RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/220410-25 (P) Uitspraakdatum: 26 november 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 november 2025 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum en -plaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.M. Fikkers en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 31 juli 2025 te gemeente Amsterdam en/of Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-Chloormethcathinone (4-CMC), zijnde 4-Chloormethcathinone (4-CMC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet had op de (verlengde) uitvoer van de in de koffer aangetroffen 4-CMC. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vermeld en die nader is toegelicht in onderstaande bewijsmotivering. 3.3.2 Bewijsmotivering De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte is op 19 juli 2025 naar aanleiding van een e-mail en verder contact via WhatsApp met onbekenden, op kosten van deze onbekenden naar Nederland gekomen om tegen een zeer hoge vergoeding van 3.2 miljoen Amerikaanse dollars vanuit Nederland een koffer met cadeautjes naar het buitenland te vervoeren. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dit een raar verzoek te hebben gevonden. Hij verklaarde het vermoeden te hebben gehad dat het mogelijk ging om het smokkelen van verdovende middelen, omdat Nederland bekend staat als drugsland en vanwege de in het vooruitzicht gestelde hoge vergoeding. Omdat hij niets te verliezen had is hij er toch op ingegaan. Op 31 juli 2025 heeft de verdachte in de lobby van het hotel waar hij verbleef een onbekende man genaamd “Chris” ontmoet. Van deze “Chris” heeft de verdachte een koffer in ontvangst genomen, om met die koffer op dezelfde dag naar de Malediven te vliegen en tegen afgifte daarvan uitbetaald te kunnen worden. Daarna is hij zonder de koffer te openen om te controleren wat er daadwerkelijk in zat, daarmee in een taxi naar Schiphol gestapt. Na staandehouding van de taxi door de marechaussee en na de aanhouding van de verdachte, bleek er in de koffer in totaal 3.970,6 gram 4-CMC te zitten. Deze feiten en omstandigheden leveren een zodanig verdachte situatie op, dat het op de weg van de verdachte had gelegen om (nader) onderzoek te doen naar de inhoud van de koffer. Door dit niet te doen, terwijl de verdachte hiertoe wel de gelegenheid had, en de koffer vervolgens mee te nemen in de taxi naar Schiphol met de bedoeling die koffer naar de Malediven te vervoeren, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij verdovende middelen zou uitvoeren. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had op de uitvoer van 4-CMC uit Nederland. Het verweer van de verdediging wordt dus verworpen. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij op 31 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-Chloormethcathinone (4-CMC). Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – conform de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor uitvoer van harddrugs – zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bij wijze van strafmaatverweer verzocht om aan te sluiten bij de LOVS-oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben dan wel vervoeren van een hoeveelheid harddrugs, wat zou neerkomen op een gevangenisstraf van maximaal 16 maanden. Daarop zou naar de mening van de raadsman nog een matiging moeten worden toegepast wegens de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en omdat tegen de verdachte verschillende opsporingsbevoegdheden zijn ingezet waarmee inbreuk is gemaakt op zijn privéleven. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat er gelet op de observaties nooit een risico is geweest dat de 4-CMC daadwerkelijk zou worden uitgevoerd en/of op de markt zou komen. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit De verdachte heeft zich in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen van bijna 4 kilo harddrugs, te weten 4-CMC. De hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in drugs gaat gepaard met vele andere vormen van, ook zware, criminaliteit zoals levensdelicten. Bovendien brengt het gebruik van 4-CMC in zijn algemeenheid gezondheidsrisico's mee voor de gebruikers. Daarnaast schuilt in de productie van 4-CMC nog ander gevaar, zoals ontploffingsgevaar en schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van de bij de productie vrijkomende chemische afvalstoffen. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat de verdachte uit Australië afkomstig is en 69 jaar oud is. De verdachte is daar zijn woning verloren en heeft voorafgaand aan het plegen van het feit onder moeilijke financiële omstandigheden in een hostel gewoond. Ook ervaart hij zijn detentie in Nederland als zeer zwaar. De op te leggen straf Bij het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten. Bij het uitvoeren uit Nederland van 3 tot 4 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 30 tot 36 maanden. Op basis van de onder de verdachte aangetroffen hoeveelheid 4-CMC, te weten bijna 4 kilo, zou dit neerkomen op een gevangenisstraf van 36 maanden. De rechtbank ziet in de hierboven genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding dit enigszins te matigen tot de laagste straf binnen voornoemde bandbreedte. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 2, 10 van de Opiumwet. 8Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven; bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.