RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11797396 \ CV FORM 25-4668 Uitspraakdatum: 26 november 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [verzoeker 1]
- [verzoeker 2] beiden wonende te [plaats 1]
- [verzoeker 3]wonende te [plaats 2]
- [verzoeker 4]
- [verzoeker 5] beiden wonende te [plaats 3]
- [verzoeker 6]wonende te [plaats 4]
- [verzoeker 7], wonende te [plaats 5] verzoekende partijen verder te noemen: de passagiers gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht EasyJet Europe Airline GmbH gevestigd te Wenen, Oostenrijk verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal) De zaak in het kort De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden; de bemanning dreigde uit de uren te lopen vanwege op eerdere vluchten opgelopen vertraging. Deze vertraging was het gevolg van (de doorwerking van) latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Het verweer van de vervoerder slaagt en het verzoek van de passagiers wordt afgewezen. 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A); het antwoordformulier (formulier C). 2De feiten 2.
- De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 24 juli 2023 vervoeren van Kopenhagen, Denemarken, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC7938 dan wel EZY7938 (hierna: de vlucht). 2.
- De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.
- De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht. 2.
- De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
- De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 375,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
- De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon. Op de grondslag van het resterende gedeelte van het verzoek wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil. 3.
- De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- De passagiers hebben een totale hoofdsom van € 2.500,- gevorderd. Zij stellen dat het hierbij gaat om een bedrag van € 250,- per persoon, voor tien personen. Het verzoek is echter slechts door zeven passagiers ingesteld. Daarnaast stellen de passagiers dat twee personen genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de eventuele vorderingsrechten van hun twee minderjarige kinderen aan zichzelf hebben overgedragen. Deze personen treden in deze procedure echter niet als verzoekende partij op. Daarom is het gedeelte van de hoofdsom dat hoger is dan de compensatie voor de zeven passagiers niet toewijsbaar. Zij hebben immers niet anderszins onderbouwd wat de grondslag is voor dit gedeelte van het verzoek. 4.
- Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. 4.
- De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel was van de rotatievluchten Amsterdam – Split – Amsterdam – Kopenhagen – Amsterdam (vluchtnummers EJU7907, EJU7908, EJU7937 en EJU7938). De voorgaande vluchten EJU7907, EJU7908 en EJU7937 werden vertraagd uitgevoerd vanwege (de doorwerking) van vertraging door latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Dit zorgde ervoor dat de bemanning de vlucht in kwestie niet meer uit kon voeren zonder haar wettelijke diensturen te overtreden. Er was op dat moment geen reservebemanning beschikbaar. Daarom moest de vervoerder de vlucht in kwestie annuleren. Ter onderbouwing heeft hij onder meer vluchtrapporten overgelegd. 4.
- De kantonrechter stelt voorop dat het uit de uren lopen van de bemanning in beginsel een operationeel probleem is. Door bijkomende omstandigheden kan dit echter wel als een buitengewone omstandigheid worden beschouwd. De vervoerder heeft in dit geval voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat de bemanning uit de uren dreigde te lopen vanwege de vertraging van de voorgaande vluchten en dat deze vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) opgelegde beperkingen door de luchtverkeersleiding. Als de luchtverkeersleiding een toestel een latere vertrektijd oplegt, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dergelijke beperkingen zijn niet inherent aan de normale bedrijfsuitoefening van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarom was de annulering van de vlucht het gevolg van buitengewone omstandigheden. 4.
- Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de annulering te voorkomen of te beperken. De vervoerder stelt in dit verband dat hij de passagiers na de annulering een e-mail heeft gestuurd, waarbij hij de passagiers de keuze heeft gegeven tussen terugbetaling of omboeking naar een alternatieve vlucht naar de eindbestemming. Passagiers sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, sub 5 en sub 7 hebben daarbij gekozen voor terugbetaling, terwijl passagier sub 6 heeft gekozen voor een alternatieve vlucht naar de eindbestemming. Daarbij heeft hij ook allerlei kosten vergoed. Ter onderbouwing heeft hij e-mails en schermafbeeldingen uit een intern systeem overgelegd. 4.
- De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij de passagiers de keuze heeft geboden tussen terugbetaling en omboeking, waarbij hij passagier sub 6 heeft omgeboekt naar een andere vlucht en de overige passagiers heeft terugbetaald. De passagiers hebben dat, door slechts in algemene bewoordingen aan te voeren dat zij geen alternatieve vlucht aangeboden hebben gekregen, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder had kunnen worden verwacht. Dit betekent dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen. Het verzoek om compensatie zal worden afgewezen. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking. 5De beslissingDe kantonrechter: 5.
- wijst het verzochte af; 5.
- veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 238,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 119,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.