RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2951 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 in de zaak tussen [verzoeker] en [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Kliphuis). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde partij], uit [plaats] (gemachtigde: mr. D. Quakernaat). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers naar aanleiding van de afwijzing van hun verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn van een door verweerder aan hen opgelegde last onder dwangsom. 1.2 Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Bij uitspraak van heden (zaaknummers HAA 23/3567 en HAA 23/4325) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van verzoekers tegen de afwijzing van hun verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen connexe beroepsprocedure meer loopt. Het treffen van een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. Conclusie en gevolgen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.