW. Overgelegd als productie 1 bij het formulier A. Artikel 5 lid 3 van de Verordening.